De lijdensweg van de Roemeense tomaat

markteconomie | Het communisme verdween, Roemenië verwesterde - en met de oogst ging het sindsdien bergafwaarts. Wat ging er mis met de Roemeense tomaat? Annemieke Hendriks zocht het uit. Volgende week verschijnt haar boek 'De tomaat en de bizarre wereld van vers voedsel'.

Opeens mochten de paarden de stad niet meer in. De bewoners van het noordwesten van Roemenië merkten het toen ze, zoals elke week, naar de markt in Satu Mare togen. Het regende al dagen. Niet alleen het platteland, zelfs de stad was in een modderpoel veranderd. Busjes met handelswaar liepen vast. De vele paard-en-wagens met vracht konden daarentegen zonder problemen verder rijden. Tot ze op de toegangswegen naar het centrum op hekken en politie stuitten.

Dit speelde kort nadat Roemenië in 2007 tot de Europese Unie was toegetreden. Hun land was nu in de 21ste eeuw aangekomen, meenden de autoriteiten, en daarbij hoorde het afscheid van achterhaalde tradities. Paarden met felrode pluimen moesten plaatsmaken voor stoplichten. Karren pasten niet bij auto's en asfalt. Dit laatste was in Satu Mare evenwel slechts spaarzaam aanwezig. En waar moest je dan met al die uitgerangeerde paarden heen?

Nogal wat tradities zijn in de jonge EU-staat Roemenië aan het wankelen geraakt. Met name op het gebied van landbouw en consumptie werpt de westerse markteconomie haar schaduwen over het land. Het lot van de Roemeense tomaat maakt dit goed zichtbaar. Wat is er met haar gebeurd, en welke rol spelen de Nederlandse tomatenteelt- en handel hierbij?

Een paar miljoen ton verse tomaten doorkruisen het Europese continent, die uit Nederland en Spanje voorop. De tomaten reizen van zuid naar noord en van oost naar west, maar opvallend vaak ook andersom, van de kou naar de warmte en van het zee- naar het landklimaat, daar waar de lokale tomaten buiten kunnen groeien, zoals in Roemenië. En niet alleen de verse Nederlandse tomaat, maar ook de Hollandse zaad- en kastechnologie laten hun sporen achter in het verre buitenland.

Roemenië is zes keer zo groot als Nederland en een van Europa's grootste groentenproducenten. Maar sinds de revolutie van 1989 is het met de oogst bergafwaarts gegaan. De Roemeense landbouw is slechts nog goed voor een paar procent van het bruto binnenlands product. Nog steeds heeft Roemenië een aanzienlijke tomatenproductie. Een paar jaar geleden schatte het Dutch Romanian Network deze op 500.000 ton; er is een grote grijze zone van achterhoven, ofwel achtertuinen van boerderijen. Alleen leveren die tomaten niks meer op.

Ter vergelijking: Nederland produceert zo'n 200.000 ton tomaten meer, en dankzij de beschermde kasteelt op een veel kleiner oppervlak. Nederland is zelfs 's werelds grootste tomatenexporteur, in geld uitgedrukt. Dat leidt nogal eens tot misverstanden. De Nederlandse tomatenoogst is aanzienlijk voor zo'n polderlandje, maar vormt slechts vijf procent van de Europese tomatenproductie.

Hoe Nederland dan toch wereldexportkampioen Tomaat kan zijn? Ten eerste eten de Nederlanders amper tien procent van die Hollandse kastomaten zelf op. Ten tweede telt de tomatenpulp die met name mediterrane landen uitvoeren, niet mee in de exportstatistieken. Ten derde levert een Nederlandse tomaat meer op dan een Spaanse of Mexicaanse - de naaste exportconcurrenten. En ten vierde heeft toch niemand beweerd dat het louter Nederlandse tomaten zijn, die worden uitgevoerd? Een kwart van de miljard kilo uit Nederland geëxporteerde tomaten werd eerst ingevoerd: handel!

Voor Nederland is Roemenië een onbeduidend tomatenexportland. Voor Roemenië is de stroom tomaten en andere verse groenten uit West-Europa ontwrichtend. "Niet alleen in de supermarkt, maar ook op de lokale markten zie je vooral importtomaten. En die zijn vaak nog goedkoper dan Roemeense, zelfs in het seizoen!", verzucht Mugur, een tuinderszoon van midden dertig en academicus in Sibiu. Zijn vader was tussen 1980 en 1990 directeur van een grote collectieve staatsboerderij, waar onder meer tomaten werden geteeld. De nieuwe tijd en de teloorgang van zijn levenswerk veroorzaakten zulke diepe wonden dat hij geen gesprek wil. Zijn zoon vraagt uit respect voor zijn vader hun beider achternaam uit de krant te houden. Mugur: "Roemenen hebben de naam chaoten te zijn, maar het was een gestroomlijnd bedrijf, met groenten en graan, vee, zuivel, veevoer, een slachterij."

Importtomaten die de Roemeense tomaat wegconcurreren: het fenomeen speelt al jaren, niet alleen in Sibiu in 's lands midden, maar ook in Satu Mare in het noorden en in de hoofdstad Boekarest in het zuiden. Als die geïmporteerde tomaat onverhoeds toch duurder is, ziet ze er doorgaans verser uit dan de inheemse. En anders wel chiquer, zoals de 'Disney'- shakers (bekers) met halfverschrompelde Nederlandse snacktomaten.

Traditie

In het bijzonder wankelt de roze tomaat. De Roemenen zweren bij die 'traditioneel Roemeense' tomaat, die in Polen overigens 'traditioneel Pools' heet. In Roemenië is de mythe wijdverbreid dat de Europese Unie de nationale tomatenteelt heeft verboden. De EU zou teeltvoorschriften opleggen die vergelijkbaar zijn met het Reinheitsgebot dat de Duitsers kennen voor hun bier, zo vertelt men gretig. Daarmee zou de Roemeense tomaat, de legendarische roze voorop, het afleggen tegen de importtomaat en naar de illegaliteit van de achterhoven zijn verbannen.

De roze tomaat die de Roemeen doet watertanden zie je inderdaad steeds minder. Maar die werd ook onder partijleider Ceausescu enkel in de eigen hoven geteeld, vertelt Mugur. "Wij woonden zelf op het erf van de grote staatsboerderij die mijn vader leidde. Daar werden ordinaire rode bulktomaten geteeld." Die tomaten herbergden nog een verrassing: "Ze waren voornamelijk van Nederlands zaad. Over de kwaliteit ervan kon je klagen, maar dat was in Holland in die jaren niet anders, heb ik begrepen."

Ook in Roemenië kent men de verhalen over de Wasserbombe. Men is er nogal op Duitsland georiënteerd, waar het beeld van de smakeloze Nederlandse exporttomaat vrij hardnekkig is. "Nu ja, de meeste Roemenen kregen die bulktomaten toch nooit op hun bord", zegt Mugur. "Ze verdwenen op raadselachtige wijze, waarschijnlijk de grens over richting Sovjet-Unie." Gelukkig had men dus het achterhof nog om de roze tomaat te telen. Maar in die traditie is de klad gekomen. Vanwege EU-voorschriften? Of omdat er geen zaad meer van zou zijn, wat ook vaak wordt verteld? "Nee, dat is onzin. Mijn generatie teelt gewoon geen tomaten.' Wie het kan betalen, koopt ze het hele jaar in de supermarkt. Alle anderen wachten op het zomerseizoen, zoals altijd al."

De mythe over de verloren nationale tomaat, vaak versimpeld tot 'West-Europa probeert ons te naaien', is geen wonder in een land waarin politiek noch media zich aan het informeren van de burgers veel gelegen laten liggen. In werkelijkheid speelt er een complex proces van postcommunistisch verval en kapitalistische marktmacht, van organisatiegraad, geldstromen, corruptie en certificaten. De kleine Roemeense boer betaalt uiteindelijk het gelag, dat klopt weer wel.

Deze Roemeense mythe valt echter in het niet bij de mythe die in heel Europa wijdverbreid is: dat zoiets als een 'nationale tomaat' überhaupt bestaat. Duitse, Oostenrijkse, Franse en Britse consumenten zweren bij hun 'eigen' tomaat, liefst naast de deur geproduceerd. De nuchtere Nederlanders zal het eerder een zorg zijn. Hoezo 'nationaal?' De tomaat komt origineel immers uit Amerika, en wordt bovendien vooral voor de export geteeld. Nederlandse telers maken de meest gewone én de meest exotische tomaten, dure en goedkope, Wasserbomben en suikerbommen: wat Europa maar wil hebben, Duitsland voorop. Voor Roemenië of Polen produceert men, desgewenst, nog gele of roze tomaten die in ons land zelf amper worden gegeten.

Zaad

Wat maakt een tomaat dan tot een Nederlandse of Roemeense (Duitse, Spaanse, Belgische)? De Europese Unie hanteert de definitie dat een Nederlandse tomaat op Nederlands grondgebied is geteeld en een Roemeense in Roemenië. Met de verplichte vermelding van het herkomstland probeert de EU gesjoemel te vermijden. Je kunt de nationale oorsprong van een tomaat namelijk niet ruiken, zien of proeven, al menen sommige consumenten van wel. Zelfs met 'modern isotopenonderzoek' valt de herkomst van tomaten niet te achterhalen, berichtte de tuinbouwwebsite GFactueel in 2014. De intrinsieke eigenschappen van een tomaat leiden je niet naar haar nationale identiteit.

Daarom had de EU formele criteria nodig. Maar neem alleen het begrip 'grondgebied'. 'Grond' komt er in de eigentijdse kassen niet meer aan te pas, behalve voor biotomaten. De meeste andere groeien op een onderlaag van steenwol of kokos die van over de hele wereld kan komen. Het ras van de tomaat is veel bepalender voor haar identiteit dan de plek waar ze groeit. Nam de Europese Unie het zaad als criterium voor het oorsprongsland, dan won de Nederlandse tomaat nog meer terrein.

Het Wageningse Landbouweconomisch Instituut heeft becijferd dat ongeveer 35 procent van het wereldwijd verhandelde groentezaad afkomstig is uit Nederland. Het precieze aandeel is lastig te berekenen. Want van dat Nederlandse groentezaad, waarin tomaten een toonaangevende rol spelen, is pakweg de helft in handen van zelfstandige (familie)bedrijven, maar de andere helft is opgekocht door biochemische multinationals. Tot de eerste categorie behoren Rijk Zwaan, Enza Zaden en Bejo Zaden. Alle drie zijn ze goed voor een plek in de wereldtoptien van groentezaadveredelaars. Dat mag een wonder heten, want het concurrerende Hollandse groentezaad is grotendeels bij Monsanto, Bayer en Syngenta ondergebracht.

Op de hightech-groentezaadmarkt gaat tussen de twee en drie miljard euro per jaar om. Monsanto's laatste grote Nederlandse overname gold De Ruiter Seeds in 2008, een kei in tomatenzaad. De De Ruiters kwamen na de verkoop op de tiende plaats in de Quote 500 van rijkste families van Nederland. Onlangs heeft een Chinees concern Syngenta opgekocht en nu is Bayer Monsanto aan het overnemen. Alleen al Syngenta, inmiddels Chemchina, is volgens schattingen uit de branche mede dankzij zijn zaadpoot in de Noord-Hollandse 'Seed Valley' goed voor eenzesde van 's werelds tomatenzaad.

Waar blijft de traditionele Roemeense tomaat in dit verhaal? "Er is maar één oplossing voor de Roemeense tomatenproductie", zegt Jörg Werner, ketenmanager Oost- en Midden-Europa voor Rijk Zwaan, in het sobere Berlijnse kantoortje van de zaadveredelaar. "Die tomaat moet de supermarkt in. Daartoe moet die het kwaliteitsniveau van de westerse tomaat bereiken voor wat betreft opbrengst, houdbaarheid, uniformiteit, veiligheid en seizoensonafhankelijkheid. En daarvoor moet die tomaat in eigentijdse kassen worden geteeld, hightech."

Alleen heeft geen van de grote tien zaadconcerns voor alle traditionele rassen een eigentijds equivalent, legt Werner uit. "Kijk, er zijn twintigduizend tomatensoorten op de wereld. De meeste daarvan zijn gedurende eeuwen aan de lokale omstandigheden aangepast. Maar voor een hightech-productiewijze zijn ze niet geschikt." Je moet als het ware eigenschappen van oude rassen terugkruisen in een modern jasje. En dat kost veel tijd en geld, ook al is het tomatengenoom nu in kaart gebracht.

De weinige grotere tomatenboeren in Roemenië telen inmiddels zulke veredelde tomatenrassen, die resistenter en beter houdbaar zijn - kortom, die meer opleveren. Die soorten hebben niks Roemeens. Maar Rijk Zwaan en andere veredelaars hebben ook wel zaad voor roze tomaten ontwikkeld. Werner: "Dat kan mede geïnspireerd zijn op tomaateigenschappen die in Polen of Roemenië speciaal worden gewaardeerd." Hij meent dat de Roemeense teler met zulk zaad uiteindelijk in het voordeel is ten opzichte van de importtomaat, 'omdat zijn tomaten dan een authentiek imago en een vertrouwde smaak hebben'.

Kas

Zowel het communisme als het kapitalisme kent een gestroomlijnde structuur van productie en handel. De Roemeense tomaat van nu, een slecht houdbaar seizoensproduct zonder afzetstructuur, valt in het gat tussen beide ideologische uitersten. Deze uitersten raken elkaar overigens soms bijna, zoals de uiteinden van een hoefijzer. Zo bleek in Ceausescu's dictatoriale staat een verbazingwekkende hoeveelheid Nederlandse tuinbouwtechnologie te zijn doorgedrongen. Mugur: "Op het staatsbedrijf waar wij woonden stonden grote, moderne glazen tomatenkassen. Die kwamen, net als het zaad, van de ideologische vijand: van jullie dus."

De Westlandse glasteler Piet Duijndam toog rond 1995 als fris gepensioneerde naar het West-Roemeense Arad om er over de tuinbouw te adviseren. "Daar was midden jaren zestig door een kassenbouwer uit het Westland een heel groot tuinbouwcomplex neergezet", vertelt hij thuis in Wateringen. "Ons Westlanders was wel bekend dat Hollanders voor de communisten bouwden. Ik herinner me nog dat wij in de jaren zestig angst hadden dat we een enorme concurrentie van die Oostblok-staten zouden krijgen. Ze konden spotgoedkoop massaal produceren."

Dat valt ook te lezen in het Reformatorisch Dagblad van 20 september 1975. Onder de kop 'Problemen met "rode" tomaten' spreekt de krant van 'enorme, op maagdelijke grond verrezen kassencomplexen' in Roemenië, 'door de Nederlandse tomatentelers als een ernstig rood gevaar gezien'. De krant bericht dat in het nieuwe vijfjarenplan van Roemenië maar liefst nog eens tweehonderd tot vijfhonderd hectare kas staan gepland. De jonge EEG - de voorloper van de EU - bezwoer het gevaar van die 'rode tomaten' echter door onder druk van de Hollandse tuinbouwlobby de grenzen voor Roemeense producten te sluiten.

De tomatenrassen die uit Nederland kwamen waren in Roemenië wel extra vatbaar voor allerlei ziekten, zelfs in een glazen kas. De zaadinstituten van de Roemeense staat probeerden om die rassen geschikter te maken voor het eigen productieklimaat. Maar na de revolutie van 1989 werden die zaadinstituten opgedoekt of opgekocht. Dit gat werd wederom gevuld met geïmporteerd eigentijds Nederlands zaad, zag Piet Duijndam: "Dat waren vaak overschotten, die in Roemenië goedkoop werden verkocht."

Duijndam verhaalt van een verdwijnende infrastructuur, een verhaal dat in het gehele voormalige Oostblok verteld kan worden. "Ik was in Arad om te kijken wat je nog kon met die inmiddels verouderde kassen. Dat tuinbouwcomplex was na 1989 geprivatiseerd en de eigenaar had een aanvraag om advies ingediend bij de PUM." De stichting PUM zendt senior-experts op vrijwillige basis uit naar landen buiten de EU, aldoende idealisme parend aan kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven. "De opbrengsten in die kassen waren rond 1995, toen ik er was, heel slecht. Ergens nadat ze waren gebouwd is de tijd er stil gaan staan. Ze hadden een heel ouderwetse indeling, zo smal dat je er niet met grote machines kon werken. Overal lagen verwarmingspijpen in de weg. Tjongejonge, zoiets had ik nog nooit gezien. Maar het werkte allemaal nog wel."

Toen Duijndam in Roemenië ging adviseren, werd dat inmiddels geprivatiseerde tuinbouwcomplex in Arad gerund door voormalige bazen van staatsbedrijven. Ze hadden goed opgeleide jongeren aangesteld voor de implementatie van technische vernieuwingen. "Ik kreeg het verzoek om het bedrijf te optimaliseren. Ik heb toen berekend hoe de bestaande kas een maximum productiecapaciteit met tomaten en komkommers zou kunnen behalen. Daarnaast heb ik een schaduwbegroting gemaakt voor als je het hele zooitje zou weggooien en er wat nieuws zou neerzetten. De eigenaar was zwaar onder de indruk. Maar hij had niet de financiële mogelijkheden om dat nieuwbouwplan uit te voeren. Dus moesten de oude kassen maar geoptimaliseerd worden. Alleen kwam je dan niet onder enorme energiekosten uit. De prijzen voor energie waren de lucht in geschoten."

Jaren later wilde dit bedrijf, vertelt Duijndam, alsnog zijn nieuwbouwplan gaan uitvoeren, mits het financieel zou worden ondersteund door de Europese Unie. Een stimulans was ongetwijfeld de trainingsweek in moderne tuinbouw geweest die de Roemeense managers in Nederland hadden gevolgd. Nederlandse bedrijven schreven alvast in op de geplande kassenbouw. Maar de betreffende Europese pot voor regionale ontwikkeling, waar Roemenië als toekomstig EU-lid een beroep op kon doen, bleek al leeg. Duijndam: "De grote stap richting modernisering heeft het bedrijf nooit kunnen doen. Jammer, want de vraag naar tomaten was in steden als Arad heel groot geworden."

Piet Duijndam is door deze ervaring zijn aanvankelijke optimisme een beetje kwijtgeraakt, zegt hij. "Je moet als Roemeen werkelijk alles mee hebben en bijna geniaal zijn om er op de Europese markt tussen te komen met je verse producten. Als je de vereiste knowhow niet bij elkaar kunt halen, kun je niets goeds van de grond krijgen."

Daar komt bij dat die grond onder de voeten van de Roemeense boer en tuinder wordt weggekocht door buitenlandse beleggingsfondsen. De beursgenoteerde Duitse Agrarius-Gruppe bezit in 2016 alleen al in West-Roemenië vijfduizend hectare land, en ontvangt daar ook nog eens de EU-subsidie per hectare voor. Het is dan ook niet illegaal. De boer juridisch beschermen tegen de aanzienlijke prijsstijgingen van de grond die het gevolg zijn, is dat juist wel.

Land

Wat Roemenië zo'n bijzonder land maakt, is dat je je er in drie eeuwen tegelijk kunt wanen. Wanneer op het land twee paardenkarren elkaar stapvoets passeren, ontstaat steevast een gesprek van de ene wagen, hoog opgeladen met hooi en landarbeiders daarbovenop, naar de andere wagen, vol aubergines, tomaten, levende kippen en mensen ertussenin. Het zijn vaak Roma onder grote zwarte hoeden, maar ook wel oudere boerinnen van de Duitse minderheid of verarmde Roemenen zonder auto. De Roma zijn het meest met hun tijd meegegaan. Als de karren buiten elkaars gehoorsafstand zijn, pakken ze prompt hun mobieltjes en vervolgen het gesprek.

Roemenië heeft de meeste landbouwbedrijven van de hele Europese Unie. Maar met gemiddeld drie hectare zijn het tevens de kleinste en minst rendabele van de EU. Officieel werkt eenderde van de beroepsbevolking in die agrarische sector. De informele economie verhoogt dit cijfer nog aanzienlijk. Niettemin importeerde Roemenië vijf jaar na de toetreding tot de EU al zeven keer zo veel groente en fruit als het exporteerde, in de eerste plaats tomaten. Driekwart van alle levensmiddelen kwam toen al uit het buitenland, berekende een Roemeense staatsinstelling.

Bij de schaduwen van de vrije markt komen nog de schaduwen uit het verleden. De zogenoemde Teruggavewet heeft het grondbezit verbrokkeld. De Roemenen kregen een deel terug van de grond die hun voorouders in het communisme was ontnomen. Ook grond kregen mensen die lang op een staatslandbouwbedrijf hadden gewerkt. Veel van die teruggegeven landjes kwamen vervolgens braak te liggen. De Roemeen sneed na de Revolutie de banden met het verleden graag letterlijk door: via de irrigatiebuizen die de landjes hadden verbonden. Zo kon je jezelf afsnijden van de buurman, zeg maar, die natuurlijk ook niet had gedeugd. Samenwerken? Nee zeg, eindelijk ieder voor zich. Zulke reacties zag je evengoed in Hongarije en in de voormalige DDR, inclusief het kapotmaken van oude bewate-ringssystemen die over het nieuwe privé-land liepen.

Zelfs op de plaatsen waar het een Roemeense dorpslandbouwcoöperatie lukte om weer wat stukjes land aaneen te smeden, kon men er nauwelijks een rendabele bestemming voor vinden.

In elk geval waren tomaten dat niet. De tomaat is in Roemenië, anders dan in Nederland, voornamelijk een landbouwproduct. Dat betekent dat ze veelal buiten in de openlucht groeit en is blootgesteld aan weer en wind. Alleen enkele kapitaalkrachtige Italiaanse firma's, een paar Roemeense oligarchen en, toch nog, een paar eigentijdse coöperaties van boeren telen op grotere schaal in glazen of plastic kassen.

Geld

De Roemeense koudegrondtomaat versus de Nederlandse kastomaat: in subsidiegeld uitgedrukt is het een verschil van miljarden. Een Roemeense boer kan een paar honderd euro Europese subsidie per hectare krijgen. Een landje tomaten, vaak vermengd met andere groenten en een paar mestvarkens, levert dus amper subsidie op. De meeste kleine Roemeense boeren beginnen niet eens met de aanvraag. Want dan word je maar op de vingers gekeken, en ze moeten al tientallen belastingformulieren per jaar invullen.

Nee, dan de Nederlandse kasgroentetelers. Nergens worden zo veel tomaten op zo weinig grond geproduceerd als in Nederland. Aan hectaresubsidie heb je dan niets. De Nederlandse tuinbouwlobby heeft er zo'n twintig jaar geleden binnen de Europese landbouwpot een aparte subsidieregeling doorheen weten te krijgen. Niet het teeltoppervlak maar de onderlinge samenwerking is bepalend bij deze Gemeenschappelijke Marktordening voor groenten en fruit (GMO). De belangrijkste voorwaarden voor deze subsidieregeling: een officieel erkende telersvereniging is de aanvrager, die investeert vijftig procent zelf, en moet iets innovatiefs of marktversterkends in de zin hebben. Welnu, nergens zijn de telers zo verenigd als in Nederland; de tegenstelling met het voormalig Oostblok kan in dit opzicht niet groter zijn. De GMO-regeling heeft die verenigde tuinders twee miljard euro in twintig jaar opgeleverd. Geen land produceert, per tomaat gerekend, zo efficiënt en goedkoop als Nederland, ook het 'goedkope' Roemenië niet. Hoe armer het land, des te duurder zijn land- en tuinbouw: dat is hier de paradox.

Niet iedereen vindt deze subsidieverdeling tussen Oost en West daarom eerlijk. Maar de Nederlandse teler wordt al bestraft. Hij zit mede door de GMO-subsidie gevangen in een spiraal van nog efficiënter produceren, nog meer tomaten, die dan steeds minder opleveren. Een tuinder die niet mee kan in deze rat race, behoort net als vele collega's in Roemenië tot de verliezers.

Al die rode balletjes moeten natuurlijk wel in de lucht worden gehouden. Daarin slaagt de Nederlandse handel meesterlijk. De laatste paar procent van de overproductie aan tomaten wordt ver weg op de markt gebracht, om niet te zeggen gedumpt. Het lijkt bizar dat van Estland tot Roemenië de inheemse tomaten vaak duurder zijn dan de helemaal uit Nederland geïmporteerde. Met het vermeende kwaliteitsvoordeel van de Estse of Roemeense tomaat heeft deze prijswetmatigheid veel minder van doen dan met deals tussen grote marktpartijen, combipakketten en restpartijen. Omdat het over enorme stromen verse tomaten en andere groenten gaat, kan er toch nog winst worden gemaakt.

"Dit is je reinste waanzin", is het commentaar van Jörg Werner, die als manager voor Rijk Zwaan vaak in het Oostblok onderweg is. "De Nederlandse telers en handelaren laten spotgoedkope tomaten vijftienhonderd, tweeduizend, drieduizend kilometer ver rijden om van de overproductie af te komen. Ik spreek ze vaak genoeg, en zeg tegen allen: 'Bitte, bitte, bouw in Holland geen enkele kas meer bij. Neem jullie geld en jullie knowhow, trek naar Roemenië, naar Oekraïne, naar Rusland, en ga daar ter plekke tomaten telen.'"

Nee, voor de zaadbusiness van Rijk Zwaan zou dat niks uitmaken, voegt hij toe. "Verder zou het voor iedereen en alles beter zijn. In Nederland zou de druk van de ketel zijn, de transportlijnen worden korter, en landen in opbouw krijgen kans hun land- en tuinbouw te ontwikkelen."

Maar waarom zijn Nederlandse kassenbouwers en zaadveredelaars over de hele wereld actief, maar zit er amper een Hollandse tomatenteler in een land als Roemenië? Jörg Werner kan maar één reden bedenken, een die in tuindbouwkringen trouwens ook wordt aangedragen: "De Westlandse tuinders willen op vrijdagavond naar hun Westlandse kroeg kunnen. Dat zijn honkvaste protestanten."

Voor haar boek 'De tomaat en de bizarre wereld van vers voedsel' volgde Annemieke Hendriks jarenlang het leven van de tomaat van zaad tot supermarkt in Nederland, Duitsland, Roemenië, Spanje, Oostenrijk en andere landen. Dit verhaal schreef Hendriks speciaal voor Trouw.

Het boek verschijnt volgende week. 384 pagina's, 24,99 euro. Het is ook letterlijk een tomatenboek; het omslag is gedrukt op papier dat vezels bevat van restmateriaal van tomatenplanten.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden