De laatste restjes van Kadafi

Wie de inwoners van Benghazi vraagt wat er veranderd is sinds het uitbreken van de Libische revolutie, krijgt steevast hetzelfde antwoord. "Ik kan nog steeds niet geloven dat we vrij zijn."

'Praat, hond!' De stem van de officier klinkt bars. Het is augustus 2002. Politieagent Salah Addin Lemin, 24 jaar oud, ligt met zijn buik op een brits, ergens in de vele kamers van Alfadil Abo Amer, het gebouw van Kadafi's 'katiba' - persoonlijke militie - in Benghazi.

Het is het meest gevreesde oord in de stad: een groot ommuurd terrein ten zuiden van het centrum met lange, lage kantoorgebouwen, twee ondergrondse gevangenissen, kazematten voor zo'n duizend huurlingen, een moskee en, nog weer extra ommuurd, een paleisje van beton voor de leider van de Grote Socialistische Volksrepubliek van Libië.

Een zweep knalt op Salahs rug. Hij kronkelt van de pijn, maar zijn tanden houdt hij stijf op elkaar. "Zoals je wilt", zegt de officier. "Breng de olie."

Hij wordt op zijn rug gedraaid. Een hand bedekt zijn ogen, een andere hand duwt zijn kin naar achteren. Een moment later voelt hij iets heets op zijn nek. Hij schreeuwt het uit. Het is alsof zijn huid in brand staat. Zijn voeten schoppen in de lucht.

Tegenwoordig ligt Alfadil Abo Amer er verlaten bij. De hoofdingang is ingestort en op het plein liggen her en der verkoolde auto's op hun kop, alsof een orkaan ze daar heeft neergesmeten. De kantoorgebouwen zijn karkassen vol puin met zwartgeblakerde muren.

In de namiddag van 19 februari dit jaar reed Maadi Ziwe, een 40-jarige medewerker van Arab Oil Company, zich met een autobom tegen de hoofdingang te pletter. Daarna was het hek van de dam: vier decennia opgekropte volkswoede werd botgevierd op het fort.

Op slippers loopt Salah, nu 33, door Kadafi's voormalige hoofdkwartier. Op de grond liggen steenbrokken en glasscherven. De muren zijn met graffiti bespoten. 'The end', staat er, bij een schacht waarin een lift naar Kadafi's slaapkamer leidde. Er was geen trap, je kon er alleen met die lift komen, als extra veiligheidsmaatregel.

Zes maanden na de revolutie komt Salah hier nog steeds bijna elke dag, zegt hij. Zijn ogen schieten onrustig heen en weer. "Hier rondlopen is als knijpen in je arm om je ervan te vergewissen dat je niet droomt. Ik kan nog steeds niet geloven dat we vrij zijn."

Als Salah Kadafi's uitgebrande bunker verlaat, ademt hij zijn longen vol. Hij draait zich om, raapt een steen op van de grond en gooit die in de richting van de ruïne, vergezeld van een knallende vloek.

Wie inwoners van Benghazi vraagt wat er is veranderd sinds de revolutie krijgt steeds hetzelfde antwoord: vrijheid. En zoals de Libiërs het woord uitspreken, heeft het niets sleets of abstracts.

Vrijheid voor Libiërs is vooral: kunnen zeggen wat je denkt. Dat doen ze dan ook. In elk gesprek wordt Kadafi - het onderwerp waarover je nooit mocht spreken - wel een keer hartgrondig vervloekt of naar het hiernamaals verwezen.

Ook de muren van de stad getuigen van de uitingsdrang. Met veel enthousiasme en in soms haperend Engels zijn ze volgekalkt met graffiti. 'Kaddafi + his regime = genocide machine', 'Fuk you Kaddafi', 'Go to hell, anemal'. Dat soort leuzen kon je vroeger de kop kosten.

"Praat je nu?" Salah kan zijn nek niet bewegen, laat staan praten. Hij wordt rechtop gezet en krijgt een papier in handen geduwd. "Teken!"

Hij tekent. De kokende olie heeft zijn verzet gebroken. Ook al heeft hij het niet gedaan, hij bekent de anti-Kadafi-leus op de muur in het centrum van Benghazi te hebben geschreven.

Ook als politieagent ben je niet immuun voor Kadafi's klauwen.

De officier glimlacht. Een soldaat smeert wat vaseline over de brandwonden in Salahs nek.

Dan brengt hij hem weg, over het plein, naar een zandbult met een stenen schoorsteen. Een dikke stalen deur gaat open. De soldaat duwt hem een trap af, nog een deur door, en dan een pikdonkere ruimte in. De deur valt achter hem in het slot.

Officieel telt Benghazi zo'n 600.000 inwoners, maar sinds de revolutie is het inwonertal verdubbeld, door een toestroom van vluchtelingen uit steden waar gevochten wordt, zoals Brega en Misrata. De meeste mensen zijn werkloos - alleen de zwarte markt draait nog, en de lokale nijverheid: bakkers, kebabtentjes, supermarkten, taxi's, minibusjes. Ook de vuilnisdienst werkt, zij het niet op volle toeren. Om elektriciteit te sparen geeft de helft van de straatlantaarns 's avonds geen licht. Scholen en universiteiten zijn al maanden dicht.

In zijn kantoor met twee zwartlederen fauteuils veegt Kamel Mohammed Moekhtar (42), eigenaar van HECLS Oil Services in het centrum van Benghazi, zich het zweet van het voorhoofd. Hij laat koffie, sigaretten en water komen - voor de gast, niet voor hemzelf, want het is ramadan. "Het grootste probleem van Benghazi is de economie", zegt hij. "Die ligt helemaal stil."

Sinds februari heeft Moekthar geen werk meer. "De olieproductie in heel Libië is gestopt. Gelukkig heb ik nog genoeg geld om mijn ongeveer dertig contractwerkers door te betalen. Een halfjaar. Daarna wordt het lastig."

Tot nu toe is niemand in Benghazi veroordeeld tot de straat, zeg Moekthar. "Mensen helpen elkaar. Families zijn groot, vormen een sociaal vangnet. Er is altijd wel een oom of een neef die nog wat geld heeft of een slaapplaats. Bovendien ondersteunt de Overgangsraad de armste inwoners van Benghazi met een maandelijkse bijdrage. Niemand hoeft om te komen van de honger."

Plotseling fel: "Dit land is zo ongelooflijk rijk aan olie en gas. We hebben maar vijf miljoen inwoners. We hadden even welvarend kunnen zijn als Katar of Doebai."

Hij kijkt uit het raam. "Leden van de Overgangsraad reizen de wereld rond om donaties los te peuteren en Kadafi's bevroren miljarden naar Benghazi door te sluizen. Dat is prima, maar we moeten zo snel mogelijk eigen inkomen genereren. Mijn advies aan de raad: vergeet Kadafi, kijk vooruit en start een eigen olieproductie."

Het probleem is de beveiliging, zegt hij. "Het is moeilijk de olievelden in het zuiden, die een pijpverbinding hebben met Tobroek, te beschermen tegen de strijders die Kadafi uit Tsjaad of Niger laat komen. De regering durft het niet aan."

Buiten klinkt plotseling een schot, vlakbij. Hoewel de politie de stad redelijk onder controle lijkt te hebben, zijn er regelmatig schoten te horen. Moekthar haalt zijn schouders op. "We ruimen de laatste restjes van Kadafi op."

De 35 mensen met wie Salah in het hol onder de grond zit, weten van elkaar niet waarom ze daar zijn of hoelang ze er zullen blijven - angstvallig vermijden ze te praten over alles wat ook maar riekt naar politiek. Er kunnen zich verklikkers onder hen bevinden.

Er zijn geen toiletten: behoeften doen ze in een plastic zak. Eén keer per dag wordt er brood en water gebracht; soms krijgen de gevangen een warme maaltijd. Vierentwintig uur per dag zitten ze hier, in het donker, waar ze elk besef van tijd verliezen. Als hij gaat slapen, maakt Salah een prop van zijn T-shirt en gebruikt dat als kussen.

Het is nacht. Rondom het Vrijheidsplein, dat is omgetoverd tot een grote openluchtmoskee, heerst een vrolijke ramadansfeer. Kinderen spelen in een luchtkasteel, volwassenen flaneren langs de zee. Als een koor op het plein het nieuwe volkslied van het bevrijde Libië aanheft, stoppen de mensen met praten en trekken een plechtstatig gezicht.

In tentjes kun je buitgemaakte legerbroeken en kogelvrije vesten van Kadafi's troepen kopen. Er zijn T-shirts, vlaggen en petjes met de nieuwe Libische driekleur: rood-zwart-groen. En overal wapperen vlaggen van Frankrijk en van de Verenigde Staten.

Dat heeft een reden. Op 19 maart stonden Kadafi's tanks tot in Benghazi. Het zou waarschijnlijk op een regelrechte slachting zijn uitgelopen als niet de Navo, met Frankrijk voorop, precies op dat moment was begonnen met bombardementen.

Die dag staat in het geheugen van de inwoners gegrift. Het was ook pr-technisch gezien een effectieve aanval van de Navo: 42 jaar indoctrinatie van het Kadafi-regime lijkt er in één klap mee weggevaagd. "Kadafi heeft gelogen", zegt Khaled Mohamed Ryani, een kleine gestalte met grijs sikje en vrolijke ogen. "Het Westen is niet de grote vijand."

De 42-jarige eigenaar van een kledingzaak ("Sinds de revolutie verkoop ik niks meer, maar ik heb nog genoeg in mijn spaarpot") koopt bij een van de marktkraampjes een sjaal in de kleuren van de nieuwe vlag. "Voor mijn dochter. Al haar vriendinnen hebben er een."

Hij wijst naar een billboard op het plein, met een foto van een glimlachende president Sarkozy en de tekst 'Thanks France'. "Op 19 maart heeft Sarkozy ons gered", zegt hij. Mochten de rebellen de strijd winnen, dan kan Parijs gunstige oliedeals tegemoet zien, zo lijkt het.

Met die toekomst, het Libië ná de eventuele val van Kadafi, houden de inwoners van Benghazi zich nog nauwelijks bezig.

Eerst de oorlog zien te winnen, lijkt de heersende gedachte. Dagelijks sturen ze hulpkonvooien met eten, T-shirts, sokken, en onderwaterbrillen tegen rondwaaiend zand naar hun zonen, echtgenoten en vaders aan het front. Dat bevindt zich zo'n 250 kilometer verderop, in Brega, waar in de straten hevig wordt gevochten.

Op vrijdagochtend vult het plein zich met een opgewonden menigte. Op het podium houdt een prediker een opruiende toespraak. Hij laat zich meeslepen door zijn eigen woorden en staat bijna te huilen achter de microfoon.

Dan worden de lichamen van zeven rebellen, de vorige dag in Brega omgekomen, in optocht over het plein gedragen.

Als de kisten langs het gerechtsgebouw komen, waarvan de muren met foto's van eerdere martelaren zijn bedekt, heft een stoet in zwart geklede vrouwen naar goede Arabische traditie rouwzangen aan: ze huilen, jammeren, laten hun tongen klakken. Ondertussen schieten de mannen hun kalasjnikovs leeg in de lucht. "La illaha illallah", dreunen ze in koor. - Er is geen God dan Allah.

Voor het eerst in meer dan een jaar ziet Salah de zon. Een reden voor zijn vrijlating heeft hij hij niet gekregen; dat hij hier überhaupt levend uit is gekomen, verbaast hem.

Hij knijpt zijn ogen dicht: het licht doet pijn aan zijn ogen. Het zal nog maanden duren voordat het hem lukt ze open te houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden