De lente-orvlinder: Bruin-grijze mot met fraaie oranje antennen

Vlinders komen in twee typen: dagvlinders en nachtvlinders. Over het algemeen vliegen de dagvlinders overdag en worden de nachtvlinders actief als het gaat schemeren. Maar in de biologie is het net als bij de vervoegingen van Franse werkwoordjes: er zijn altijd uitzonderingen. Zo bestaan dagactieve nachtvlinders en zelfs omgekeerd komt voor. En zoals overal in het leven zijn ook hier de aantallen niet eerlijk verdeeld. In ons land leven veel meer nachtvlinders dan dagvlinders. We kennen ongeveer tweeduizend soorten nachtvlinders en slechts 53 dagvlinders, zoals de koninginnepage en de atalanta. Nachtvlinders hebben minder romantische namen. De meeste mensen kennen nachtvlinders onder de verzamelnaam 'motten'. Zo heten ze ook in het Engels: moths; dagvlinders worden daar butterflies genoemd, wat ook romantischer klinkt. Overigens prefereer ik zelf het oud-Hollandse woord 'kapellen' boven alle andere, maar dat wordt helaas niet meer gebruikt.

Het handigste kenmerk om nacht- en dagvlinders van elkaar te onderscheiden is de manier waarop ze hun vleugels opvouwen: de dagvlinders vouwen ze boven hun lijfje tegen elkaar, terwijl motten hun vleugels plat en elkaar overlappend tegen hun lijf naar achteren leggen. Uitzonderingen uiteraard daargelaten. Een ander onderscheid is te vinden in de antennen. Die zijn bij dagvlinders draadvormig en aan de top voorzien van een knotsje; bij nachtvlinders zijn de antennen vaak geveerd maar in elk geval eindigen ze niet in een knobbeltje. Qua kleur - wederom zijn er uitzonderingen zoals de beervlinder - zijn de nachtvlinders beduidend minder goed bedeeld. De meeste zijn grijs, bruin, grijsbruin, bruingrijs of ze vertonen allerhande variaties binnen dit visueel nogal saaie kleurenschema. Vaak zijn ze bij nadere beschouwing ook wat harig, vooral aan de voorkant.

Wie ooit heeft gekampeerd, kent nachtvlinders vooral van de krioelende drukte rond de verlichting bij het sanitair, of van het rusteloze gefladder rond de campinggaslamp. Motten komen in donker op lichtbronnen af en vlinderaars vangen hun vlinders daarom graag in de schemering met een wit laken en een sterke lamp.

Het onderscheiden van de tweeduizend nachtvlinders is een zaak van systematische scherpslijperij. Voor de leek zien ze er bijna allemaal eender uit. Een van de vele soorten bruin-grijze motten is de lente-orvlinder. Zelden kwam ik een diersoort tegen met zo'n vreemde naam. Dat voorvoegsel 'lente' is verklaarbaar: het diertje is in de vroege lente actief en vliegt dan rond. Omstreeks deze tijd is het hoogtepunt van de vliegperiode, die al eind februari begint en medio april weer voorbij is. Daarna is er de rups, een tamelijk onaanzienlijke rups met een donkergrijs tot zwart lijf met enkele rijen kleine zwarte en witte stipjes en voorzien van een bipsvormige oranje kop. De rups verpopt zich al in de zomer, de onopvallende bruine pop blijft vervolgens liggen in de strooisellaag en overwintert daar om dan eind februari als mot tevoorschijn te komen.

De lente-orvlinder (Achlya flavicornis) lijkt veel op de orvlinder (Tethea or), maar die vliegt wat later in het seizoen, zo meldt ons de vlinderstichting. De lente-orvlinder heeft bovendien fraaie oranje antennen. Toch een beetje kleur dus.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden