De lange weg van Darwin

De tocht met het schip de Beagle veranderde het leven van Charles Darwin, die vandaag 200 jaar geleden werd geboren. De Brit had vele jaren nodig om de puzzelstukjes van zijn bevindingen, die zo botsten met het scheppingsverhaal, op hun plek te krijgen. Pas toen de concurrentie hem voor dreigde te zijn, zette hij zich aan het schrijven. Hij werkte 13 maanden aan ’dat rotboek’, On the Origin of Species, dat in 1859 verscheen. De evolutietheorie was geboren.

’Goh, wat ontzettend stom dat ik dáár nooit opgekomen ben”, zou een vriend van Charles Darwin opmerken bij het verschijnen van diens ’On the Origin of Species’, in 1859. Evolutie was al helemaal geen nieuw begrip voor die vriend, maar het mechanisme erachter –natuurlijke selectie– dat ie daar nou niet.

Want wie zijn ogen de kost geeft, ziet dat het geen vetpot is in de natuur. Je moet niet netjes wachten op je portie, wil je mee snaaien uit de te schaars gevulde ruif. Knok, of verzin een list. Alleen wie zich staande houdt, komt aan kinderen toe, en kan zijn vechtlust of vindingrijkheid meegeven aan de volgende generatie.

Zo diepzinnig lijkt die gedachte dus niet, maar tot midden 19e eeuw kwam ze niet op. Tot Darwin zijn collega’s de ogen opende. Een collectieve schaamte zou zich van hen meester moeten maken. Aan zo’n vanzelfsprekende theorie over de eeuwige strijd in de natuur kon Darwin zich nooit een buil vallen.

Dit is natuurlijk een ahistorische terugblik, ver bezijden de realiteit. Nadat Darwin het voor zichzelf had uitgedokterd, hield hij ’mijn theorie’ (zoals hij haar noemde) nog twintig jaar binnenshoofds. Bezie zijn bespiegelingen in de context van 1850, en je begrijpt zijn huiver: „Schande, de mens in de verte nog verwant aan een kwal. U zet de Schepper buitenspel.”

Daarbij moest Darwin lang broeden op de precieze werking van de evolutie. Tijdens zijn wereldreis op de Beagle raakte hij overtuigd van de gestage gang van soort naar soort, maar de enkele waaghals vóór hem die zo’n transmutatie opperde, was weggehoond. De natuur zat in een harnas; ze vormde een bouwwerk van geïsoleerde soorten, voor altijd gevangen in hun eigen gedaante. En het gros van de naturalisten toentertijd ontwaarde daar een goddelijke hand achter.

Darwin begon opvallende trekjes te ontdekken aan het soortenarsenaal. Op zijn tocht langs de Zuid-Amerikaanse kust zetten schildpadden, spotlijsters, gordeldieren en nandoes (struisvogels) hem aan het denken. Waarom trof hij in aangrenzende regio’s op elkaar gelijkende varianten aan? Soorten varieerden maar hielden zich aan de gangbare mode in de buurt, leek het.

Ook fossielen van uitgestorven exemplaren leken geboetseerd naar de heersende, lokale stijl. Een grondluiaard van weleer zou niet hebben afgestoken tegen de hedendaagse. En een gordeldier uit vroeger tijden hoefde zich niet te schamen voor zijn bepantsering. God leek herhaaldelijk uitgekeken op zijn schepping, herschiep, maar toonde zich in creatieve zin tamelijk krenterig.

Thuis boog een bevriende ornitholoog zich over het allegaartje aan vogellijfjes van de Galapagos. Darwin dacht een breed scala te hebben meegenomen, maar de ornitholoog concludeerde: allemaal verschillende vinken, en als de aantekeningen kloppen, bewoont elke soort een ander eiland. Per eiland overheerste een puntig, stomp, kort of lang snaveltype, afgestemd op wat er te bikken viel. Maar dat kwartje moest bij Darwin nog vallen.

Ook zijn biograaf Niles Eldredge vermoedt dat Darwin –aanvankelijk creationist– op den duur Scheppers wegen niet meer kon volgen. Waarom voorzie je elke streek van een eigen spotvogel of van duizenden minuscuul variërende kevers? En was het niet onzinnig om soorten steeds weer te vervangen door varianten die qua verschijning dicht tegen de oude aanschurkten?

Zulke bespiegelingen moesten het opnemen tegen het geloof in Gods ondoorgrondelijke hand, die soorten gaf en soorten nam. Maar langzaam leek de tijd rijp om achter dit eindeloze komen en gaan van kever & co een natuurlijke oorzaak te vermoeden. Gaandeweg ontdekte Darwin er een autonoom proces in van kleinschalige, vaak futiele aanpassingen. Niet langer hoefde hij zijn hoofd te schudden om de ogenschijnlijk nutteloze motieven van hogerhand.

Voor het zover was, moet Darwin veel heimelijke gesprekken met zichzelf hebben gevoerd, vermoedt biograaf David Quammen. Onderweg las hij de drie delen van ’Principles of Geology’ van Charles Lyell, die een geleidelijke geologische ontwikkeling van de aarde schetste. Eén die miljoenen jaren kostte. In die dagen was men nog in de ban van de catastrofes die de aarde hadden gestuurd. Aan de zondvloed en ark was nog meer spektakel voorafgegaan.

Baron Georges Cuvier distilleerde uit het fossielenarsenaal een overtuigende historie van kaalslag en nieuwe inspiratie van God. En weliswaar ontdekte Charles Lyell geleidelijke vormveranderingen in de schelpenwereld, maar ook hij nam aan dat God die schelpen bracht en weer haalde. Een soort zat aan zijn outfit vast, dus gefokte dieren met een nieuwigheidje zouden, even met rust gelaten, vanzelf terugkeren naar hun oorspronkelijk ontwerp. Stadsduiven dienden als voorbeeld.

Maar in die vijf jaar varen drongen de subtiele veranderingen in de dierenkaravaan zich te zeer aan Darwin op. Hij voer –in plaats én in tijd– langs de evolutie, toen nog gevat in het begrip transmutatie. Aanwijzingen stapelden zich op, waarbij de aanwezigheid van rudimentaire organen bij dieren hem mede overtuigde. Een kever met vleugels die hij niet gebruikt: Darwin begon er geërfde ballast van soorten van weleer in te herkennen.

Hij turfde en verzamelde, en verscheepte van alles naar huis. En toen hij in oktober 1836 van boord stapte, wist hij het. Voor de draad ermee dan! Maar er ontbrak iets: het ontging Darwin wát dat gestage proces van transmutatie veroorzaakte en aan de praat hield.

Klakkeloos beweren dat soorten veranderen, zou een vloek zijn, en zijn blazoen ernstig kreuken. Zo’n schoffering van de gangbare opvattingen over mens en schepping maakte alleen kans als Darwin een geloofwaardig mechanisme achter het voortdurende schminckproces in de natuur kon presenteren. Maar wat was de motor?

’Kijk naar de strijd in je eigen achtertuin’, denk je. Maar wie was niet verblind door de Victoriaanse bespiegelingen over de harmonieuze, perfecte natuur, waarin God de insecten voor de vogels had bedoeld, de vogels voor de kat. Langzaam gingen Darwins ogen open voor de grimmigheid van de natuur, voor het nodeloos lijden. Waarom gaf de goede God sluipwespen de brute gewoonte mee om hun eieren in een levende rups te leggen?

Darwin zelf: „Wat een boek zou het hulpje van de Duivel kunnen schrijven over de onelegante, spilzieke, knoeierige, lage en verschrikkelijk wrede werken van de natuur.” Ooit zag hij een aalscholver een vis tot acht keer toe ’vrijlaten’ om hem direct weer op te duiken. Hij martelde zijn vis zoals de kat zijn muis. Daarin kon hij niet langer de hand van een God ontdekken, maar louter gruwelen van de natuur.

Van God raakte hij nog verder af na de dood van zijn engelendochtertje Annie, tien jaar oud. Hij begreep ook niet dat iemand zou wensen dat het christendom de waarheid vertelde, schreef hij. Dat ongelovigen –zijn vader, zijn broer– eeuwigdurend gestraft moesten worden, noemde hij een weerzinwekkende doctrine.

Maar pas onder invloed van econoom Thomas Malthus zou de natuur voor hem echt haar nobele karakter afleggen. Malthus hamerde op de steeds terugkerende discrepantie tussen de bevolkingsaanwas en de achterblijvende groei van de voedselbronnen. Malthus sprak over de mens, maar Darwin herkende er het dilemma van de ganse flora en fauna in. Hij kreeg, na lezing van Malthus, oog voor de limiet van de natuur die het niet bij kan sloffen. Sloot de toename van dieren niet precies aan op het aantal dat op een goed moment kón leven?

Dat vereiste dan wel een noodzakelijke kaalslag, door schaarste, kou, de klauwen van de havik. Nu begreep hij dat de economie van de natuur onverbiddelijk een jaarlijks dodental voorschrijft, omdat anders binnen de kortste keren de laatste staanplaats weg is.

Nu doorzag hij de motor achter de gestage verandering van de soorten: natuurlijke selectie. Zoals de veredelaar de kippen verkiest die niet om de dag, maar elke dag een ei leggen, zo begunstigde een onzichtbare kwekershand in de natuur de organismen die zich binnen de guurheid en schaarste van alledag het beste konden redden.

Bijna twintig jaar lang waagde hij het niet om in het openbaar te reppen over deze gruwelijke marktwerking, de Survival of the fittest –of de meest geschikte wint. Die gedachte was te rauw, te kil en bedreigend, meent de biograaf David Quammen. En een onaanvaardbare ontkenning van het goddelijk plan.

Darwin zweeg niet alleen uit angst om voor handlanger van de duivel te worden aangezien. De permanente worsteling die de natuur kenmerkt, riep vele vragen op. En hij besefte dat hij als klokkeluider van de evolutie moest overtuigen, wilde hij zo’n radicale ontgoddelijking van de natuur kunnen verdedigen. „Meer bewijs”, eiste hij herhaaldelijk van zichzelf in zijn notitieboekjes.

Dus schreef hij de hele wereld aan om illustratief materiaal te verzamelen voor het aanhoudende boetseerproces. Thuis praktiseerde hij zelf jarenlang een kunstmatige vorm van selectie, als duivenmelker. En hij voerde ingenieuze experimenten uit om aan te tonen dat het leven ook zonder sturende hand zijn weg over de aardbol kan vinden.

Zo bootste hij de zee na in een bak met water en testte hoe lang zaden, van asperge tot Spaanse peper, ondanks het zout hun kiemkracht behielden. Hij becijferde dat zo’n zaadje of een peul na tweeduizend kilometer op zee elders nog zou aanslaan. Hoever konden kleine dieren niet met vogelpoten meereizen, of reptieleneieren over de oceaan dobberen? Darwin rekende eraan in zijn tobbe. Buiten zijn lab fladderden intussen zestien duivenrassen.

Zo overtuigde Darwin zichzelf van de permanente variatie die zich in zijn lab, zijn duiventil en een minuscuul lapje tuin manifesteerde. Met hulp van buiten inventariseerde hij de schier eindeloze variatie in het wild. Hoe die variatie ontstond, wist hij niet. Lag het aan het weer, of een andere kracht van buiten? Dan zou het uitmaken of je kippen fokt in Noorwegen of Marokko. Darwin informeerde bij naturalisten uit verscheidene windstreken.

Maar hoe werden nieuwe eigenschappen doorgegeven, hoe staken ze over van ouders naar kroost? Dat raadsel leek niet erg aan hem besteed. Darwin geloofde eerst een beetje, maar later geen snars meer, van een verleidelijke theorie in die dagen, van Jean-Baptiste Lamarck. Die meende, grofweg, dat in het leven verkregen eigenschappen hun weg vanzelf vinden naar de nakomelingen. In wezen, grapte een bioloog, zeg je dan dat giraffe-kinderen hun nog langere nek danken aan de rekoefeningen van pa en ma. Of in een variant: de dochter van de smid mag haar gespierde armen wijten aan het beulswerk van vader.

Het leek Darwin allemaal een dwaling, maar zelf had hij geen antwoord. Misschien kon dat verborgen proces hem minder bekoren en liet hij liever de zichtbare natuur tot zich spreken. Die onthulde voor hem steeds duidelijker een autonoom selectiespel, zonder regisseur.

Nog altijd zweeg hij. In 1838, twee jaar terug van de reis met de Beagle, was hij al overtuigd van de verandering van de soorten. En van de gemeenschappelijke afstamming van al die vinken en spotlijsters die voor het toeval net iets te veel van elkaar aan leken te hebben. In dat jaar viel hem bij het somberen van Malthus over de bloei van de mens en de onvermijdelijke armoe de gedachte binnen van zo’n zelfde, permanent examen in de natuur. Al het leven werd voortdurend gewogen en gedecimeerd. Maar hij zweeg.

Niet helemaal. Hij maakte in 1844 een korte schets van zijn theorie, met aan zijn diepgelovige vrouw Emma het verzoek dit bij zijn eventuele verscheiden uit te geven. Tegenover een vriend die hij wat van zijn ’ketterse’ ideeën opbiechtte, verzuchtte hij dat hem het gevoel bekroop een moord te bekennen.

In 1856 durfde hij de kern te openbaren aan twee wetenschappers van naam. „Publiceer, man”, beval één van hen. Maar weer sloot Darwin zich op in eigen hoofd. Hij had een duw nodig, en die viel in juni 1858 thuis op de mat. Alfred Russel Wallace vergalde zijn dag met een brief waarin hij zijn theorie over natuurlijke selectie uiteenzette, Darwins eigen geesteskind. Te lang gewacht! Hij was de wanhoop nabij. De naturalist Wallace had ook de wereld afgereisd, ook Malthus gelezen. En eerder brieven gewisseld met Darwin, waarin bleek dat hun denkbeelden elkaar raakten. Mocht Darwin instemmen met Wallace's epistel, dan zou die het op prijs stellen als Darwin het doorstuurde naar notabelen uit het vakgebied, ter publicatie.

En nu? Niemand mocht denken dat Darwin zich op oneerbare wijze trachtte te ontdoen van het revolutionaire artikel van Wallace, maar de wereld moest uiteraard wel vernemen dat hij al decennia met dezelfde conclusie rondliep. Slinks wist hij het dilemma toe te spelen aan de twee bevriende, hoogstaande wetenschappers die hij twee jaar eerder had ingelicht. Zij kregen het voor elkaar om op een congres kort daarna zowel de brief van Wallace als de schets uit 1844 van Darwin en de eerdere beknopte uiteenzetting aan een vriend van hem te presenteren.

Het mocht duidelijk zijn aan wie de primeur toekwam. Nu kon hij niet langer zwijgen, en begon aan de ’samenvatting’ van zijn theorie. Dertien maanden zou hij klagen over „dat rotboek”, en 500 pagina’s verder kwam Darwin echt naar buiten, met On the Origin of Species. Eindelijk, eindelijk mochten we over de evolutie horen, al wachtte hij met die term ook weer tot in de zesde druk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden