Reportage

De laatste Serviërs in Kosovo kwijnen weg

Skender Amza en zijn vrouw Izeta zijn, als Roma-zigeneurs in de Servische wijk van Orahovac, een minderheid binnen een minderheid. Ze spreken hun eigen taal en zijn moslim. Tussen de Albanezen voelen ze zich niet thuis. 'Door een ziekte ben ik dik. Die Albanezen lieten me laatst drie uur in de rij staan voor mijn pensioen van 50 euro', fulmineert Skender. Met hun Servsiche buren kunnen ze het wel goed vinden. Beeld Thijs Kettenis
Skender Amza en zijn vrouw Izeta zijn, als Roma-zigeneurs in de Servische wijk van Orahovac, een minderheid binnen een minderheid. Ze spreken hun eigen taal en zijn moslim. Tussen de Albanezen voelen ze zich niet thuis. 'Door een ziekte ben ik dik. Die Albanezen lieten me laatst drie uur in de rij staan voor mijn pensioen van 50 euro', fulmineert Skender. Met hun Servsiche buren kunnen ze het wel goed vinden.Beeld Thijs Kettenis

Servië laat zijn aanspraken op Kosovo weer hardop gelden, maar intussen neemt het pessimisme onder de Serviërs in Kosovo toe. Zeker onder de duizenden mensen die in kleinere enclaves wonen, omringd door Albanezen. De vraag is hoelang zij nog blijven.

Thijs Kettenis

"Wie ben jij?" vraagt een vrouw op ongelovige toon vanachter haar tuinhek. Anderen hebben dan al indringend staan staren. "We kennen elkaar allemaal hier, en moeten een beetje opletten", zegt ze, zich bijna verontschuldigend.

In de Servische wijk van de Kosovaarse stad Orahovac treden ze buitenstaanders niet zozeer onvriendelijk, als wel met een flinke dosis argwaan tegemoet. De ongeveer 400 bewoners weten zich omringd door 75.000 Albanezen, die hun stad Rahovec noemen. "Laten we Engels spreken, in plaats van Servisch. Of in ieder geval zachter praten", zegt de 33-jarige Ivica Soric buiten bij een kruidenier even verderop. "Dat voelt veiliger."

In de drukke, tegen een heuvel aangebouwde stad is het even zoeken naar de Servische wijk. Hier geen rood-blauw-witte vlaggen op elke straathoek, of billboards met nationalistische leuzen, zoals zeventig kilometer noordelijker. Daar bewonen zo'n 70.000 Serviërs rond de stad Mitrovica een stuk Kosovo dat grenst aan Servië (zie kader).

In Orahovac moet je op zoek naar subtielere aanwijzingen. De namen en christelijke symbolen in overlijdensadvertenties, vastgeplakt op lantaarnpalen, en één auto met nummerplaten van de Servische stad Kragujevac verraden dat hier, hoog tegen de berg, de Serviërs wonen. Zo'n vierhonderd nog, van de oorspronkelijke pakweg 5.000. In tegenstelling tot het veel grotere, levendige Albanese deel eronder is het hier muisstil op straat.

Een kat kruipt door het gat in de bodem van een vuilcontainer, als Soric in de auto stapt. "Wij wonen in een driehoek van straten van denk ik vierhonderd meter, meer niet", zegt hij, nu toch in het Servisch. "Ik laat het je zien." De auto hotst en klotst door een smal straatje omlaag. Er ontbreken nogal wat stenen uit de bestrating. Ongeveer de helft van de huizen is vervallen en lijkt leeg. "Hier, dat is de school", zegt hij na een seconde of twintig bij een wit-grijs woonhuis. De basisschool en de middelbare, samen tellen ze zo'n zestig leerlingen. Er schuin tegenover staat de enige nog functionerende kerk van Orahovac.

Nog geen minuut later is de onzichtbare grens met het Albanese deel bereikt. "Dat is nergens aan te zien, maar iedereen weet: vanaf hier zijn het alleen maar Albanezen", zegt Soric. Verderop liggen nog wat betonblokken langs de kant van de weg, uit de tijd dat hier een controlepost van de Navo was. Die is al jaren geleden opgeheven. Het is veilig, en Serviërs en Albanezen kunnen zonder problemen in elkaars wijken komen.

Provocaties

En toch voelen de Serviërs zich kwetsbaar. "Als er iets in de politiek gebeurt, zoals laatst met die trein, dan merken wij dat hier als eerste", zegt Soric terwijl de auto weer omhoog hobbelt. Hij heeft het over de trein die Servië vorige maand naar Mitrovica wilde laten rijden, rijk beschilderd met Servisch-orthodoxe symbolen en kunst, en de tekst 'Kosovo is Servië' in 21 talen. De Kosovaarse regering stuurde speciale politie-eenheden naar de grens, waarop Servië besloot de trein terug te laten keren naar Belgrado. De regeringen beschuldigen elkaar sindsdien van grove provocaties; de Servische president dreigde zelfs het leger weer naar Kosovo te sturen.

Soric stopt bij een transformatorhuisje. Daarop is graffiti zwart overgespoten. Hij vertelt wat er stond: 'Wat is groter, de trein of de drone?'. De leus vergelijkt de affaire rond de trein met die rond een drone die Albanese nationalisten eens door een Servisch voetbalstadion lieten vliegen. "Als er zoiets speelt trekken ze hier toeterend en joelend door de straten. We blijven dan gewoon maar binnen."

Ook is deze week de bus naar Mitrovica onderweg weer eens bekogeld met stenen. "Die bus is neutraal beschilderd, er is aan de buitenkant niks Servisch aan te zien. Maar ze kennen de dienstregeling."

Tekst loopt door onder afbeelding.

null Beeld Thijs Kettenis
Beeld Thijs Kettenis

Dit soort intimidatie is een van de redenen dat de Serviërs van Orahovac zich koest houden, of alsnog naar Servië verhuizen. De 21-jarige Stevan Saric noemt er nog een: hier is geen werk en er is helemaal niets te doen. Af en toe is hij een paar weken hier, om in het kruidenierswinkeltje van zijn oom te staan. Voor de rest is hij in Kragujevac; de auto buiten is van hem. "Af en toe ga ik naar een café beneden in de stad", zegt hij van achter de toonbank. Zijn waar staat uitgestald in stellingkasten tegen de muur; groenten en fruit liggen te verpieteren in dozen op de grond. "Maar ik voel me daar nooit ontspannen. Iedereen gaat weg zodra het kan. Ze verkopen hun huizen voor bijna niets aan Albanezen."

Kosovo is Servië, vindt ook Saric, maar zelfs tussen de Serviërs hier in Orahovac valt dat in praktische zin lastig vol te houden. Ook al staat de zwart-wit-tv op de toonbank afgesteld op het Servische kanaal Pink. Op de prijskaartjes in zijn winkel prijken bedragen in Servische dinar, maar betalen kan ook in euro, de munteenheid die Kosovo gebruikt. "Met dinars kan ik hier niets. Die wisselen we in Mitrovica, of we nemen ze mee naar Kragujevac."

Belastingen betaalt zijn oom aan de Kosovaarse overheid, stroomt koopt hij in bij het Kosovaarse elektriciteitsbedrijf, mobiel bellen gaat met Kosovaarse telecombedrijven. Is het tij nog te keren? Net als iedereen hier houdt Saric zich liever verre van politiek. Maar hoop op verandering heeft hij wel. "Nu verwacht ik niets. Maar met Poetin en Trump aan de macht... over een jaar of vijf kan het anders zijn."

Zichtbaar maken

Een pand verderop, op de eerste verdieping van een geel geschilderd woonhuis, is burgemeester Jovan Djuricic (58) een stuk pessimistischer. "Misschien zijn hier nog één, twee generaties lang Serviërs", zegt de vriendelijke man van achter zijn bureau. Hij is sinds de oprichting lid van de socialistische partij van wijlen president Slobodan Milosevic. Zijn belangrijkste taak? "Zichtbaar maken dat we er nog zijn", zegt hij met een vastbesloten gezicht. Ook hij noemt de regelmatige treiterijen en provocaties van Albanezen. "Ik probeer ervoor te zorgen dat niemand ons raakt."

Niet dat hij daarvoor enige middelen heeft. Djuricic is benoemd door Belgrado. Maar de burgemeester van de hele gemeente is een gekozen Albanees, in het gemeentehuis in het centrum. De politie valt onder de Kosovaarse autoriteiten. Water, het ophalen van vuilnis, het sneeuwvrij maken van de straten: alles moet Djuricic bij zijn collega in het centrum inkopen. "Het is improviseren hier", geeft hij toe.

Een stafmedewerker duwt een stapel hout in de kachel van de werkkamer. De waterleidingen zijn bevroren; naar de wc moet de burgmeester in de dokterspost aan de overkant. Zijn salaris krijgt hij contant in dinars via het piepkleine postkantoortje een verdieping lager. "Twee keer per week komt er een neutraal busje met post en geld uit Servië. Die dinars moet ik vervolgens in Mitrovica wisselen in euro's om hier iets te kunnen kopen."

Tekst loopt door onder afbeelding.

Op de piste is het juist gezellig

Dat Serviërs en Albanezen in Kosovo wel degelijk op één plek samen kunnen komen, bewijst het skigebied Brezovica. De meeste bezoekers in deze Servische enclave zijn Albanezen uit de Kosovaarse hoofdstad Pristina. Hier stellen skiërs vragen aan bedieners van de skilift in het Albanees, en krijgen ze antwoord in het Servisch. Serviërs drinken koffie in Albanese cafés. Obers in Servische restaurants vragen standaard of er varken in de vleesgerechten mag - het merendeel van de Albanese clientèle is immers moslim. “Politiek interesseert mij niet. Ik ben hier om zaken te doen”, zegt Dragica Djukic (65) van skiverhuur Marconi.

Ze woont in Belgrado, maar staat tijdens het wintersportseizoen in de familiewinkel in Brezovica. “Wel vind ik het jammer dat ik geen Albanees spreek. Maar die paar weken per jaar hier zijn daarvoor te kort.” Daarom heeft ze ook een Albanees in dienst. “Ik doe mijn werk en ben verder gewoon vriendelijk. Het gaat prima, we gaan buiten het werk om ook bij elkaar op de koffie. Economie kent geen grenzen.”

null Beeld Thijs Kettenis
Beeld Thijs Kettenis

Djuricic wil wel graag nuanceren: er zijn Albanezen met wie hij wel degelijk goed contact heeft. Ook op het gemeentehuis in het centrum. "Het zijn vooral de jongeren, zonder baan of geld, die hier problemen komen maken. Met het grootste deel van de Albanezen kunnen we prima overweg. De verhoudingen hebben zich de afgelopen jaren ontspannen." Maar met elkaar leven is, zelfs 18 jaar na de oorlog, niet goed mogelijk. "Zelfs met Albanese vrienden van vroeger is het niet meer hetzelfde. We praten met elkaar, maar echt dichtbij laten we elkaar niet meer komen. Er is te veel kapot gegaan."

Op dat moment komt er een jongeman van het Kosovaarse elektriciteitsbedrijf binnen met een rekening. Djuricic begroet hem hartelijk; ze maken een praatje in het Servisch.

Djuricic poseert voor de foto. Als twee Servische vlaggen op zijn bureau buiten beeld dreigen te vallen, doet hij daar laconiek over. "Wat maken die vlaggen nou uit. Ik ben geen groot nationalist", zegt hij, met een besmuikte lach. Belgrado afvallen doet hij niet, maar de kaarten zijn geschud. "De Albanezen hebben hun doel bereikt. Zij hebben de steun van de grote machten, en kunnen doen wat ze willen. Ik zie voor Serviërs in Orahovac geen toekomst."

Serviërs in Kosovo

Servië vocht in 1998 en 1999 een bloedige oorlog uit met zijn provincie Kosovo, voor ongeveer 90 procent bewoond door etnische Albanezen. De oorlog eindigde na bombardementen van de Navo op Servië. Na een periode van VN-bestuur riep Kosovo in 2008 de onafhankelijkheid uit. Belgrado erkent die niet, net als onder meer Rusland, China en vijf EU-landen. De Verenigde Staten en 23 EU-landen waaronder Nederland doen dat wel.

Naar schatting vluchtte of vertrok ongeveer de helft van de Serviërs na 1999 uit Kosovo. Er zijn er nu nog zo’n 70.000 tot 120.000. Ongeveer driekwart van hen woont in het noorden, in een gebied dat grenst aan Servië. Belgrado heeft daar nog steeds een flinke vinger in de pap. Je ziet er Servische nummerplaten, betaalt in dinars en gebruikt Servische telefoonnetwerken. Publieke diensten worden betaald en georganiseerd vanuit Belgrado. De Servische spoorwegen beheren de stations en rijden de treinen van en naar de stad Mitrovica.

De rest van de Serviërs woont in enclaves als Orahovac, waar Belgrado veel minder te zeggen heeft.

Servië en Kosovo sloten in 2013 een akkoord om de betrekkingen te normaliseren. Dat was een voorwaarde van de EU, waartoe zowel Belgrado als Pristina op termijn toe wil treden. Sindsdien onderhandelen ze over allerlei praktische zaken als zelfbestuur voor de Servische gemeenschap, het erkennen van elkaars diploma’s, grensoverschrijdend verkeer, telecommunicatie en energie. In de praktijk komt er van de afspraken door onwil en wantrouwen weinig terecht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden