De lettermetafoor

De gedachte dat achter de werkelijkheid een Intelligent Design moet schuilgaan, is beslist niet nieuw. Ook eeuwen geleden woedde er al een hevig debat over. Historicus en filosoof Marinus de Baar vindt dat de tegenargumenten van destijds nog altijd geldig zijn.

William Dembski is een van de kopstukken in het debat over Intelligent Design. Ooit beargumenteerde hij dat een sonnet van Shakespeare zo complex en betekenisvol is dat iedere lezer begrijpt dat het nooit uit het toeval kan zijn ontstaan. Zo’n sonnet demonstreert intelligentie en ontwerp, ofwel Intelligent Design. Met ingewikkelde DNA-structuren is het volgens hem al net zo; ook die tonen een ontwerp.

Nu maakt niet iedere aanhanger de sprong van ontwerp naar Ontwerper, maar Hij wordt er in het populaire debat rond Intelligent Design wél vaak bijgehaald.

Het is trouwens geen toeval dat Dembski verwijst naar Shakespeare. Eerder betoogde Richard Dawkins in ’The Blind Watchmaker’ dat als je blindelings letters typt op papier, de kans zeer onwaarschijnlijk is dat er een zin uitrolt als „Methinks it is like a weasel” uit Shakespeare’s Hamlet. Dat wordt anders als je het herhaaldelijk mag proberen en daarbij de juiste letters op de goede plaats mag vasthouden. Dan zouden 40 tot 60 pogingen al voldoende zijn, rekende Dawkins voor. Dat is volgens hem ook hoe de evolutie werkt: door natuurlijke selectie.

Waarschijnlijk waren Dawkins noch Dembski er zich van bewust, maar hun lettermetafoor heeft een lange geschiedenis, waarnaar in de literatuur nagenoeg niet wordt verwezen. In de zeventiende en achttiende eeuw was die alom bekend, hoewel toen vooral naar de Aeneïs van Vergilius of de Ilias van Homerus werd verwezen.

Neem Vondel. Hij betoogde dat het toeval geen samenhang en orde zou kunnen produceren. Als je een blad papier willekeurig met inkt zou besprenkelen, zouden er geen letters verschijnen; er zouden geen voorzetsels, lidwoorden en bijwoorden tevoorschijn komen en een geleerde hand bewijzen. In zijn ’Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst. Tegens d’ongodisten, verloochenaers der Godtheit of goddelijcke voorzienigheit’ (1662) dichtte hij:

Zou nu een waanwijs hoofd met reên beweren kunnen

Dat by geval [toeval] in ’t wilt, die letters t’zamenrunnen

Tot woorden, regels, en een ry van boecken...”

Vondel keerde zich hier tegen het atomisme van de Romeinse dichter Lucretius (99-55 voor Chr.) die had betoogd dat de natuurlijke orde was ontstaan uit het toeval van samenklonterende atomen. Toen Lucretius in de Renaissance weer opdook en overal het spook van het atheïsme rondwaarde, was het in de ogen van velen tijd daaraan het hoofd te bieden. In hun geschriften betoogden ze dat je overal in de natuur vormen van ontwerp ziet. (Toen al werd dikwijls het woord ’design’ gebruikt, of zelfs ’manifest design’ door iemand als William Derham.) Dat ontwerp sloot toeval uit en bewees het bestaan van een Ontwerper. De stroming waarbinnen dat gebeurde staat bekend als de fysicotheologie. In het Engels werd die natural theology genoemd, een term die nog duidelijker maakt waarom het ging: het verbinden van God met zijn natuur door de functionaliteit en doelgerichtheid van organismen en delen daarvan aan te tonen.

In het huidige debat rond Intelligent Design gaat het om de zweepstaart van bepaalde bacteriën of ingewikkelde DNA-structuren. De ID’ers van vandaag gebruiken andere voorbeelden, maar hun manier van redeneren verschilt niet echt van hun vele voorgangers uit de zeventiende en achttiende eeuw. Nog steeds is de argumentatie hetzelfde: uit de complexiteit van de natuur wordt geconcludeerd dat er een méér dan natuurlijke (om niet te zeggen bovennatuurlijke) oorzaak moet zijn.

Daar kun je ernstige bezwaren tegen aantekenen. Het is een beetje alsof iemand tijdens het bridgen plotseling een kaart op tafel legt en zegt „Dit is troef nel, deze slag is voor mij.” Dat is een term die bij klaverjassen past en dus niet geldig is bij het bridgen. Op dezelfde wijze gebruiken ID’ers argumenten uit het ene domein (de natuur) om iets binnen een ander domein (het bovennatuurlijke) te willen bewijzen.

Al in hun eigen tijd hebben de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) en de Duitse denker Immanuel Kant (1724-1804) het designargument overtuigend bijgezet op het kerkhof van overleden ideeën. Des te merkwaardiger dat er in het huidige debat geen of weinig aandacht is voor hun argumenten.

Hume zette zijn ideeën over de fysicotheologie uiteen in ’An Enquiry Concerning Human Understanding’ (1748) en in ’ Dialogues Concerning Natural Religion’ (1779). Hij gaf een aantal argumenten tegen the argument from causality – de bewering dat je van de klaarblijkelijke orde van wezens in deze wereld terug zou kunnen redeneren naar een bovennatuurlijke Oorzaak.

Om te beginnen kun je volgens hem geen majeure Oorzaak afleiden uit mineure gevolgen. Als je ziet dat een gewicht van tien ons de weegschaal aan jouw kant omhoog doet gaan, dan kun je best redeneren dat er aan de andere kant een zwaarder gewicht in de schaal moet liggen. Maar het is niet toegestaan om uit dit beperkte gevolg tot méér te concluderen. Dat zou speculatief zijn. Hume schreef sarcastisch dat de rede zich dan laat opheffen door „de vleugelen der verbeelding”.

Ten tweede kun je volgens Hume wel van een gevolg terug redeneren naar een oorzaak, mits er een kenbare relatie tussen die twee is. Als je bijvoorbeeld een menselijke voetafdruk in het zand ziet, kun je daaruit best afleiden dat daar iemand heeft gelopen. Toch mogen we een dergelijke causale redenering niet zomaar toepassen op een Oorzaak die we niet kennen en die nog minder overeenkomst heeft met enig natuurlijk wezen (organisme) dan „een waskaars met de zon”. Dat voert enkel naar ’sprookjesland’.

Hume stond nogal sceptisch tegenover causaliteit als zodanig. Daar kun je volgens Hume niet zoveel mee bewijzen omdat het berust op „een instinct van onze natuur”: op de gewoonte om dezelfde zaken vaak met elkaar verbonden te zien. Eén enkele observatie zou je niet aanmerken als een causaal verband of bewijs. Pas als je vaak genoeg meemaakt dat verhitting water laat koken, ga je de verhitting de oorzaak noemen en het koken het gevolg daarvan.

Omdat causaliteit berust op meervoudige ervaringen kun je met behulp daarvan God niet aanwijzen als de Oorzaak van deze wereld. We hebben immers geen meervoudige ervaringen met wat Hume omschrijft als ’de kunst van het scheppen’. Ben je er wel eens bij geweest, vraagt Hume, toen de wereld werd geschapen en heb je toen gezien hoe dat in zijn werk gaat?

Ten slotte argumenteert Hume dat als we zoeken naar de oorzaak van de werkelijkheid en daarvoor God aanwijzen, het nogal arbitrair is om niet verder te zoeken: naar de oorzaak van God. „Why not stop at the material world?”, schrijft hij. Als we al op zoek gaan naar de oorsprong van de natuurlijke orde, hoeven we volgens hem niet verder terug te gaan dan naar de natuur zelf.

Het verbaast dan ook niet dat Hume ernaar neigt Lucretius gelijk te geven en de orde van de natuur toe te schrijven aan het voortdurend samenklonteren van atomen, waardoor er met vallen en opstaan organismen konden ontstaan die wisten te overleven. Natuurlijk, zegt Hume, als je een fraai opgetuigd schip ziet, dan denk je aan een ontwerper. Maar hoeveel pogingen en missers zijn er niet aan vooraf gegaan voordat het zover kwam? Hij bedoelt: op dezelfde manier kan ook de natuurlijke orde, die door de toenmalige aanhangers van het designargument zo werd bewonderd, na vele eerdere mislukkingen gaandeweg zijn ontstaan.

Ook Immanuel Kant kwam met bezwaren tegen de poging om God af te leiden uit de orde van de natuur. Ook voor hem was het een te grote sprong om op basis van waarnemingen een bovennatuurlijk Wezen te beredeneren dat zich aan alle waarneming onttrekt. Dat kwam volgens hem neer op een speculatief gebruik van de rede, die met betrekking tot de theologie (of het bewijs van Gods bestaan) van generlei waarde was. Null und nichtig.

Kant vond het onzinnig om vanuit de doelgerichtheid van organismen (hun ’design’, zeg maar) het bestaan van God te willen bewijzen. Hij maakte onderscheid tussen drie soorten doelgerichtheid. Je kunt doelgerichtheid onderkennen in de samenhang van delen binnen organismen – tussen het wortelgestel en de bladeren van een plant, om maar wat te noemen. Een tweede vorm van doelgerichtheid is denkbaar tussen organismen onderling: bijvoorbeeld het gras dat de koe tot voedsel dient, koeien die weer nuttig zijn voor mensen. De derde vorm van doelgerichtheid bestaat in de veronderstelling dat de hele natuur een doel heeft, weloverwogen zo is geschapen.

De eerste vorm van doelgerichtheid noemde Kant acceptabel, de tweede hypothetisch, en de derde een hersenschim.

Door onderzoek kun je een onderlinge samenhang vaststellen tussen delen van een organisme (het wortelgestel en het blad van grassen, bijvoorbeeld). Maar wie meent dat er een doelgerichte samenhang bestaat tussen organismen onderling, zoals tussen koeien en gras – moderner uitgedrukt: tussen de organismen in een biotoop – gaat ervan uit dat de natuur zichzelf doelgericht structureert. Dat veronderstelt een bedoeling in de natuur die niet kan worden waargenomen en die dus alleen hypothetisch is. Die samenhang kan er misschien wel zijn, maar om die doelgericht te noemen en daaruit conclusies te trekken omtrent de oorzaak ervan – dat ging Kant te ver.

De derde vorm van doelgerichtheid – de welgeordendheid van de natuur als geheel – onttrekt zich volkomen aan welke waarneming en bewijsvoering dan ook. Je kunt niet het geheel van de natuur waarnemen, alleen delen ervan. Daarom blijft een dergelijke totaliteit een concept of idee. Om daar nu doelgerichtheid aan toe te schrijven is het schuiven van een idee onder een idee. Het is de kwadratuur van verbeeldingskracht en voor Kant niet meer dan een hersenschim.

Kant had ook een algemeen logisch tegenargument. Volgens hem brengt de fysicotheologie in het algemeen (en het designargument in het bijzonder) een cirkelredenering met zich mee. Als je God in je kennis van de natuur inbrengt om doelgerichtheid begrijpelijk te maken, schreef hij, en vervolgens deze doelgerichtheid gebruikt om het bestaan van God te bewijzen, dan gebruik je je conclusie als een basispremisse. En wie dat doet, bedriegt zichzelf. Korter en scherper geformuleerd: het designargument is een cirkelredenering.

Het voornaamste punt van Kant was dat we niet in God de bron van doelgerichtheid moeten zoeken, maar in de menselijke geest. Wij hebben een vermogen tot oordelen (Urteilskraft) dat ons in staat stelt om betekenis te geven aan de overdaad en diversiteit van de natuur volgens bepaalde principes. Doelgerichtheid is zo’n belangrijk principe, maar er bestaan ook andere, zoals continuïteit (de natuur maakt geen sprongen en laat geen gaten vallen tussen soorten). Die principes vormen een systeem in ons brein dat we toepassen op de natuur om de veelvormigheid ervan begrijpelijk te maken. Dit systeem is een vooronderstelling. Als zodanig is het geen kennis in zichzelf, maar het dirigeert ons verstand en stelt het in staat om kennis te vinden waar het die anders niet zou zoeken. Kortom: de orde die fysicotheologische auteurs (en de huidige ID’ers) onderkennen in de natuur is niet een bewijs van de Voorzienigheid, maar een weerspiegeling van het ordenend vermogen van hun eigen geest.

Hoe bruikbaar zijn de argumenten van Hume en Kant in het hedendaagse debat? Niet elke ID’er zal expliciet de aantoonbaarheid van een ontwerp terugvoeren op het bestaan van een Ontwerper. Impliciet is dat natuurlijk wel het geval. Daarom duikt Hij dikwijls op in de populaire discussie.

De gedachte dat een organisme aantoont dat er een ontwerp moet zijn, is bedoeld als kritiek op het darwinisme dat het ontstaan van die organismen wil overlaten aan de natuur en het toeval. Wie beweert dat er een design bestaat en dat ook nog intelligent noemt, gaat uit van twee vooronderstellingen. Enerzijds een intelligente oorzaak die toeval uitsluit en de ’blinde natuur’ overstijgt. Anderzijds een doelgerichtheid die meer is dan de (willekeurige) ontplooiing van levenskrachten.

Hume heeft korte metten gemaakt met de eerste vooronderstelling, Kant heeft zijn fileermes gezet in de tweede. Hoewel hun argumenten zich richtten tegen de toenmalige ruimere verbinding tussen God en natuur zijn hun argumenten nog steeds van toepassing.

„Het is zeker nodig”, schreef Kant, „dat men overtuigd is van het bestaan van God; het is evenwel niet nodig dan men het ook aantoont.”

ID’ers gelden als gelovige mensen. Maar als je je geloof wilt ondersteunen met bewijzen zoals het designargument, dan is het misschien niet langer een geloof.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden