Levenslessen

De levenslessen van oud-volleybalprof Bas van de Goor: Laat iemand niet vallen als hij ziek is

Beeld Merlijn Doomernik

Oud-volleybalprof Bas van de Goor (46) kreeg een jaar geleden lymfeklierkanker. Voor het eerst in zijn leven hielp zijn topsportersmentaliteit niet. ‘Ik kon hier geen plan voor maken.’

Les 1 - Geen doel stellen kan ook

“Ik voelde me al maanden niet fit en was steeds maar moe. Mensen om me heen riepen de hele tijd dat ik te hard werkte, dat ik nog burn-out zou raken, dat irriteerde me mateloos. Ik vond het heerlijk om een druk baasje te zijn, ik rende het liefst van hot naar her. En ik had totaal niet het idee dat mijn werk te veel was. Tot ik, exact een jaar geleden, op het Nationale Diabetes Challenge Festival was. Dat is het jaarlijkse evenement van de Bas van de Goor Foundation waarbij mensen met diabetes een wandeltocht maken van 5, 10 of 20 kilometer. Maandenlang trainen ze daarvoor.

Ik was die dag kapot en onze vaste arts zag dat mijn klieren erg opgezwollen waren. Ik liet me diezelfde week nog onderzoeken en toen bleek ik lymfeklierkanker te hebben. Een mokerslag. Ik was wel gewend aan ziektes en gedoe; ik heb al veertien jaar diabetes en had eerder een tia, de ziekte van Pfeiffer, hepatitis en veel blessures. Bij al die aandoeningen kon ik mijn sportersaanpak inzetten: een plan maken, een doel stellen en er dan tegenaan tot ik weer fit was. Nu moest ik me overgeven aan de artsen. Dus besloot ik voor het eerst van mijn leven om geen doel te hebben: een heel vreemd gevoel.”

Les 2 - Zorg voor een goede vibe in huis

“De eerste week na de diagnose wisten alleen mijn vrouw Nicole en ik ervan; dat was een helse week. Ik was voor het eerst van mijn leven bang. De allereerste associatie is toch de dood. Wat nu als Nicole alleen met de kinderen achterblijft? Wij zijn een hecht gezin en bespreken veel met onze vier kinderen, maar hoe vertel je zoiets? De artsen raadden ons aan pas iets te zeggen als we een beetje wisten hoe het ziektebeeld zou verlopen. Terwijl in ons gezin alles ogenschijnlijk doorging, waren wij bevroren. Toen we wisten dat ik in een half jaar acht keer een chemobehandeling zou krijgen, hebben we het de kinderen verteld. De oudsten van 12 en 13 begrepen de impact ervan. De jongsten van 8 en 5 niet. Maar ze snapten allemaal dat ik ook dood kon gaan, net als opa, die aan longkanker was gestorven.

Daarna volgde een periode waarin Nicole de topsporter in huis was: zij regelde alles. Ze had in feite vijf kinderen te verzorgen. Ik zorgde voor de goede vibe in huis. Ik was wel vaak flink beroerd en moe, maar ben niet iemand die in een hoekje gaat zitten wegkwijnen. Ik heb diep respect voor Nicole’s aanpak. Geen enkele keer vroeg ze: ‘En ik dan?’ Gelukkig kregen we veel hulp van vrienden en buurtgenoten. Geregeld schoof iemand een pan eten door de deur of haalde iemand Nicole op om er even uit te zijn. Dat heeft ons ontroerd en dat hielp.”

Les 3 - Een positieve houding geneest kanker niet

“Ik ben altijd optimistisch geweest over een goede afloop, maar ik geloof niet dat die positieve houding mijn kanker heeft genezen. Dat vind ik ook een absurde gedachte. Alsof je met positieve gedachten jezelf kunt genezen; wat zegt dat dan over mensen die het niet hebben gered? Mijn enige houvast was mijn hematoloog. Ik lette goed op zijn lichaamstaal en ik zag al snel dat hij iets positiefs uitstraalde. Wat daarbij hielp, was zijn advies: lees niet alles op internet, dan zak je weg in een moeras van tegenstrijdige berichten. Ik bleef me goed voelen en naar mijn arts luisteren. Na de derde kuur bleken mijn lymfeklieren geslonken en dat gaf moed. Nicole stond daar anders in; zij had echt de bevestiging nodig dat alles schoon was. Eerst zien, dan geloven. Ik had dat minder, zelfs toen ik er na de zesde kuur een longontsteking bij kreeg, voelde ik dat het goed zou aflopen.”

Les 4 - Niet luieren, maar sporten

“Sinds mei is alles schoon, er zijn geen kankercellen meer gevonden. Ik kamp nog wel met restverschijnselen van de chemo’s, zoals vermoeidheid. Soms ben ik ineens door mijn energie heen van die dag. Wel ben ik weer met sporten begonnen, dat hoort bij mijn leven. Het is niet zo dat ik nog steeds dwangmatig sport, dat is er wel vanaf. Ik zit ook weleens op de bank met een zak chips en heb dan geen zin om mezelf omhoog te hijsen om te gaan hardlopen.

Dat was vroeger wel anders. Bij ons thuis stond sporten bovenaan. Mijn vader werkte voor een wegenbouwbedrijf en was niet iemand van de grote woorden. Hij deed liever. Mijn moeder werkte voor de gemeente. Bij ons thuis werd niet geluierd: hard werken en sporten, daar ging het om. Ook mijn ouders waren bezeten van sport, ze tennisten fanatiek. Een tamelijk onbezorgde jeugd. Zolang we maar ons best deden. Mijn broer Mike en ik deden van alles: tafeltennis, voetbal, zwemmen, tennis, judo en daarna volleybal. En dat sloeg aan, we speelden beiden op hoog niveau.”

Les 5 - De beste van de wereld zijn, dwingt respect af

“Eenmaal in de volleybalcompetitie was ik niet iemand die vooropliep. Ik stond niet snel op mijn strepen; het belang van mijn team stond voorop. Natuurlijk waren er in die wereld genoeg ego’s, maar zo zat ik niet in elkaar. Ik wilde wel de beste zijn en per se winnen, daar werkte ik keihard voor. Waar anderen genoten van het studentenleven met biertjes drinken en stappen, had ik die behoefte totaal niet. Discipline was nooit een probleem. Ik wilde liever trainen, spelen, scoren en winnen. Het mooiste vind ik, als ik nu terugkijk op mijn carrière, dat ik inderdaad helemaal bovenaan heb gestaan. Op een bepaald moment hoorde ik bij het beste volleybalteam van de wereld. Het respect, de eer en de waardering die je afdwingt als je ooit goud op de Olympische Spelen hebt gewonnen - zoals wij in Atlanta in 1996 - dat blijft. Zelfs nu nog merk ik dat mensen mij met een bepaald soort respect benaderen.”

Les 6 - Laat iemand niet vallen als hij ziek is

“Ziektes en blessures hebben me mijn hele carrière achtervolgd. In de topsport zijn ziektes iets waar luchtig mee wordt omgegaan; sport draait soms, naast winnen, ook om andere belangen: geld, macht. Ik hield me daar nooit mee bezig. Tot ik in 2004 bij mijn Italiaanse team Sisley Treviso een tia kreeg. Mijn teamgenoten steunden me, maar de directeur sportief, die moest opkomen voor mijn medische belangen, bezorgde me de grootste teleurstelling in mijn leven.

Ik had zorg nodig, maar bleek niet verzekerd, omdat hij mijn verzekeringsgeld in eigen zak had gestoken. Dan verwacht je dat zo’n club er alles aan doet om dat zo snel mogelijk te regelen! Niets van dat alles, ze stelden voor dat ik maar moest stoppen. Ze wilden me lozen. Ik word niet snel boos, maar toen - ik weet nog dat ik ergens bij Trento reed - ging ik helemaal los. Ik weigerde weg te gaan en ben direct naar de grote baas van Benetton - eigenaar van dat team - gestapt om verhaal te halen. De volgende dag was het geregeld. Sportief gezien was ik het liefst gebleven, maar het ging niet meer. Het vertrouwen was weg. In mei 2005 speelde ik mijn laatste wedstrijd.”

Les 7 - Zoek je grens op

“Ik zal altijd wel die volleyballer met diabetes blijven. Omdat ik ruim een jaar na mijn diagnose stopte met spelen, dacht iedereen dat het daarmee te maken had. Terwijl het voor mijn diabetes hartstikke goed was geweest als ik was blijven topsporten; ik had prachtige bloedglucosewaarden. Toen dacht iedereen nog dat je niet te hard moest sporten met diabetes, want dan zou je naar worden, een hypo krijgen. Ik weet wel beter.

Daarom ben ik de Bas van de Goor Foundation begonnen: ik wil kinderen en volwassenen laten ervaren dat ze meer kunnen dan ze denken. Ik ben zelf absoluut geen goede of snelle hardloper, maar toen ik trainde voor de marathon van New York, lukte het me toch die uit te lopen. Ik dacht: als dit soort uitdagingen bij mij werken, moet dat voor anderen ook gelden.

Inmiddels hebben we met deelnemers de Kilimanjaro beklommen, marathons gelopen en trektochten door IJsland en Zweden gemaakt - de laatste 90 kilometer langlaufend. Uiteraard altijd begeleid door een medisch team dat iedereen test en in de gaten houdt. Een doel motiveert.”

Les 8 - Wees wat vaker thuis

“Ik heb door de chemokuren een half jaar niet gewerkt. Toen ik terugkwam bij de Foundation vroeg ik tijdens de eerste vergadering aan mijn collega’s op welke vlakken ze me nu echt gemist hadden. Qua organisatie en logistiek was alles doorgegaan, alleen op het gebied van fondsenwerving en netwerken misten ze me. Als boegbeeld van de stichting is dat ook een beetje mijn functie en daar ben ik nu ook vooral mee bezig. Toch maak ik nu andere keuzes, ik zeg niet meer automatisch ja. Iets moet echt leuk zijn.

Zo ben ik onlangs gevraagd voorzitter te worden van de vakjury die de nominaties bepaalt voor Sportman en Sportvrouw van het Jaar: een leuke job. En ik ben vaker thuis, ik werk minder dan voorheen. Ik heb het thuis heel leuk en met pubers in huis moet je er vaker zijn, je moet aanstaan en weten wat er speelt. Ik ben elke week twee avonden beschikbaar voor werk en als die twee avonden ingevuld staan, dan zeg ik nee. Tenminste, dat probeer ik.”

Bas van de Goor

Bas van de Goor (1971, Oss) is directeur van de Bas van de Goor Foundation. Via sport wil hij graag de kwaliteit van leven van mensen met diabetes verbeteren door sporten en bewegen. Van de Goor kreeg zelf diabetes toen hij op topniveau volleybal speelde. Hij speelde als middenman in de Nederlandse en Italiaanse competitie. Met het Nederlands team won hij goud op de Olympische Spelen in Atlanta in 1996. Van de Goor won ook driemaal met zijn club de Champions League. Zijn volleybalcarrière duurde van 1989 tot 2005; in dat jaar stopte hij na diverse blessures. Daarna was hij korte tijd technisch directeur bij volleybalclub Dynamo in Apeldoorn, waar hij nog steeds woont met zijn vrouw en vier kinderen. In 2006 begon hij de Bas van de Goor Foundation. Vorig jaar kreeg hij lymfeklierkanker, maar is inmiddels weer aardig hersteld. In oktober werd hij de nieuwe voorzitter van de vakjury die de nominaties bepaalt voor het Sportgala.

Hier vindt u nog meer levenslessen 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden