De LEUGEN van Thomas MoreKijk in mijn hersenen, ze zijn niet normaalDE UTOPIA-EXPRES

“Hoe is het toch mogelijk, dat ik me op dit uitgestorven rangeerterrein iedere keer opnieuw beschouw als vriend en verrader van mijn reizigers tegelijk? Gooi de wissel maar om, machinist, ik heb zojuist de laatste verstekeling eruit geknikkerd, we kunnen als gewoonlijk weer onverrichter zake terug.”

MARTIN VAN DER LAAN

De gepijnigde conducteur van de Utopia-expres zet zijn gezicht in een vraagteken: “Als de melancholie in mijn hoofd het zou winnen, durfde ik mezelf een vriend te noemen. Dan kon ik me spiegelen aan George uit Of mice and men van John Steinbeck. Pientere, tengere George en zijn domme, onbeholpen mededromer Lennie, een reus met de kracht van een grizzly, zullen ooit, als ze de centen bij elkaar hebben, een eigen landje kopen. Met een koe, een varken natuurlijk, met een. . . Elke dag weer hoort hij het: “George, vertel het nog eens, en mag ik dan voor de konijnen zorgen?” De onmogelijkheid van 'dat grote geluk in het meest kleine' voel je aankomen. Mijn hemel, wat zaten er zojuist nog vele Lennies bij me in de trein.”

“Domme Lennie aait zijn muis te ruw, aait zijn pup dood en breekt uit pure onhandigheid een vrouw de nek. Hij vlucht naar hun geheime plek: “George, je bent toch niet kwaad op me. Ain't you gonna give me hell?” “Nee, Lennie, kijk, daar over de rivier, je kunt het haast zien, en we nemen een koe, een varken natuurlijk, en we telen alfalfa voor de konijnen.” Dan, uit mededogen en voor de achtervolgers uit, schiet George het leven uit de turende dommekracht. Zo red je een droom.”

“Ik heb ze toch maar meegenomen, mijn reizigers. Ben ik dan een vriend of toch een verrader? Had ik net zo eerlijk moeten zijn als die oude neger Crooks in Of mice and men? 'Met honderden heb ik ze zien komen en gaan' houdt die de dromers voor, 'allemaal mannen met een eigen stukje land in hun hoofd, dat ze net zo min zullen bereiken als ooit iemand in de hemel aan komt.' Want och, op betaaldag lopen de boerderijen leeg en de hoerententen vol, en aan het begin van een nieuwe maand begint ook de droom opnieuw. Zoals deze reizen naar Utopia: nooit kwam ik bij de grens aan met zelfs nog maar één onschuldige reiziger, maar steeds weer heb ik het ze niet gezegd, heb ik de leugen van Thomas More's Nergensland voor me gehouden. Heet ik George of Crooks, ben ik vriend of verrader?”

“Nu we terugreizen zit ik weer met die vraag. Hier denderen we langs de halte waar ik een halve gare Darwinist eruit heb gewerkt. Hij heeft me de illusie voorgehouden: voorbeeldig gedrag van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat zit er niet in voor ons. We dragen van huisuit, vanuit het primatenverleden en verder terug, een bedriegersmentaliteit met ons mee. Goed bedoeld bedrog trouwens, in dienst van ons eeuwige streven het leven door te geven. Het is nu eenmaal dringen op aarde.”

“Ook menselijk gedrag moet je zien tegen het décor van een evolutionair theater, meende die kwast. Maar zo'n evolutionaire achtergrond geldt dan niet alleen voor destructief maar evenzeer voor coöperatief, onbaatzuchtig en minzaam gedrag. Misschien heeft etholoog Frans de Waal gelijk en verblinden we onszelf als we de moraliteit buiten de natuur plaatsen. De natuur toont ons de vechtjassen, denken velen, en vervolgens zoeken zij oprechte liefde, medeleven en zorgzaamheid buiten de evolutie om. En de ontroerende trots dan van een moederaap die haar pasgeboren jong aan de omringende moederschare aanbiedt?”

“Misschien sluimert in ons inderdaad een ver verleden, met een donkere zijde, een evolutionair strafblad, waardoor soms onberedeneerde angsten of onmenselijke razernijen in ons los komen. Maar ja, ook onze knuffeldrang. Zo bezien lijkt de evolutie goed en kwaad te verklaren, alles dus, en daarom eigenlijk niets. Dan houden we als verklaring voor crimineel gedrag over dat we 'van nature ook slecht zijn'. Had ik in alle eerlijkheid die dooddoener aan het begin van de reis al moeten opbiechten voor iedereen? Te nietszeggend, toch?”

De expres raast voort. Verderop ziet de conducteur een stel oude bekenden lopen. “Ah, de leerlingmisdadigers, die er niet uit konden komen of de crimineel zijn misdadigheid aanleert of de brave burger juist zijn kwade gedrag afleert, dus zijn minder mooie aard innerlijk weet te kerkeren. Dat laatste lukt volgens psycholoog Hans Eysenck maar moeilijk bij extraverte, instabiele types.”

“Eysenck heeft een probleem, als ik Geoffrey Stephenson in The psychology of criminal justice mag geloven. Er zijn minstens zoveel onderzoeken die op introverte misdadigers wijzen. Bovendien veronderstelde Eysenck dat kinderen die moeilijk te socialiseren zijn weinig leren van straf. Ze zouden nauwelijks te conditoneren zijn. Alweer een misser, het eerste onderzoek onder een grote groep jongens leverde gelijk het tegenovergestelde beeld op. Ach nee, die Eysenck denkt dat je een streep kunt trekken tussen criminelen en niet-criminelen. Ja, dat kan, schrijft Stephenson, tussen de meest saaie wetsgetrouwe sul en de meest schurkachtige, onkneedbare ellendeling. Maar tussen die twee in past bijna de hele mensheid.”

“En daarvan leert een deel misdaad aan, door verkeerde vrienden te volgen of door het zomaar eens te proberen. Criminologen die dat geloven, Edwin Sutherland en vele navolgers, hebben een ander probleem, een soort kip-en-ei-kwestie. Aangezien lang niet iedereen open staat voor slechte voorbeelden wordt de vraag: volg je dat verfoeilijke voorbeeld omdat je al een beetje boef bent of word je het pas na je eerste oefening in de misdaad?”

“Trouwens, aanleren schept ook de mogelijkheid van afleren, maar met die suggestie zijn in het verleden treurige ervaringen opgedaan, tot en met een chemokuur voor criminele jeugdigen. Allemaal mislukt! Wat een kooppie zou het zijn voor de samenleving: dat ze zou kunnen volstaan met de gedachte dat misdaad louter de vrucht is van afkijken en naüpen. Nee, daarvoor zit in die vrucht een veel te harde pit. In deze hoek zullen we het definitieve antwoord niet vinden.”

Soms denk je mensen te kunnen waarschuwen tegen dreigende misstappen, een moment later ook weer niet, mijmert de conducteur. “Ik hield mijn mond, wist dat ik ze allemaal zou verliezen maar had die zekerheid ergens toch niet. Of het zou van die lui moeten zijn die ik daar zie gaan.”

“Lennies”, hij onderdrukt een vloek, en de wanhoop van Ain't you gonna give me hell? schiet hem opnieuw te binnen. “Ik zou een hele hoop wetenschappers die hautaine houding uit hun hoofd willen. . .”

“Laat ik het maar zakelijk houden tegenover criminologen die in misdadigers allemaal Lennies zien, met een IQ van 90-min. Heren James Wilson en Richard Herrnstein van dat bedenkelijke boek Crime and human nature, ik ben blij dat jullie bij deze halte gelijk met jullie 'dommen' zijn afgetaaid. Denk nog eens na voordat jullie zonder fatsoenlijk bewijs schrijven dat criminelen gemiddeld een mager IQ'tje hebben, terwijl jullie zelf donders goed weten waar de mankementen in jullie betoog zitten.”

“Opsommen dan maar? Als lage intelligentie een directe oorzaak is van misdadig gedrag, dan begrijpen we niets meer van de fraude, het gefoezel en de inventieve diefstal van al die slimme witte boorden die een halte eerder uitstapten. Meet die test van jullie trouwens intelligentie of louter een paar academische vaardigheden? Of brengt die slechts cultuur- en klassenverschillen aan het licht, verschillen waar je crimininaliteit net zo goed mee kunt begrijpen?”

“En denk nou eens na, Lennies lopen natuurlijk veel eerder tegen de lamp. Wie daar aan twijfelt leze Moordenaarswerk van mr. Hans van Straten: welke snuggere snijdt het lijk in stukken, verbergt het en vlucht naar de andere kant van de wereld, maar laat wel bij de onherkenbare romp een paar vodden achter met een wasnummertje? Wie bestelt vandaag cyaankali en brengt er morgen al iemand mee om, nota bene in het bijzijn van moeder, schoonmoeder en de dienstbode?”

“Ik vraag het me oprecht af: had ik de dommies vanwege de grotere pakkans toch niet beter op voorhand kunnen weren? En al die witte boorden, hoorden zij wel thuis in de expres?”

“Hun gefoezel en geknoei heten geen diefstal, zei Jason Ditton: al die lui tussen de wetsgetrouwe sul en de onkneedbare ellendeling in - beter gezegd: wij met z'n allen - bedienen ons van weasel words, verzachtende begrippen voor ordinair jatwerk. De mensen moesten eens weten dat alle prijzen in de kleinhandel met 15 procent naar beneden konden als het personeel de handen zou thuis houden. Een derde van de faillisementen zou niet doorgaan. Gas geven, machinist, deze blinde vlek in de criminologie is me te zichtbaar. Als ergens duidelijk wordt dat criminaliteit een maatschappelijke uitvinding is. . .”

“Nee, als ik de dommen van tevoren hun Utopia-droom had moeten ontnemen, dan ook alle heilige boontjes. Misschien ligt het anders voor die paar ongure typen die in de buurt van de volgende halte rondschuifelen. Die had ik natuurlijk beter niet mee kunnen nemen. Hem zeker niet, Edmund Kemper, die engerd heeft weer een ander vrouwenhoofd op zijn stok gestoken. Tja, je moet ze dan wel herkennen van tevoren, en als psychologen bewezen hebben ergens geen verstand van te hebben, dan is het wel van de raderen in het hoofd van die afschuwelijke bruten.”

“Noch over het wie noch over het waarom word je wijzer. Buiten de harde criminaliteit om lijkt (serie-) moord welhaast geen serieus verschijnsel voor de wetenschap. Niet zelden blijkt het motief voor moord ook te onbenullig om lang bij stil te staan. Een paar voorbeelden uit Moordenaarswerk: Robbie F. steekt in 1962 zijn vriend dood en berooft hem van zijn kerstgratificatie om een cadeau voor zijn vriendin te kunnen kopen. En moeder Kielstra deed er in 1923 niet verstandig aan haar zoon geen geld te geven voor de kermis. Jan wordt ziedend en slaat haar dood. Psychiaters vinden dan meestal wel een dieper motief, maar een passend ook?”

“Van een enkeling hadden ze het kunnen begrijpen. Charles Whitman ging met zijn moordzucht naar de huisarts en de psychiater, maar die haalden de schouders op. Toen, op een dag, liet hij nota bene een briefje achter: 'Zoek me en hou me tegen, kijk in mijn hersenen. . ., ze zijn niet normaal.' Te laat, de explosie in zijn hersenen, als gevolg van een tumor, stuurde Whitman op pad voor de moord op dertien mensen.”

“Nee, in moord schuilen nog vele geheimen. Zoals de merkwaardige strijd in de ziel van de dader die zich wil verbergen en de dader die zich wil tonen. Een bizarre vorm van 'onbewuste bekentenisdrang' vertoonde de Hongaar Franz Gal, die zijn buurman beroofde van de opbrengst van een koe. De zesjarige dochter van de boer had alles gezien, waarop Gal besloot het meisje uit de weg te ruimen. Hij knoopte een strop aan de zolderbalk en vroeg haar het hoofd er door te steken. Het kind aarzelde, wist niet hoe en vroeg 'Doe het eens voor', waarop Gal het hoofd door de strop stak, de stoel omschopte en hing.”

- Vervolg op pagina 16

De leugen . . . VERVOLG VAN PAGINA 15

De expres heeft alweer vijf haltes gehad en maakt vaart. “We passeren nu stops waar criminelen om ogenschijnlijk ijzersterke redenen zijn uitgestapt. Maar in wezen zijn het maar halve motieven”, peinst de conducteur, “ik had ze verdorie net zo goed binnenboord kunnen houden. Zoals de brokkenpiloten, die geen enkele binding hebben met wat of wie ook. Zuipers, knokkers, wegpiraten en veelvrijers: 'En dan die ogen, hoe die als ie naast zijn nieuwe liefje flaneert al weer ongeneerd langs andere rokjes dwalen', zei iemand op de heenreis over zo'n ongebondene.”

“Duizendpoten in de misdaad zijn het, die de gehechtheid aan pa, moe, docent en vriend missen en eigenlijk weinig te verliezen hebben. Ze missen controle van buitenaf, en van binnen, vanuit hun eigen controlekamer. Maar er deugt iets niet aan die theorie, er zit een cirkelredenering in, menen sommige criminologen: criminelen vertonen ongecorrigeerd gedrag, doordat ze zich niet laten leiden en corrigeren.”

“Dat is geen erg overtuigende redenering. Ik wil best geloven in de jaloezie, geilheid en hebzucht van ongeremde, ongebonden mensen, maar dat vader, moeder of een vriend niet steeds over je schouders meekijken brengt je er nog niet toe iemands hersens in te slaan. Nee, die gebrekkige controle vormt hooguit een verklaring voor kleine zonden, menen de meeste criminologen.”

“Ergens vind ik het een nogal kwalijke gedachte. De ploert in ons moet weer eens geknecht worden, en ik hoor iedereen al hameren op 'het gezin en de school'. Ik krijg hier een erg Amerikaans gevoel bij. Waarschijnlijk had ik de helft van de reizigers bij aanvang kunnen brandmerken, mensen in wie de moraal door gebrek aan stem - van buiten of van binnen - nooit hardop klinkt maar slechts fluistert. Aan wat voor onmogelijke reis moesten die beginnen?”

Weer vraagt hij zich af of hij ze van tevoren had moeten waarschuwen. “Thomas More staat me tegen, volgens mij verkoopt hij leugens. Het wordt me langzaamaan duidelijk dat van mijn reizigers om tal van redenen nooit iemand op de eindbestemming kon aankomen, maar tegelijkertijd was niet één reden om af te haken hard genoeg. Wie passeren we hier bij voorbeeld: mensen die we hardhandig eruit hebben gewerkt, die het stempel misdadiger als een brandmerk van de samenleving meedragen. De lui die we dief noemen vanwege het stelen van een brood, waar de genadeloze verkoper van huizen nog netjes speculant mag heten.”

“Met onze stigma's en morele paniek creëren we zelf de misdaad, en de outcasts die het stempel eenmaal opgedrukt hebben gekregen zullen hun misdadige aard als een self-fulfilling prophecy tentoonspreiden. Nou, dat belief ik niet te geloven. Er zit zeker pas een vlekje aan als de autoriteiten het zeggen. Zo onschuldig komt de wetsovertreder echt niet weg. Bovendien gaat de suggestie dat de samenleving de misdaad definieert eraan voorbij dat je nergens in de wereld, in welke cultuur dan ook, hoeft aan te komen met moord, verkrachting, autodiefstal of woninginbraak. Er zitten universele trekjes aan onze verontwaardiging om crimineel gedrag.”

“Gas, nogmaals, gas machinist, we gaan geen zielepoten van criminelen maken, van die gestigmatiseerden zijn er hier heel wat terecht uit gezet. En dat geldt ook voor een deel van die armoedzaaiers verderop. Want zo was het toch: The American dream gedoogt ze niet, de mensen die in deze welvarende samenleving buiten de boot vallen, vervallen als vanzelf in anomie, in normloosheid? Armoe duwt je de misdaad in? Een sympathieke theorie is het: de minderbedeelden die in een gammel eendje rondrijden, de werklozen, alle berooide sloebers die om die reden hun kostje op onreglementaire wijze bijeen moeten scharrelen, verdienen ons begrip.”

Eigenlijk is het maar een beledigende theorie, want zo praat je een ieder die het niet breed heeft de platste motieven aan. Wat is er nu echt mis aan die gammele eend van mij? Moet ik per se een slee? Nee, de stelling 'armoe roept misdaad op' is me te eenzijdig en te simpel. Nutteloos geweld, zoals vandalisme, kun je er niet mee begrijpen. Fraude door chique, gefortuneerde heren evenmin. Tot misdaad kom je in een bepaalde context, ondermeer met verkeerde vrienden, en niet vanuit de kale overweging 'Ik heb 't arm en alle recht om te gaan stelen'.'

Opeens ziet de conducteur een reeks van boeventronies voorbij schieten. “Laag voorhoofd, hoge jukbeenderen. Hier, bij deze pechvogels hoeven we echt niet stil te staan. Je gelooft de biocriminologen toch niet, die beweren dat de crimineel last ondervindt van opspelende hormonen, testosteron of zo, en dat bepaalde stoffen in de hersenen, zoals serotonine, iemand tot boef opstoken?”

“Dan moeten Amerikanen biochemisch gezien wel heel bijzonder in elkaar steken, in vergelijking met Europeanen: In de VS werden in 1988 van de honderdduizend mensen er 220 beroofd, tegen 70 Nederlanders, 45 Duitsers en 20 Noren. En moorden: 9 op de honderdduizend Amerikanen, 2 Italianen, 1 Deen en een halve Brit. Ik zou in de VS maar eens een uitgebreid bevolkingsonderzoek naar de niveaus van testosteron en serotonine houden. Ik voorspel vast het resultaat: de hersenen van die twee uitersten, de saaie, wetsgetrouwe sul en de onkneedbare ellendeling, kunnen elkaar ongetwijfeld de hand geven. Daar zit heus geen groot verschil tussen.”

“We hebben nog één halte te gaan op de terugweg en ik zie het weer gebeuren. Iedereen stapte uit, maar niemand had echt een knappe reden. Het minst nog wel de criminelen die het al bij de allereerste stop op de heenweg voor gezien hielden, de gelegenheidsdieven die geen onbewaakt presentje kunnen laten staan. Die stelen waar de samenleving de deur niet op de knip doet, zoals in de snoephoek van een warenhuis, waar de criminoloog mr. J. J. M. van Dijk de een na de ander in de droppot zag graaien. Jongens, was toch blijven zitten tot in Utopia, een uitstalling die je voorstelling teboven gaat: maar nee hoor, zelfs de gelegenheidsdieven blijken in deze wereld een dief van zichzelf.”

Dom!!! “We zijn met z'n allen dom bij het komische af. Begrijp je Jan Kielstra die zijn moeder in 1923 in Peperga onder het melken van de geit met een houten hamer de schedel insloeg omdat ze hem geen geld voor de kermis wilde geven? Hij neemt een briefje van tien gulden uit haar portemonnee, laat de andere vier gulden zitten, stopt de portemonnee terug en gooit het lijk in een waterput. Had dan voor die paar gulden extra gein gemaakt. Dom! Maar ik hoor nu mijn eigen stem al weer, straks bij de beginhalte 'Utopia, mensen, instappen'. Ik houd mijn hart vast, ik zal me op voorhand verrader voelen tegenover die enkeling, tegenover reizigers als Marius Brouwer.”

“Marius sneed op 9 november 1904 een dame in de Scheveningse Bosjes de keel door. Zachtaardige, verlegen, schuwe maar behulpzame Marius had in het eerste levensjaar een hersenziekte doorgemaakt, met koorts en stuipen. Hij gaf zijn zakgeld aan de armen en nam om duistere redenen de schuld van het kattenkwaad van klasgenoten op zich.”

“We schrijven 1903. Zestienjarige Marius gaat naar zijn tante in Nebraska om te worden opgeleid tot boer, maar hij vergeet steeds weer iedere boodschap en opdracht. Marius wordt ziek, krijgt op heldere, droefgeestige momenten het plan om cowboy in Zuid-Amerika te worden en wil met zijn nicht Amoena trouwen. Maar hij wordt in augustus 1904 teruggestuurd naar Den Haag en een paar maanden later geeft Amoena hem per brief de bons. Marius wil de hond waar hij gek op is met een hamer te lijf. Hij krijgt onweerstaanbare lachbuien, ook die middag als de krant meldt dat er een vrouw in de Scheveningse Bosjes is vermoord en moeder tegen hem zegt 'Goed dat jij daar vanmiddag niet was'. Hij had zichzelf van kant willen maken, gaf hij later toe, maar met een ander te vermoorden zou hij zichzelf nog groter verdriet aan doen. 'Ik had wel kunnen zingen van vreugde', bekende Marius aan de rechter.

Tja, straks zal ik Marius & co weer zien instappen. En ik zal de barmhartigheid hebben van George: 'Kijk, Lennie, daar over de rivier, ons landje, onze koe, ons varken, en jij zorgt voor de konijnen.' Maar tegelijkertijd ontbreekt het me aan de moed voor de liefste moord die ooit is gepleegd.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden