De Louteringscoupé

Thalyscoupé in de HSL Parijs-Brussel ( FOTO GUEORGUI PINKHASSOV/MAGNUM) Beeld
Thalyscoupé in de HSL Parijs-Brussel ( FOTO GUEORGUI PINKHASSOV/MAGNUM)

In zijn maandelijkse essay voor Letter & Geest buigt schrijver Willem Jan Otten zich ditmaal over Allerzielen, de eerste dag van november. „Ik kan het betreuren dat ik, denkend aan mijn doden, niet verder kom dan een Thalyscoupé.”

Ieder vervoert zijn eigen doden. Soms dringt zich ongeveer deze gedachte op wanneer je je na zonsondergang per trein voortbeweegt, bijvoorbeeld richting Brussel. Daar heb ik de afgelopen tijd een paar keer moeten zijn. Het loopt tegen Allerzielen, de tweede sinds mijn vaders dood.

Zelf vervoerd worden en geen landschap meer zien maar, in de weerkaatsing van het raam, wél medereizigers, maakt een dodenvervoerder van je, dat sowieso. De reis door de duisternis, bij voorkeur per Eerste Klasse, gezeten achter je laptop waarop je niet echt meer iets te zoeken hebt, omringd door in zichzelf gekeerde onbekenden, vergemakkelijkt de voorstelling van het postume. Het kost weinig moeite te begrijpen dat je doden, sinds ze heen zijn, worden voortbewogen, in een zoemende, nu en dan een beetje schommelende coupé.

Wat doen ze daar?

Het belangrijkste is dat zij op weg zijn. En dat zij niet volkomen alleen zijn, al gaat mijn hiernamaalsfantasma niet zo ver dat ik bijvoorbeeld mijn eerste meisje Annemiek (gestorven in januari 1990) zie zitten naast mijn oom Peter (vorige zomer gestorven), omdat ze allebei zielsveel van honden hielden. Of Annemiek naast haar vader die, meen ik, een jaar na haar is heengegaan.

Ik bedoel: als de fantasie kort duurt, en eigenlijk alleen maar een ’inval’ is, dan stel ik me mijn doden voor als ’op zichzelf’, zij het omringd door anderen. Maar het opvallendste is dat ze naar binnen zijn gekeerd. Op de wijze van avondlijke reizigers ter hoogte van de Moerdijk. Ze reizen al reizende bij zichzelf naar binnen en treffen daar: mij. Elke gestorvene denkt min of meer doezelend aan degene die hem mist.

Als ik van deze Louteringscoupé zo nodig een uitgesponnen denkbeeld van moest maken, of zelfs een vertelling of een filmscenario, dan zou de trein nu en dan stoppen om nieuwelingen te laten instappen. Dat er nimmer iemand uitstapt levert geen gedrang op: door een Schrödinger speling in de natuurwetten ontstaat er steeds een zitplaats voor iedere nieuwkomer. Men heeft geen bagage.

Natuurlijk denkt Annemiek ook, en veel intensiever, aan haar dochters, die vijf en twee waren toen ze stierf. Ze doet dit, nogmaals, doezelend; dat zij denkt komt doordat er aan haar wordt gedacht. Haar bewustzijn bestaat bij de gratie van gemist worden.

Dat mensen kunnen missen, hevig, langdurig, en soms, ook na jaren, plotseling rauw en fysiek, is ontzettend, maar ook wonderbaarlijk. Een talent, welbeschouwd, en, voor zover we weten: uniek onder de hoog ontwikkelde zoogdieren. Toch is het moeilijk in te passen in een biologische evolutietheorie.

Ik ben onbedreven in het aan elkaar breien van darwinistische argumenten tot één deterministisch vooruitgangsidee van soortvervolmaking, maar op het eerste gezicht lijkt het mij voor het overleven van een soort helemaal niet handig om een missend bewustzijn te hebben. Het lijkt me efficiënter om iedere dode zo snel mogelijk te vergeten. Nog beter zou het zijn het hele idee dat ieder afzonderlijk zal sterven, categorisch ongedaan te denken.

Beseffen, je hele leven lang, dat je onherroepelijk zult overlijden lijkt me gevaarlijk voor de soort.

Als het waar is dat we genetisch als jagers/verzamelaars bedoeld zijn, als nomaden, wat heeft het dan voor zin om met graven of gedenkplaatsen te willen onthouden waar de anderen zijn omgekomen? Waar dient al dat gepraat, al dan niet binnensmonds, met allang gecremeerde moeders en geliefden voor? Wordt de soort in stand gehouden door in portefeuilles kiekjes van geliefden te bewaren die allang voortplantingsonbekwaam zijn want morsdood?

Natuurlijk, ouderen kunnen bijvoorbeeld geheugenverloren raken. Maar dat zij zich mij niet meer herinneren, maakt het feit dat ik hen mis (zelfs al bestaan ze nog) niet minder mysterieus. Ja, die vorm van missen – van iemand die tegenover je zit, is misschien de onverklaarbaarste vorm van missen. En er is iets voor te zeggen dat als mensen op elkaar vallen, zij dat pas echt kunnen beseffen als zij (meestal tijdelijk) van elkaars gezelschap zijn gescheiden. Door het missen wordt de liefde serieus en de ander ’onmisbaar’.

Het is, kortom, niet goed in te denken hoe wij dat hadden kunnen worden wat wij ’mensen’ noemen zonder missen (zoals we zonder pijn nooit zoogdieren hadden kunnen worden). Toch lijkt het steeds moeilijker te worden voor mensen om elkaar met ere te missen. Dat geldt niet alleen voor levenden – die elkaar, bijvoorbeeld met mobieltjes, vrijwel niet meer uit het oog kunnen laten verdwijnen. Steeds verder bewegen we ons uiteen, zonder buiten bereik van elkaar te raken. Schitterende manieren om niet in elkaars bijzijn te toeven en toch met elkaar te verkeren zijn door de neurotische bereikbaarheidsmanie in onbruik geraakt – zoals het schrijven van brieven en het opdragen van gebedsintenties en het dragen van medaillons met daarin elkaars haarlok.

Voor zover ik weet is er geen ’Geschiedenis van het missen’ geschreven, maar wel heeft de historicus Eugen Rosenstock-Huessy geopperd dat er iets meer dan duizend jaar geleden in het christelijk bewustzijn een belangrijke verandering is opgetreden in de wijze waarop mensen met hun doden omgaan. Die verandering hangt samen met het Vagevuur.

Ik lees dit in een spannend boek over erfzonde, ’Original Sin’ van Alan Jacobs. Hij is een van de interessantste nieuwe Amerikaanse essayisten van dit moment.

Erfzonde is geen voor de hand liggend onderwerp in een epoche waarin de mensheid liever in haar gassen stikt dan nadenkt over zoiets achterhaalds en vrijheidsberovends als ’zonde’ en ’schuld’. Toch wijdt Jacobs gedenkwaardige pagina’s aan de civiliserende invloed die de gedachte dat we om te beginnen gevallenen zijn heeft gehad op ons zelfbeeld en onze samenlevingen. Gevallen door eigen toedoen, volgens onze mythe, het eerste bijbelboek.

Het is heerlijk om eens een stevig, vindingrijk en zichzelf aan de tand voelend betoog te lezen van iemand die op eigen kracht, zonder enig jargon, zulke ongeneeslijk vertheologiseerde begrippen als schuld, zonde en Oordeel onderzoekt – omdat hij simpelweg niet kan geloven dat wat duizenden jaren lang het leven van miljoenen mensen en van grondige denkers gericht heeft, voor zijn leven plotseling onbeduidend zou zijn.

Het woord ’richten’ is, in deze context, van Wittgenstein. Die heeft gezegd dat het niet van belang is of het Laatste Oordeel een feit is of zal worden; van belang is of het een leven richt. Dat lijkt de inzet van Alan Jacobs boek te zijn: hij weet zijn bestaan gericht door het besef van de erfzonde. Zijn programma is in feite een Pensée van Pascal: „Ongetwijfeld is er niets dat ons meer tegen de borst stuit dan deze leer van de erfzonde. En toch zijn we zonder dit onbegrijpelijkste aller mysteriën onbegrijpelijk voor onszelf.”

Hoe dan ook, in het hoofdstuk ’A Feast of All Souls’ vertelt Jacobs het denkbeeld van Eugen Rosenstock-Huessy na: dat het vagevuur om zo te zeggen uitgevonden is, en wel in de tiende eeuw, in het klooster van Cluny. Het klinkt als een metafysisch verzinsel van Jorge Luis Borges – maar het is historisch te beargumenteren.

Einde tiende eeuw is er door abt Odilo van het benedictijner klooster te Cluny voor het eerst op 2 november Allerzielen gevierd. Een dag na Allerheiligen, dat vermoedelijk al sinds de vierde eeuw een plaats op de kalender had gevonden.

De legende wil dat Odilo enkele jaren eerder een uit Palestina teruggekeerde pelgrim onderdak had geboden, die hem vertelde dat hij op een onbewoond eiland, na een schipbreuk, helemaal moederziel alleen, door een heremiet was gered. En dat die heremiet hem de plaats had gewezen waar, in een afgrondelijke kloof of grot, de zuchtende en kermende stemmen van duizenden zo niet tienduizenden doden te horen waren. De heremiet vertelde dat hij de bewakers van deze Hades – die overduidelijk niet de Hel was, en al helemaal niet de Hemel – iets merkwaardigs had horen zeggen. Deze demonen (want dat waren de bewakers) klaagden erover dat de pijn en de kwellingen van de gestorvenen verlicht werden door de gebeden der nabestaanden. En niet alleen dat: het verblijf van vele doden in deze sectie van het Hiernamaals werd zelfs bekort door de gebeden – ze mochten sneller dóór naar de Hemel, naar de Aanschouwing van Gods Heerlijkheid. En, vertelde de pelgrim ten slotte met nadruk: speciaal de gebeden van de monniken van Cluny waren zeldzaam effectief.

Sindsdien is het klooster van Cluny zich volledig en uitsluitend blijven richten op het bidden voor de ’gewone’ doden, dat wil zeggen: de niet-heilige (de heiligen gaan immers direct naar de Aanschouwing). Tijdens de Franse Revolutie is het klooster verwoest; de relieken van Odilo zijn publiekelijk verbrand ’voor het vaderland’.

Geen tijd bijgeloviger dan wanneer hij zijn religie weer eens afschaft.

Geloof kan niet zonder lokalisering, een religieuze bevinding zoekt houvast in de verbeelding, en verbeelding kan niet zonder ruimte, en tijd – zij is, hoezeer zij het onkenbare ook incarneert, van deze wereld. ’Het’ grijpt dus altijd ergens plaats, onder een boom, in een tempel, op een berg, uit een brandend braambos. Dus richtten de gebeden van de monniken, en later van ontelbare ’gewone’ gelovigen zich tot een denkbeeldige ruimte, het Purgatorium, dat in Vondels tijd de verontrustende vertaling ’Vagevuur’ heeft gekregen. Pas drie eeuwen na Odilo is er sprake van visuele verbeeldingen van de Louteringslocatie, toen werd het onder andere de berg van Dantes Divina Commedia (1310).

Waar het intussen om gaat, zeggen Rosenstock-Huessy en Alan Jacobs, is dat sinds de instelling van Allerzielen – dat een postume tussentijd vooronderstelt – de verhouding tussen de levenden en de doden is gewijzigd. De levenden hebben iets gekregen wat ze voordien niet bezaten: het vermogen om het lijden van gewone gestorvenen, tijdens de overgang naar de Aanschouwing, te verlichten. Rosenstock-Huessy spreekt hier zelfs van „de eerste universele democratie in de wereld”.

Deze democratie van de levenden en de doden bestaat bij de gratie van de fundamentele gelijkheid van alle mensen. En die hebben we, zegt Alan Jacobs, te danken aan de erfzonde. Deze gedachte schraagt zijn boek. In plaats van het in alle mensen ingeweven kwaad te beschouwen als een betreurenswaardige fictie van een wrekende god, beschouwt hij het besef van de erfzonde als dát wat het eenieder onmogelijk maakt om te denken dat hij meer is dan een ander. Eenieder valt uiteindelijk onder het Oordeel. Iedereen heeft de kans gekregen om zich al levend te zuiveren. Of je dat is gelukt, wordt pas tijdens het Oordeel bekend – dat zolang je leeft aan een ieder onbekend is. Ook daarin, in dit tasten in het duister, zijn alle mensen gelijk.

Hoe je er ook over denkt (veel mensen met een orthodox-christelijke jeugd kunnen verhalen vertellen over de angsten en trauma’s die het gezwaai met erfzonde dan wel vagevuur heeft veroorzaakt), het denkbeeld dat je je doden kunt helpen door te bidden is, wat mij betreft, precies wat we nodig hebben. En ik denk dat Allerzielen de kerkelijke bevestiging is geweest van een soort ’instinctieve’ praktijk die de mensen al kennen sinds de eerste keer dat zij beseften hoe onherroepelijk dood een dode was. En hoe verontrustend en tegelijkertijd vervullend het is wanneer in een droom, of een halfslaap, of per waan, een overledene zich aan je voordoet alsof hij nog leeft. Of ’ergens is’.

Ik bedoel, we zijn, zoals gezegd, ongeneeslijk missende wezens, en de illusie dat het iets uitmaakt wanneer we aan onze gestorvenen denken, en op Allerzielen proberen aan alle doden tout court te denken, is grandioos. Dat het christendom het missen om zo te zeggen heeft ’gedoopt’, en het heeft verbonden met het denkbeeld van het Purgatorium, getuigt van grote praktische wijsheid. Het is, om met Wittgenstein te spreken, nu eens echt iets wat een leven kan richten.

Toch is het Purgatorium afgeschaft, althans in onze noordelijke contreien. Hardhandig, na een betrekkelijk korte strijd. Dat is in de Reformatie gebeurd, toen de Kerk, met aflaten, geld verdiende aan het Vagevuur. In plaats van deze praktijk te veranderen dachten de protestanten de periode van loutering eenvoudigweg dood. De doden hadden officieel niets meer met de levenden te maken, die weg was afgesneden. En ze zijn steeds verder buiten bereik geraakt.

Wat voor gelovigen een vervullende praktijk moet zijn geweest, met troostende rituelen, was tot leugen verklaard. Het werd vervangen door iets wat mij persoonlijk ontzettend moeilijk en slopend lijkt, hoe waar het ook is: het idee dat alleen een rotsvast geloof mij kan redden. Sola scriptura, solus deus, en geen gefoezel met kaarsjes, geen onderonsjes met gestorvenen. Het lukt me van geen kant.

Als wat ik doe soms geloven genoemd kan worden, dan niet rotsvast. Het helpt mij enorm vaak te bedenken dat anderen een sterker geloof hebben dan ik.

Natuurlijk zijn mensen ook na de grote geloofsverdamping van de twintigste eeuw hun ’natuurlijke’ omgang met hun doden blijven onderhouden. Maar het is irrationeler geworden, steeds meer iets waarvoor je je bij jezelf moet verontschuldigen. Of waarvoor je een therapeutische verklaring moet geven: ik weet heus wel dat dood dood is, maar het is goed voor de verwerking om te doen alsof ik met mijn dode vader praat. En het omgekeerde – obsessief aandacht vragen voor de gestorvene, alsof zijn dood je gijzelt – lijkt ook steeds vaker voor te komen.

Wat hebben we aan deze droevige geschiedenis van de opkomst en de ondergang van het vagevuur?

Geen idee. Een geloof als in het Vagevuur is net een mens – eenmaal dood krijg je hem niet meer terug. Maar ik kan het idee missen, zoals ik een dierbare persoon mis. Ik kan het Purgatorium missen, zelfs al heb ik geen levendige voorstelling meer bij het woord. Ik kan het betreuren dat ik, denkend aan mijn doden, niet verder kom dan een Thalyscoupé.

Het is een vreemd soort gedenk, dat van Alan Jacobs en van Rostenstock-Huessy en van schrijvers als Stephen Greenblatt en Peter Brown, van hen die de laatste twintig jaar, vaak via historiserende omwegen, het gelovend bewustzijn zijn gaan omcirkelen. Het is alsof zij uit een afgebrande kerk, geheimzinnige, kennelijk onverwoestbare, maar geblakerde voorwerpen redden.

Maar is het ooit anders gegaan? Redde Paulus het onwaarschijnlijke denkbeeld van de Verrezen Zoon van God niet uit een verdrukte sekte die hij nota bene zelf vervolgde?

Het is vreemd om te ontdekken dat een voorstelling als die van de zuivering van zielen na hun dood, de levens heeft kunnen richten van miljoenen mensen die hun dierbaren misten. Het kan niet anders of je loopt de kans dat je er op een zonderlinge manier alsnog van overtuigd raakt dat het jouw eigen leven aan het richten blijkt te zijn. Of dat zou kunnen doen. Of moeten.

Eigenlijk. Ergens. Zou kunnen. Moeten. Het zijn onzekerheidswoorden, en die zijn niet zelden geloofbeginsels. Misschien moeten zulke overtuigingen eerst volledig verdorren om wortel te schieten en weer uit te botten.

Het heeft niet zoveel zin om diep en principieel over ze na te denken, want plotseling tref je jezelf aan terwijl je een kaars opsteekt in een Brusselse kapel, voor je vader – en je beseft pas op dat moment dat het zijn sterfdag is. Of je hoort in je droom Annemiek spreken en zij zegt iets wat misschien niet eens te verstaan is en toch zal het zijn alsof je haar iets beloofd hebt, maar wat?

Erg content ben ik niet met mijn voorstelling van de Louteringscoupé. Ik vind het minder dan ik mij voorstel dat voor vader Odilo de grot met zuchtende doden was, of voor Dante zijn bergvormige Purgatorio. Niet alleen omdat hun voorstellingen rijker zijn, levendiger, verwarrender – maar vooral omdat ze hun doden meer leven in bliezen. Het is alsof zij werkelijk van teen tot kruin geloofden dat zij hun overledenen konden helpen op hun tocht naar het hemelse Brussel Centraal.

Dante kan zelfs in zijn Purgatorio iemand tegen hem laten zeggen: als je terugbent in de wereld, wil je dan mijn dochter laten weten dat ik hier ben, en niet in de Hel?

Het is tijdens zulk lezen alsof er sprake was van ooit een grotere liefde, tussen de levenden en de doden. Een beter verklaarde, en grondiger beproefde. Alsof zij, de geloofsvaders en -moeders, heviger misten – om hun eigen leven en dood, en het Oordeel, hoeveel harder ook, des te beter te kunnen aanvaarden zonder in wanhoop te vervallen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden