De laatste woorden die hij hoorde

Nahed Selim met een still uit het onthoofdingsfilmpje. (FOTO PATRICK POST) Beeld
Nahed Selim met een still uit het onthoofdingsfilmpje. (FOTO PATRICK POST)

Letter & Geest vraagt zijn auteurs deze zomer te schrijven over een foto die een veelzeggend moment illustreert in hun leven of denken. Dat kan een World Press-achtige foto zijn of een uit de privécollectie, een beeld van recente datum of juist uit een ver verleden. Vandaag: Nahed Selim over een videofilmpje uit oktober 2004.

De foto is slechts één beeld uit een video van een weerzinwekkend onthoofdingsritueel, uitgevoerd en vastgelegd door de islamitische organisatie Al-Tawhid wal Jihad (’Monotheïsme en djihad’). Het geheel werd gepost op een islamistische website.

De man die hier zo dadelijk onthoofd zal worden is Kenneth Bigley, een ingenieur uit Liverpool, geboren in 1942. Hij draagt een oranje pak dat lijkt op de overalls van de gevangenen op de Amerikaanse basis Guantánamo Bay. Zijn ogen zijn op dit beeldje onzichtbaar, maar op andere stills zie je dat zijn blik hol staat van angst. En dit waren de laatste woorden die Kenneth Bigley hoorde voordat zijn keel werd doorgesneden: Allah Akbar! God is groter!

Sinds ik dit filmpje heb gezien kan ik die woorden niet meer horen zonder aan onthoofdingen te denken. Ik associeer ze met wreedheid en onbeschrijfelijke pijn.

Op 16 september 2004 werd Kenneth Bigley samen met zijn Amerikaanse collega’s Jack Hensley en Eugene Armstrong ontvoerd in Irak. Alle drie werkten ze bij een constructiebedrijf dat werk uitvoerde ten behoeve van de wederopbouw. Als burgers achtten ze de kans op ontvoering waarschijnlijk klein. Helaas is deze logica niet gemeengoed bij terreurgroepen.

Op die dag in september stapten de terroristen in alle vroegte het huis binnen dat de ingenieurs hadden gehuurd. Met veel geweld namen ze de drie mannen mee, inclusief hun bewakers.

De terroristen lieten weten de vrijlating te eisen van alle vrouwelijke Iraakse gevangenen uit de Aboe Ghraib-gevangenis. Anders zouden zij elke 24 uur één van de gijzelaars doden. Na het aflopen van het ultimatum vermoordden zij eerst de twee Amerikanen. Ken Bigley werd pas 19 dagen later onthoofd.

In deze periode werd de druk op de Britse regering enorm opgevoerd. De zaak-Bigley kreeg, dankzij de videoboodschappen die de ontvoerders telkens de wereld instuurden, enorm veel publiciteit. Op een van die video’s smeekte Ken Bigley de Britse premier Blair. „Geef ze alstublieft wat ze willen: de vrijlating van alle vrouwelijke gevangenen uit de Aboe Ghraib-gevangenis. Als u dit doet is het probleem opgelost.”

Het is de vraag of het de terroristen werkelijk te doen was om de Iraakse vrouwelijke gevangenen. Vanaf begin april 2004 waren de islamitische terreurgroepen begonnen op grote schaal buitenlandse burgers te gijzelen. Dit deden ze om uiteenlopende redenen. Soms om het losgeld, meestal om druk uit te oefenen. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de Somalische vrachtwagenchauffeur Ali Ahmed Mousa, die ontvoerd werd op 29 juli. De terroristen wilden de Koeweitse baas van de chauffeur dwingen uit Irak te vertrekken.

Aan het einde van 2004 waren meer dan tweehonderd buitenlanders gegijzeld. In totaal dertig buitenlandse burgers werden dat jaar gedood.

Kort na de ontvoering verklaarde de Britse regering dat zij in Aboe Ghraib géén Iraakse vrouwen vasthield. De enige vrouwelijke gedetineerden waren twee wetenschappers, gevangengezet door de Verenigde Staten vanwege hun veronderstelde deelname aan het Iraakse programma voor biologische wapens. De twee werden kort daarop door de voorlopige Iraakse regering vrijgelaten.

Een van de weerzinwekkendste aspecten aan deze zaak was hoe de terroristen de publieke opinie manipuleerden door een wig te drijven tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Opzettelijk lieten ze Kenneth Bigley veel langer in leven dan de twee Amerikaanse medegijzelaars. En onder aanvoering van de BBC richtte de woede van het Britse publiek zich vooral tegen de Verenigde Staten. De Amerikanen kregen de schuld in de schoenen geschoven, in plaats van de ware schuldigen: de terroristen.

Op 22 september werd een tweede video van Bigley op internet gezet. Rond die tijd was inmiddels bekend geraakt dat de toen 86-jarige moeder van Bigley in Dublin was geboren. Zij was Iers, en daarom was Bigley dat zelf ook. De hoop was dat dit hem zou helpen, aangezien Ierland geen deel had genomen aan de invasie van Irak. De Ierse regering gaf zelfs een Iers paspoort af voor Bigley, dat op Al-Jazeera werd getoond.

Dit laat zien hoe sterk het geloof leefde dat de invasie in Irak de belangrijkste reden was voor de ontvoeringen, de onthoofdingen en de terreur. Mensen die dit geloofden waren doorgaans ook geneigd de terreur als een legitieme vorm van verzet te zien, terwijl ze de deelname van hun regering aan de oorlog als een onvergeeflijke misdaad veroordeelden. Zij wisten misschien niet dat ook uit landen die niet hadden meegedaan aan de invasie tientallen burgers ontvoerd werden. Zelfs uit landen die tegenstander van de oorlog waren, zoals Rusland, China en Pakistan. (Zie de gegevens van The US Department of State Hostage Working Group, ingesteld in de zomer van 2004 om de ontvoeringen in Irak te monitoren.)

De Britse regering weigerde rechtstreeks met de terroristen te onderhandelen. En terecht. Afgezien daarvan deed ze er alles aan om Bigley vrij te krijgen. Op 24 september deelden de Britten 50.000 Arabische folders uit in de rijke wijk in Bagdad waar de ingenieurs een huis hadden gehuurd. Later werden daar de hoofdloze lichamen van de twee Amerikanen gevonden. De bevolking werd gevraagd om informatie omtrent de locatie waar Bigley zich zou kunnen bevinden. Op 1 oktober werden nog eens 100.000 folders verspreid.

In Liverpool, Bigley’s woonplaats, hielden moslims en christen ondertussen samenkomsten om te bidden voor zijn veilige terugkeer. Moslimwoordvoerders verklaarden keer op keer dat ontvoeringen en onthoofdingen onislamitisch waren en niets met het geloof te maken hadden.

Natuurlijk schaamden zij zich voor zulke gruweldaden, gepleegd door geloofsgenoten in de naam van islam. Daar schaam ik me ook voor. Maar mogelijkerwijs vergaten deze woordvoerders dat moslimterroristen hun inspiratie dikwijls vinden in het grote voorbeeld dat elke moslim moet navolgen: de daden van de Profeet zelf.

Tijdens de beginjaren in Medina hadden Mohammed en zijn volgelingen weinig inkomen en geen werk. Het droge woestijnland daar was – tot de ontdekking van de olie – straatarm. Mohammed en zijn gevolg waren aangewezen op de liefdadigheid van de moslims in Medina, die onwaarschijnlijk gastvrij waren. De Profeet bedacht daarop een convenant van fictieve broederschap. Elke moslim uit Medina ging een verbond aan met een nieuwkomer uit Mekka. Dit hield in dat hij met zijn aangenomen broeder zijn huis, zijn vee en zijn eten deelde. De oorspronkelijke bewoners werden daardoor armer en de nieuwkomers hadden niet genoeg. In die periode schroomde Mohammed niet om roofovervallen te plegen op handelskaravanen. Dat waren toch bezittingen van ongelovigen; hij vond het gerechtvaardigd die zich toe te eigenen.

Later veroverden de moslims vele landen, maar het begon dicht bij huis, in Medina. In die contreien woonden ook welvarende Joodse stammen, die door de Profeet en zijn volgelingen werden verdreven of uitgemoord – afgezien van de vrouwen en de kinderen die als oorlogsbuit verdeeld werden of verkocht als slaven.

In de eenentwintigste eeuw worden er geen karavanen, maar schepen aangevallen door Somalische piraten. En er worden mensen ontvoerd, waardoor miljoenen aan losgeld opgestreken kunnen worden.

Een paar maanden voordat Kenneth Bigley werd ontvoerd, was er een hevig religieus dispuut losgebarsten tussen Al-Zarkawi en zijn vroegere geestelijk leraar, sjeik Aboe Mohammed Al-Makdisi.

Al-Zarkawi zou een belangrijke rol spelen in het verhaal van Bigley, niet alleen als leider van de organisatie die hem ontvoerde, maar ook als de man die hoogstwaarschijnlijk de onthoofding persoonlijk heeft uitgevoerd. Hoewel het gezicht van de beul bedekt is, net als van de andere mannen op de video, wees een deskundige stemanalyse uit dat hij Al-Zarkawi moest zijn. (Zijn stem was bekend van eerdere propagandamateriaal.)

In die tijd werd Al-Zarkawi hevig gezocht door de Amerikanen en hun bondgenoten omdat hij door Bin Laden was aangesteld als vertegenwoordiger van Al-Kaida in Irak. Dit leidde tot jaloezie bij andere terroristen, en het veroorzaakte ook een breuk tussen Al-Zarkawi en zijn vroegere geestelijk leraar Al-Makdisi. Vanuit diens gevangenis in Jordanië oefende de sjeik kritiek uit op bepaalde djihad-operaties in Irak, vooral op die welke door Al-Tawhid wal-Jihad werden uitgevoerd.

Sjeik Al-Makdisi zette vraagtekens bij de legitimiteit van aanvallen op moslims, bij het bombarderen van sjiieten en bij het vermoorden van burgers die niet deelnamen aan de gevechten. Vanuit zijn cel liet hij weten dat het berokkenen van schade aan moslimburgers in Irak niet toegestaan was volgens de sharia.

Ongeveer een jaar later werd de sjeik vrijgelaten. Dat duurde overigens maar enkele dagen: hij belandde dikwijls in de gevangenis in Jordanië vanwege radicalisme en wapenbezit. In een aantal interviews met de Arabische media toonde Al-Makdisi wederom reserves ten aanzien van ’het extensieve gebruik van zelfmoordaanslagen’ waarbij veel moslims omkwamen. Hij verklaarde dat een zelfmoordoperatie geen traditionele islamitische manier van oorlogsvoering was, eerder een uitzonderlijke methode die slechts in uitzonderlijke situaties toegepast mag worden. Evenmin gelukkig was Al-Makdisi met het op grote schaal doden van sjiieten. Hij zei dat hij persoonlijk niet achter het idee kon staan dat sjiieten geen moslims zijn – een redenering waardoor hun bloed vergoten mag worden en je hun bezittingen kunt inpikken. Ook vond Al-Makdisi het filmen van martelingen en onthoofdingen van buitenlanders geen goed idee, omdat het de djihad een slecht imago bezorgde.

In mei 2005 reageerde Al-Zarkawi via een audiotape op de kritiek van zijn voormalig geestelijk leider. Daarin zette hij de juridische legitimering van zijn terreuroperaties uiteen aan de hand van koranverzen en van de praktijken van de Profeet en zijn navolgers uit de eerste generaties.

Hij zei dat aanvallen op moslimburgers binnen de context van djihadoperaties wel degelijk waren toegestaan, omdat Allah de gelovigen had bevolen ongelovigen te doden op elk mogelijke wijze. Dat daarbij ook islamitische en andere burgers gedood werden, was onvermijdelijk.

De onthoofdingen en het filmen daarvan rechtvaardigde hij door een koranvers op basis waarvan moslims de opdracht hadden de vijand – van Allah en van de gelovigen – met elk denkbaar middel schrik aan te jagen: „En maakt tegen hen zo goed als jullie kunnen de bewapening en de inzetbare paarden gereed om Gods vijand en jullie vijand daarmee vrees aan te jagen” (Koran 8:60).

In een audiotape van juli 2005 zei Al-Zarkawi dat het zijn plicht was om de djihad te voeren tegen sjiitische moslims en ze te doden omdat zij afvalligen zijn, afgedwaald van het juiste pad. Bovendien waren zij bondgenoten geworden van de kruisvaarders (de coalitietroepen in Irak). Over zijn vroegere geestelijk leraar zei hij fel dat schriftgeleerden die zelf niet deelnamen aan djihadoperaties, niet het recht hadden om djihadstrijders te bekritiseren. Dit debat ging ongeveer een jaar na de onthoofding van Bigley door.

Al-Zarkawi’s stellingname moet hem vele bewonderaars en discipelen hebben opgeleverd. Het verbazingwekkendste aan zijn leiderschap was immers dat hij haast eindeloze hoeveelheden strijders wist te rekruteren, vrijwillig en zonder dwang – soms ook vanuit het Westen. Het beeldmateriaal van onthoofdingen op het internet schijnt veel aantrekkingskracht te hebben op jongeren. De rekruten, doorgaans diep religieus en zeer fanatiek, waren allemaal bereid om gewelddaden te plegen en daarbij zelf als martelaar te sterven. De laatste nacht voor de zelfmoordaanslag brachten ze meestal door met bidden en met lezen in de Koran. Sommigen zaten helemaal alleen, anderen juist in gezelschap, en weer anderen brachten de laatste nacht door in een ceremonie bekend als ’De bruiloft van de martelaar’, waarbij je viert dat je straks naar de hemel gaat alwaar de 72 maagden je opwachten.

De Moslimraad van Groot-Brittannië veroordeelde de ontvoering van Kenneth Bigley als een daad die absoluut strijdig was met de beginselen van de islam. De raad stuurde een delegatie naar Irak om te onderhandelen over diens vrijlating, om de ontvoerders duidelijk te maken hoe fout ze zaten, en om de juiste geloofsovertuiging aan hen uiteen te zetten.

Het mocht niet baten. In Irak raakten ze niet onder de indruk van de Europese versie van de islam, waarin geen plaats is voor de gewelddadige djihad. De ontvoerders weigerden het licht te zien. En ook andere bemiddelingspogingen waren tot mislukken gedoemd. Vreemd genoeg, want de mensen die zich met deze zaak bemoeiden waren allemaal zwaargewichten uit de islamitische wereld: Jasser Arafat bijvoorbeeld, koning Abdoellah van Jordanië, kolonel Kadafi van Libië en diens zoon.

Ook bekende niet-islamitische politici richtten zich via videoboodschappen tot de gijzelnemers en smeekten hen om Bigley vrij te laten. Michael Higgins van de Ierse Labourpartij deed een oproep. En ook Gerry Adams van Sinn Féin. De tweede keer was op 7 oktober, de dag waarop naar later bleek Bigley werd onthoofd.

Kort daarvoor leken de contacten van Bigley’s familie met bemiddelaars te resulteren in diens bevrijding. Gewapende mannen hadden hem ontvoerd vanuit het huis van zijn ontvoerders. Maar voordat de auto waarin Bigley zat de veilige groene zone had kunnen bereiken, werd die gesignaleerd en tegengehouden door rebellen die banden hadden met Al-Zarkawi en zijn groep.

Al-Zarkawi was razend over de ’bevrijding’. Hij vermoordde alle mannen uit zijn groep – meer dan twintig – van wie hij dacht dat ze bij de bevrijdingspoging van Bigley betrokken waren.

Het zou nog even duren, maar uiteindelijk was ook Al-Zarkawi zelf aan de beurt om gedood te worden. Op 7 juni 2006 kwam hij om nadat zijn huis onder vuur genomen was door Amerikaanse F16’s.

Is moslimterrorisme een reactie op het Westen en eigenlijk door het Westen veroorzaakt?

Vorige maand pleegden moslimterroristen aanslagen in Indonesië – zonder dat er een westerse invasie in dat land heeft plaatsgevonden. Daarbij vonden opnieuw onschuldige burgers de dood.

Moslimterrorisme past binnen het plan van de islamitische djihad. Helaas heeft de huidige westerling de sterke neiging om het kwaad op de wereld en de slechtheid van de mens te bagatelliseren. Alleen het kwaad van nazi-Duitsland wordt volmondig en ondubbelzinnig erkend. Alsof het zich daarbuiten, daarvoor en daarna nooit heeft gemanifesteerd. Ondertussen verspreidt het zich overal en vallen elke dag weer nieuwe slachtoffers.

Op het ogenblik manifesteert het kwaad zich vooral in mensen die geen blanke huid, blauwe ogen of blond haar hebben – mensen die veel op mijzelf lijken. Maar van de westerse politieke en culturele elites mogen we hen uitsluitend zien als slachtoffers van het Westen, van armoede, van onderdrukking. En vooral niet als daders. Het wordt tijd dat we ons van die opvatting bevrijden.

Kenneth Bigley werd gegijzeld en vermoord door terroristen, die hun daden pleegden in naam van de islam. Zij lieten zich inspireren door een historische figuur en door een heilig boek. Dit moeten wij onder ogen zien. Dit moeten wij vrijelijk kunnen bekritiseren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden