Review

DE LITERAIRE WANHOOP BOVEN DE CULTUS VAN HET IKEerste deel van het verzameld werk van Jorge Luis Borges

Borges lezen, en vooral hem herlezen, is een overrompelende ervaring. Het oeuvre van deze Argentijn blijft volstrekt uniek omdat het over het wezen der dingen handelt en de tijd er nauwelijks vat op heeft. Wegens hun moeilijkheidsgraad hebben Borges' verhalen, meer dan zijn gedichten en essays, aanleiding gegeven tot uiteenlopende interpretaties. De academische wereld heeft zich met geestdrift op de steeds terugkerende thema's gestort: het illusoire karakter van de werkelijkheid; het leven als een doolhof; de pantheïstische idee dat ieder mens minstens twee en misschien wel alle mensen in zich bergt; het universum voorgesteld als iemands droom; de opvatting dat geen enkele gebeurtenis zich ooit volledig laat achterhalen.

De vele verschillende invalshoeken hebben boeiende inzichten opgeleverd, maar ook steriele hoogstandjes die de teksten zelf ondersneeuwen. Daarenboven heeft dit doorgedreven graafwerk Borges (1899-1986) met een imago van literaire halfgod opgezadeld waar hij zelf verveeld mee zat.

Eigenlijk was de man schuchter, bescheiden en, zeker nadat hij in 1955 helemaal blind was geworden, ook enigszins hulpeloos. De twee onhebbelijkheden die hij het meest verfoeide - aanstellerij en fanatisme - bestreed hij echter met een laconiek soort ironie. Het beeld van de elitaire metafysicus Borges dat uit sommige studies spreekt, klopt bijgevolg niet helemaal, omdat het belangrijke facetten van zijn oeuvre zoals humor, speelsheid en nostalgie over het hoofd ziet.

Wat Borges echter veel meer schade berokkend heeft, was zijn stuitende gebrek aan political correctness. Het heeft hem zelfs de Nobelprijs gekost. Vooral in de jaren zeventig stapelde de auteur de blunders op: in eigen land verwelkomde hij de militaire Junta en in het buurland Chili drukte hij generaal Pinochet de hand. Ook al zette hij zijn Argentijnse misstap later publiekelijk recht, het mocht niet baten. Tussen Borges en links kwam het nooit meer goed.

In hun collectieve verontwaardiging verloren zijn vijanden uit het oog dat Borges' uitspraken nogal eens boutades waren. Hij was tegendraads geboren en cultiveerde zijn behoudsgezindheid. Zijn eigengereide aard deed hem even vaak moedige standpunten innemen: in het pro-Duitse Argentinië van de jaren veertig veroordeelde hij onomwonden het nazisme, hij trapte niet in de demagogie van Perón, en hij waarschuwde voor de gevaren van het communisme op een ogenblik dat de voltallige Latijns-Amerikaanse intelligentsia deze doctrine aanhing. Daarenboven liet hij zich in zijn verhalen, hoewel meestal zijdelings, genuanceerder over politieke kwesties uit dan in interviews.

Over Borges bestaat nog een ander taai vooroordeel: dat van de kleurloze kosmopoliet die zijn afkomst zou hebben verloochend. Borges bracht inderdaad beslissende jaren van zijn leven buiten Argentinië door (1914-1921). Hij liep school in Genève, bezocht Italië, Frankrijk en Spanje, en had een Britse grootmoeder, die haar 'Georgie' Engelse avonturenromans toestopte.

Toen Borges op zijn 22ste in Buenos Aires terugkwam, flirtte hij kortstondig met de avant-garde, een 'jeugdzonde' die hij later radicaal afzwoer. In 1935 verscheen 'Wereldschandkroniek', Borges eerste bundel met verhalen, het genre waarin hij een onbetwist meesterschap zou bereiken. In 1941 volgde 'De tuin met zich splitsende paden' - in 1944 uitgebreid tot 'Ficciones' (Fantastische verhalen) - en in 1949 'De Aleph'.

Dat Borges op gespannen voet stond met zijn land, bewijst hoezeer hij een Argentijn in hart en nieren was, want alle Argentijnen worstelen met hun identiteit. Zonder Buenos Aires is Borges' oeuvre gewoon ondenkbaar, ook al verschijnt de stad meestal slechts onder de vorm van een aroma, een tangocouplet of een straatnaam.

Zijn verhalen ontlenen een flink deel van hun universele geldigheid aan het feit dat de auteur moest opboksen tegen een weinig opwindende literaire traditie. Op zijn eentje haalde hij de inlandse canon overhoop, zocht naar bruikbare elementen en kruiste die met de hele wereldliteratuur.

Zijn leven lang was Borges zich bewust van de culturele tweespalt waarin hij verkeerde. Zijn Europese voorouders ten spijt was hij Argentijns staatsburger. Zelf voerde hij de westerse cultuur hoog in het vaandel: hij wilde nadrukkelijk blank, stedelijk en geletterd zijn. Maar hij zag ook wel in dat het ideaal van de absolute beschaafbaarheid van Zuid-Amerika even kortzichtig als onuitvoerbaar was. Niet voor niets was Argentinië eeuwenlang een land geweest van ruwe taferelen, fonkelende dolken, paardenleren tenten en feestmalen met geschroeid vlees.

Daarbij kwam nog dat de kloof die gaapte tussen zijn eigen bestaan - hij was opgegroeid tussen eindeloos veel boeken, van het inlandse en het heftige gescheiden door een hoog tuinhek - en het 'volle leven' van de ruige gaucho's en hun stedelijke tegenhangers dat Borges mateloos fascineerde. Niet zonder afgunst keek hij naar het stoere en overmoedige gedrag van de primitieve messentrekkers. In 'Wereldschandkroniek' wemelt het dan ook van portretten van misdadigers, gangsters en piraten die zich laten leiden door 'de zuivere smaak van het gevaar'.

In het geval van Borges is onbevangen in de verhalen duiken de aangewezen remedie tegen mythevorming. Barber van de Pols sprankelende nieuwe vertaling van de vroege verhalen, die samen het eerste deel van het verzameld werk vormen, leent zich daartoe uitstekend.

Dat Borges het troetelkind van de literatuurwetenschap zou worden, lag voor de hand. Niet alleen bestrijken zijn verhalen, ondanks hun bondigheid, een verbluffend aantal tijdperken en breedtegraden (Argentinië natuurlijk, maar evengoed India, het middeleeuwse Moors-christelijke Spanje, de oude Grieken, de IJslandse sagen), ze ontvouwen ook een hele reeks intellectuele vraagstukken zoals het probleem van de tijd, het verband tussen toeval en determinatie of de menselijke identiteit.

Toch is Borges in de allereerste plaats schrijver en slechts impliciet denker (een erg eclectisch denker dan nog), hoezeer specialisten als Robert Lemm ook gemeend hebben die rollen te moeten omkeren.

De waarheidsaanspraken van de wetenschap of de filosofie zet hij op losse schroeven door de eruditie die hij in zijn verhalen zo kwistig rondstrooit, steevast te laten falen. De indruk ontstaat zelfs dat hij de stellingen die hij verkondigt met flarden encyclopedische kennis kruidt om ze des te beter te kunnen weerleggen.

Zijn verteller is meestal een gissende instantie die de lezer via een vertragende zigzagstructuur doet uitkijken naar de opheldering van het raadsel. Maar de meeste keren blijft de ultieme onthulling uit. Het verhaal verandert ineens van koers, de oplossing die aanvankelijk werd voorgespiegeld blijkt onhoudbaar, het mysterie neemt eerder toe dan af.

De met het heelal samenvallende cirkelvormige Bibliotheek van Babel uit het gelijknamige verhaal mag dan alle boeken bevatten, dat ene boek dat de mens in staat zou stellen de wetten van het universum te doorgronden, blijft onvindbaar of ontoegankelijk. Het bestaat eenvoudigweg niet, omdat elk boek nieuwe vormen van verwarring veroorzaakt. Er rest de ontnuchterde lezer niet veel anders dan de gangbare oordelen en concepten op te schorten.

Nederlagen hebben Borges altijd meer geboeid dan triomfen. Zijn scepsis gold niet alleen rationele systemen, maar net zo goed het empirische 'gezond verstand': waar we onze kennis ook vandaan halen, ze is ontoereikend en verschaft ons geen toegang tot de werkelijkheid; de wereld die de mens ervaart, is grotendeels het product van zijn geest.

Het is dan ook logisch dat Borges' selectiecriterium niet de vermeende objectiviteit van een denkschema was, maar de schoonheid die het uitstraalde. Op deze grond ging hij zover disciplines als metafysica en theologie als takken van de fantastische literatuur te beschouwen. Het valt de mensheid echter moeilijk aan te nemen dat de scheidswand tussen werkelijkheid en fictie zo verontrustend dun is.

VERVOLG OP PAGINA 17

Borges' visie was allesbehalve romantisch VERVOLG VAN PAGINA 15

We dulden de chaos niet, zijn op zoek naar een ordenend principe, hebben behoefte aan het opheffen van onze beperkingen.

Maar Borges redeneert ook hier tegelijkertijd vanuit pool én tegenpool. Hij laat zien dat, wanneer de mens wél de beschikking krijgt over onbegrensdheid (een feilloos geheugen, onsterfelijkheid of een allesomvattend visioen), hij zich daar evenmin raad mee weet.

Zo bestaan er in de stampvolle wereld van 'Funes de allesonthouder' alleen nog details die hem het denken beletten, en komt 'De onsterfelijke' tot de slotsom dat juist de dood mensen kostbaar en aandoenlijk maakt. In 'De Zahir' groeit een toevallig ontvangen muntstuk uit tot een ware obsessie, die ontstaat uit een te grote vrijheid (“Geld is toekomstige tijd. Het kan een namiddag aan de rand van de stad betekenen, het kan muziek van Brahms betekenen, het kan landkaarten betekenen. . .”).

In 'De Aleph', wellicht Borges' beroemdste verhaal, aanschouwt het hoofdpersonage in een kelder in Buenos Aires een punt waarin alle plekken op aarde gelijktijdig aanwezig zijn. Het kijken naar die kleine, van kleur verwisselende bol zorgt voor een haast ondraaglijke gloed en brengt opnieuw zo'n ongelijksoortige opsomming op gang (“Ik zag de dichtbevolkte zee, ik zag de dageraad en de namiddag, ik zag de menigten van Latijns-Amerika, ik zag een zilverkleurig spinnenweb in het midden van een zwarte piramide. . .”). Wanneer hij het huis verlaat, huivert de hoofdpersoon, want tegen zoveel absoluutheid is hij niet opgewassen.

De literatuur is evenmin bij machte om die sensatie van oneindigheid over te brengen. Taal is beperkt, want aan regels van opeenvolging gebonden. De kern van zulke ingrijpende ervaringen blijft onzegbaar. Borges' verhalen kunnen hooguit enige structuur proberen aan te brengen in op het eerste gezicht onsamenhangende of duizelingwekkende verschijnselen. Maar de auteur weet dat hij voor een bijna onmogelijke opgave staat, moeilijker 'dan een koord vlechten van zand'. Elke ordening vervalst en voegt dimensies toe, van echte weergave kan geen sprake zijn.

Borges huldigde een allesbehalve romantische visie op het schrijverschap. Aangezien alles al in pakweg de 'Ilias' staat, kan er maar weinig oorspronkelijks meer worden toegevoegd. De originaliteit is dan ook gelegen in de manier waarop bestaand materiaal wordt herschikt. Schrijven staat dichter bij ontdekken dan bij uitvinden, vandaar ook Borges' afkeer van psychologiseren en zijn neiging om een mensenleven tot enkele krachtlijnen te herleiden.

Borges ziet een grote taak weggelegd voor de lezer, die, onwillekeurig of bewust, zijn eigen subjectiviteit en historische omstandigheden op een tekst projecteert. Elk werk sluit namelijk zijn tegenwerk in, en voorziet in alle interpretaties van de toekomst.

Proef op de som is de onderneming van de symbolist Pierre Menard ('Pierre Menard, schrijver van de Quichot') die er zich toe beperkt enkele hoofdstukken uit Cervantes' Quichot over te nemen en toch volhoudt een nieuw werk tot stand te hebben gebracht. Daar valt weinig tegen in te brengen: het na de Eerste Wereldoorlog handhaven van de stijl en de opvattingen van een zeventiende-eeuws auteur brengt zonder twijfel onvermoede betekenissen aan het licht.

Schrijven, vertalen, bewerken en citeren zijn voor Borges verwante processen. Hij oordeelde dat je beter kon doen alsof dikke boeken al bestonden en er commentaar op geven of ze samenvatten. Vormen van plagiaat die anno 1998 nog opzien baren, leken Borges in de jaren veertig al een gepasseerd station. Lang voor het postmodernisme aan de orde was, omschreef hij de bouwstenen van taal als eindeloze ketens van verwijzingen, die alleen door willekeurig ingrijpen konden worden stilgelegd.

Over de overal in zijn werk rondsluipende tijgers merkte hij bijvoorbeeld op: “De tijger zeggen is zeggen de tijgers die hem hebben voortgebracht, de herten en schildpadden die hij heeft verslonden, het gras waarmee de herten zich voelden, de aarde die moeder was van het graf, de hemel die de aarde licht gaf.”

Niets kon Borges afbrengen van zijn overtuiging dat ieder mens het hoofd moesten buigen voor degene die hij in zich droeg. Ondanks die ogenschijnlijke berusting leed hij onder alles wat zijn eigen lotsbestemming hem had ontzegd: een geslaagd liefdesleven of het hebben van kinderen. Zijn verbeeldingswereld vormde de wijkplaats voor die niet gerealiseerde verlangens. Borges' verhalen zijn dan ook autobiografischer dan ze eruit zien. Dat de hooggegrepen onderwerpen die de auteur erin aansnijdt gewone stervelingen met hun dagelijkse portie 'echte leven' blijven boeien en ontroeren, houdt uiteraard verband met de superieure, onopgesmukte stijl waarin ze zijn gesteld en de feilloze structuur die ze in bedwang houdt. Maar de onverwoestbaarheid ervan heeft ook te maken met het persoonlijke gemis van een weemoedig man die desalniettemin bedwongen literaire wanhoop boven de cultus van het ik verkoos.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden