column

De lente zou net zo goed 'lengte' kunnen heten: alles wordt opeens lang

Rob Schouten. Beeld Maartje Geels

Op de weide in het Vondelpark struinden zomaar zes ooievaars om malse kikkers te scoren. Het waren gastvogels, ik bedoel dat ze daar liepen als vreemdelingen, los van de huis-ooievaars die op hun nesten opgewonden stonden te klepperen, gestrest door zoveel concurrentie. Een bijzonder gezicht, iedereen bleef er naar staan kijken.

Eibers, uivers, een stork, mompelde mijn brein, alsof ik ze namen moest geven. Soms helpt benoemen. Zo is taal begonnen, met de wens om dingen een naam te geven. Zo doen kinderen, die lentewezens, het om de wereld overzichtelijk te maken. Ja, het is lente, misschien wel het mooiste en in elk geval het meest belovende seizoen, overal schemert groen, alsof bomen in de grondverf worden gezet.

Ook ik voelde me lente-achtig. Het zou eigenlijk net zo goed 'lengte' kunnen heten, bedacht ik, alles wordt opeens langer, het daglicht, de takken, de blaadjes. Het oudste gedicht uit onze taal schoot door me heen: 'Hebban olla vogala nestas higunan, / hinase hic enda thu.' Ik heb op school geleerd dat het een liefdesliedje is, de een wil met de ander iets beginnen, maar voor mij is het vooral een lenteliedje. Frits van Oostrom heeft het in 'Stemmen op schrift' over 'een liedje van verlangen uit de elfde eeuw'.

Ach, mij best, verlangen heeft ook lengte. En ik denk aan Messiaens 'Reveil des animaux', waarover de dichter Erik Menkveld schreef: 'Dan vangt een verpletterend / krieken aan, roodborst, merel / koekoek samen door één snavel.' Een verpletterend krieken... Zoiets als 'Le sacre du printemps'? Er zijn nogal wat dichters die zich met de lente hebben beziggehouden. Het is denk ik samen met de eerste sneeuw (maar die komt lang niet altijd en de lente wel!) de populairste poëtische seizoenarbeid.

Allemaal verschillende soorten lente want ook het voorjaar heeft verschillende gezichten. Hier Eddy van Vliet: 'Je bent te vroeg. Op een straathoek / ligt nog ijs‘’ of Miriam Van Hee: 'Het is lente, de dakpannen / drogen in de zon / we hebben lang gewacht / terwijl we in de auto zaten.' En zoals al die vogels opeens en bloc beginnen te tierelieren barstten in mijn hoofd allemaal lenteliederen open, die al te beroemde van Gorter natuurlijk, maar ook 'Laatste lente' van Aasmund O. Vinje dat we voornamelijk door de muziek van Grieg kennen: 'Eenmaal nog voelde ik de kracht van de zon de winter verdrijven.' Droevig eigenlijk maar toch ook mooi. Gek dat met het ontspruiten ook direct het einde in zicht komt. Of niet gek, ontspruiten gebeurt natuurlijk ook niet eindeloos, anders zou het woekeren worden, maar kennelijk kunnen we niet aan het begin zonder het einde denken. Zoals in het mooiste lentelied dat ik ken, 'De bomen' van Philip Larkin, vertaald door Jan Eijkelboom: 'De bomen komen in het blad / als iets dat bijna wordt gezegd.' En dan verder: 'De knop ontspant zich en dijt uit; / hun groen is toch een soort van smart.'

En ik zag ook nog een fazant langs de weg een struik uithollen, ach fazanten zijn van alle seizoenen, maar dit... dit was onmiskenbaar een lente-fazant.

Alle columns van Rob Schouten leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden