De lange nasleep van een dubieuze baan

Minister Leers is duidelijk: asielzoekers die ooit voor de Afghaanse geheime dienst werkten, moeten Nederland uit. Hij gaat er automatisch vanuit dat zij ooit hebben gemarteld. Maar hebben ze dat wel? Waar is het bewijs?

De familie Akbari woont al dertien jaar in het Groningse Leek en bestaat volgens burgemeester Hoekstra (VVD) uit 'echte Leeksters'. Vader Moshen heeft gewerkt voor de Afghaanse veiligheidsdienst KhAD/WAD en wordt om die reden automatisch verdacht van betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen. Hij kreeg de 1F-status als mogelijke oorlogsmisdadiger en moet het land uit, liet minister Leers (asiel) vorige week weten. Net als zijn vrouw en vijf zonen, die in Nederland zijn geboren of opgegroeid. De vader reageerde verbitterd: "Het maakt me niet uit of ik word doodgeschoten bij terugkeer in Afghanistan. Als ze zolang met je sollen, is het in Nederland ook al lang geen leven meer."

De familie Naibzay woont vijftien jaar in Nederland. Moeder Nooria en de vier kinderen kregen een verblijfsvergunning, vader Rafiq niet. Zijn gezin mag blijven, hij wordt uitgezet, ondanks steunbetuigingen van plaatsgenoten in Giessenlanden en smeekbedes van burgemeester Boot (PvdA) bij Leers. "Ik heb allang geen hoop meer. Toch is elke afwijzing weer een teleurstelling, vooral voor mijn gezin", reageerde Rafiq Naibzay.

Burgemeester Huizer (PvdA) van Krimpen aan den IJssel schreef een boze brief naar Leers nadat bleek dat de Afghaanse Krimpenaar Abdul Rahman Kochi (69) was opgepakt om te worden uitgezet. Kochi woont achttien jaar in Nederland, zijn vrouw en drie kinderen hebben een Nederlands paspoort. Vanwege zijn 1F-status kreeg hij dat niet. "Als mijn vader verkeerde dingen heeft gedaan, moet hij berecht worden. Maar hij doet geen vlieg kwaad", zei dochter Tamina (22). Huizer: "Wij hadden met veertig burgemeesters het idee dat we een afspraak hadden met Leers dat dit soort zaken aan het nieuwe kabinet zou worden overgelaten."

GroenLinks, D66 en PvdA drongen net als de burgemeesters (van onder meer Amsterdam, Rotterdam en Utrecht) die met 1F'ers te maken hebben, bij Leers aan op opschorting van uitzettingen. Zij willen dat een volgende minister zich daar opnieuw over buigt. Daarnaast willen de drie partijen uitspraken van het Europese Hof afwachten. Daar liggen nog dertig 1F-zaken voor.

'Het barst hier van de Afghaanse oorlogsmisdadigers', meldde Vrij Nederland in 1997. Harde bewijzen ontbraken, maar de boodschap was duidelijk: Nederland is een vrijhaven voor Afghaanse vluchtelingen met vuile handen. Slachtoffers van marteling zouden, in een azc, hun oude beulen tegen het lijf zijn gelopen.

De onrust leidde tot een nieuwe politieke koers, vormgegeven in een ambtsbericht van februari 2000. Artikel 1F van het VN-vluchtelingenverdrag bood daartoe de mogelijkheid. Daarin staat dat het vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op mensen van wie wordt vermoed dat ze een 'misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid' hebben gepleegd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst IND hoeft niet de schuldvraag te beantwoorden, maar kan op basis van het ambtsbericht en een vermoeden van mensenrechtenschendingen een asielaanvraag afwijzen.

"Het strafrecht stelt hoge eisen aan het bewijs, maar in het vreemdelingenrecht is geen bewijs nodig. Absurd", moppert advocaat Pieter Bogaers, die veel 1F'ers begeleidt onder wie Rafiq Naibzay. "Ons beleid lijkt op de heksenjacht uit de Middeleeuwen. Ik heb de afgelopen jaren een paar zaken weten te winnen, maar dat is zó moeilijk. Hoeveel getuigen en bewijs je ook hebt, hoeveel deskundigen je opvoert, het is vaak niet genoeg." Het is volgens Bogaers geen juridisch probleem, maar een politiek. "Nederland voert een ultra-restrictief beleid en laat liever niemand toe. Daarbij is 1F een fijn hulpmiddel. Dit is een beerput, door Nederland zelf gecreëerd."

Tussen 1992 en 2007 meldden zich zo'n 700 Afghaanse vluchtelingen in Nederland die niet in aanmerking kwamen voor asiel. Een handvol werd uitgezet, het overgrote deel verdween volgens het ministerie 'uit beeld', dus hoogstwaarschijnlijk in de illegaliteit. Volgens de laatste cijfers, van oktober 2011, zijn er van de 700 uitgeprocedeerde 1F'ers nog 150 in Nederland.

Misdadigers moeten bestraft, stelt René Bruin van UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN. "Amnesty International stelde: als je mensen verdenkt, doe onderzoek. Als er een begin is van bewijs, moet je ze strafrechtelijk vervolgen. Hebben ze vuile handen, berecht ze. Maar Amnesty concludeerde rond 2000 al dat het lastig zou zijn het bewijs rond te krijgen."

UNHCR maakt sinds 2008 bezwaar tegen de manier waarop Nederland artikel 1F hanteert. Volgens het ambtsbericht kunnen alle (onder)officieren die werkzaam waren voor de veiligheidsdienst verantwoordelijk worden gehouden voor ernstige schendingen van mensenrechten, ook omdat er destijds een rotatiesysteem was: iedereen met die rang zou op enig moment op een afdeling hebben gewerkt waar gemarteld werd. Maar UNHCR heeft daar geen bewijzen voor gevonden, zegt Bruin.

Ook wordt er in het ambtsbericht van uitgegaan dat promotie werd verkregen door loyaal gedrag, namelijk het plegen van mensenrechtenschendingen. UNHCR stelt echter dat promoties vaak plaatsvonden op grond van het aantal dienstjaren, en door groot verloop bij de KhAD/WAD. Bovendien waren er volgens een onderzoeker destijds 100.000 officieren. "Je kunt volgens UNHCR moeilijk onderbouwen dat die allemaal overal van wisten en persoonlijk betrokken waren bij martelingen", aldus Bruin.

De oorlogsmisdadiger met vuile handen en de administrateur die misschien van niks wist: nu wordt iedereen over één kam geschoren, zegt Pieter Boeles, emeritus hoogleraar immigratierecht aan de Universiteit Leiden. Hij betreurt het dat Nederland geen onderzoek doet naar de rol die individuele 1F'ers in het verleden in Afghanistan vervulden. "De overheid is wat dat betreft heel star, de bewijslast van onschuld ligt bij de 1F'er. Waarom geldt niet wat voor iedere verdachte geldt: onschuldig tot het tegendeel bewezen is?"

Ook de burgemeesters dringen bij Leers keer op keer aan op een individueel onderzoek. Hij zegt dat te doen, maar de individuele aanpak bestaat er slechts uit dat de IND kijkt of de 1F'er in het 'verkeerde' regime als (onder)officier werkzaam was. Dat is een erg globale benadering, zegt Boeles. "Blijkbaar is het erg lastig strafvervolging tegen hen rond te krijgen. Het is te begrijpen dat het Openbaar Ministerie in individuele zaken in een ver land moeilijk bewijs kan verzamelen over feiten die zich lang geleden voordeden. Maar als dat niet lukt, moet je misschien erkennen dat de oplossing die Nederland kiest op den duur onmenselijk is. Dat je mensen op grond van zo'n algemeen vermoeden niet tien, twaalf, vijftien jaar in de illegaliteit mag laten hangen, in het juridisch luchtledige, terwijl je ze ook niet naar Afghanistan uitzet. In veel gevallen erkent Nederland namelijk dat terugsturen te gevaarlijk zou zijn."

Een verdenking verjaart blijkbaar niet, stelt Bruin. De verdenking van ernstige mensenrechtenschendingen heeft voor deze groep twintig jaar later nog steeds grote impact. Waarschijnlijk een grotere dan een strafrechtelijke veroordeling zou hebben gehad, vermoedt hij. "En er is een extra probleem. Die mannen hadden vrouwen, en kregen kinderen. De gezinsleden hebben vaak een verblijfsvergunning. Moet je die gezinnen uit elkaar rukken? En als het gezin terugkeert: kunnen hier opgegroeide kinderen daar dan nog aarden?"

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden