De laatste poëzie van de twintigste eeuw

Komend weekend beleeft Den Haag weer de tweejaarlijkse 'Dichter aan huis'-manifestatie. Vijftig dichters lezen voor uit eigen werk op merendeels ooglijke locaties van kunstminnende Hagenaars. De bezoekers wandelen om het uur naar een andere dichter. Echt Haags: 'een tijdverdrijf voor enk'le fijne luiden.' En de plannen reiken verder. Voor volgend jaar heeft de organisatie diverse ambassades gepolst om steeds een dichter van eigen grond, gekoppeld aan een Nederlandse dichter, gastvrijheid te verlenen. De Israëlische ambassade, niet de minst problematische als het om publieke veiligheid gaat, heeft al enthousiast gereageerd.

Intussen lijkt iedere stad van aanzien haar eigen karakteristieke poëziefestival te herbergen. Rotterdam het oudste, Poetry International, voor de specialisten. Utrecht zijn 'Nacht van de poëzie', voor het grote publiek, terwijl Den Haag zowel het chique 'Dichter aan huis' herbergt als 'Crossing border', voor wie poëzie geen heilig westers huisje of vaststaand genre is. Dichters varen er wel bij, het publiek ook, maar hoe zit het met de poëzie zelf?

“Nieuwe dichters genoeg. Valt er ook iets van een nieuwe dichtkunst in te bespeuren? Nee. Iets van een generatie die alles anders wil en alles anders aanpakt? Nee. Een nog nimmer vernomen geluid? Nee. Iets van een nieuwe trend? Misschien. Dat valt onder achteraf-geluk. Ik zou zo geen treffende nieuwigheden in de jongste poëzie kunnen aanwijzen.” Aldus mopperde Gerrit Komrij onlangs in de NRC. Is er dan werkelijk geen leven meer in de brouwerij na het vuurtje dat de Maximalen dit jaar al weer tien jaar geleden stookten?

De jury van de VSB-prijs van afgelopen jaar wist nog een lijstje kandidaten te produceren waarvan kennelijk niemand achterover mocht vallen: Robert Anker, Elisabeth Eybers, Judith Herzberg, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens, Kees Ouwens, Toon Tellegen; ze hadden tien jaar geleden ook met goed fatsoen genomineerd kunnen worden. Wie de VSB-jury mocht geloven moest aannemen dat de beste dichters van 1996 gemiddeld éénenzestig jaar zijn (en overwegend bij Querido uitgeven) en dat geen enkele veelbelovende jongeling, laat staan debutant, het tot het cenakel der uitverkorenen heeft gebracht.

Andere prijsverleners hadden meer oog voor het nieuwe. De Jan Campertprijs voor poëzie gaat dit jaar naar Elma van Haren, de Herman Gorterprijs naar Nachoem Wijnberg, dichters die je met enige goede wil misschien tot het postmodernisme kunt rekenen en die zich althans weinig lijken aan te trekken van de bestaande tradities. Het zijn de bekroningen van een poëzie van een veel persoonlijker snit, met veel filosofische verbazing en een nieuw soort vitaliteit, poëzie die zich niet van de wereld afkeert maar er juist met open, soms verbaasde ogen naar kijkt; veel dichters zijn barokker, beweeglijker en grotesker geworden. Hun gedichten zijn niet langer uit op eenheid maar geven juist ongelijksoortige elementen naast en door elkaar een kans.

Zelfs vanuit de jarenlang schijnbaar verstarde hermetisch-experimentele hoek, waar men zich volgens sommigen onderhand blindstaarde op poëzie als taalproces, werden nieuwe levenstekens ontvangen; een dichter als Huub Beurskens heeft toenadering gezocht tot de meer verstaanbaren, anderen (Maria van Daalen) exploiteren intussen een soort lichamelijkheid in hun gedichten die met bloedeloosheid juist niets te maken wil hebben. Kortom, het landschap is wel degelijk drastisch veranderd, veelzijdiger en fantasievoller geworden. De poëzie ondergaat een mentaliteitsverandering.

Wat je van de woelige jaren zestig ook kunt zeggen, niet dat ze een bijpassende poëtische beweging opleverde. Integendeel, de dichtkunst had nauwelijks oog voor de grote, beweeglijke werkelijkheid, maar spande zich, onder het losse regime van het neo-realisme, juist in om de verrassende aardigheid van het kleine, het detail in beeld te brengen. Rutger Koplands evergreen 'Jonge sla', indertijd gelezen als een romantisch-ironische reactie op de harde, klinische praktijk, vat de dichterlijke aandacht samen:

Alles kan ik verdragen, het verdorren van bonen, stervende bloemen, het hoekje aardappelen kan ik met droge ogen zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september, netgeplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee.

Een gedicht uit 1969: de studentenrevoltes zijn nog maar net achter de rug, de definitieve ontzuiling nog in volle gang - je zou het niet zeggen.

Mogelijk is de verandering die de poëzie in de bloedeloze jaren tachtig ondergaat net zo'n averechtse reactie op wat er om ons heen gebeurde als het gebrek aan maatschappelijke aandacht van dichters gedurende onrustige jaren dat was. Want juist in die tijden van ego-cultuur en opkomende materiële preoccupaties, krijgt de poëzie opeens een opkikker in de richting van grotere levendigheid en onvoorspelbaarheid. Er verschijnen talloze bundels waarin eigenwijze individualisten met een scheve blik naar de wereld kijken.

Veel poëzie van nu is grotestads-poëzie; de vogelgids en de flora van een vorige generatie zijn in de museumvitrine gezet; de natuur, die bron van troost voor de moderne mens die het religieuze paradijs is kwijtgeraakt, verdwijnt bij de jongere garde langzamerhand naar de achtergrond, het zoeken naar eenheid achter alle verscheidenheid ook. Veelvormigheid, lange adem, praatzucht, de prismatische schittering van alles wat niet veel met elkaar te maken lijkt te hebben, bepalen daarentegen het perspectief van de nieuwe generatie.

Er zijn allerlei oorzaken te bedenken voor die wending. Je zou kunnen denken aan het maatschappelijke en publieke succes van poëziefestivals, waar de dichtkunst weer gehóórd kan worden - en het collectief aanhoren van poëzie impliceert ongemerkt ook een tendens naar grotere verrassing en directheid, aansluiting bij de spreektaal.

Onmiskenbaar heeft ook de ontsluiting in vertaling van grote buitenlandse dichters, levend of dood, zoals Fernando Pessoa, Drummond de Andrade, Tomas Tranströmer, Zbigniew Herbert, die in het geheel niet op dichterlijke paaltjes gezeten in zichzelf verzonken lijken, de poëzie van de laatste tien jaar een ander aanzien gegeven. Dichters van nu lijken soms eerder in een internationale dan in een Nederlandse traditie te schrijven.

Het is verder niet ondenkbaar dat allerlei producten van bijvoorbeeld de vrouwenemancipatie, of de culturele veelkleurigheid, allengs sporen beginnen na te laten. En wie naar de afkomst van dichters kijkt ziet dat de dichtkunst niet langer, zoals bij de vorige generatie, grotendeels door academici en neerlandici wordt beheerst, doorkneed in close-reading en de boekenlijst der Nederlandse letterkunde, maar veel meer door schrijvers die als het ware onbevangen naar de literaire traditie kunnen kijken in plaats van zich al te zeer beïnvloed te voelen door de geest van Leopold of Lucebert. Elma van Haren bijvoorbeeld is behalve dichteres schilderes, Nachoem Wijnberg beoefent in het dagelijks leven zoiets onwaarschijnlijks als economie.

Opvallend is trouwens dat de 'jonge' dichters om wie het gaat, die welke aan het eind van de jaren tachtig aan het woord kwamen en zijn gebleven, helemaal zo jong niet zijn: K. Michel, Arjen Duinker, Elma van Haren, Tonnus Oosterhoff, ze debuteerden zo'n tien jaar geleden allemaal rond hun dertigste. Uit het niets vielen ze opeens in vruchtbare aarde. Je kunt je afvragen of vijf, tien jaar eerder, in de jaren zeventig, dichters met een gelijkgeaarde poëzie dezelfde aandacht op zich hadden weten te vestigen; het is nooit alleen het talent dat zich aandient maar ook het klimaat dat ze de kans geeft. En dat klimaat wordt beheerst door de geest van het postmodernisme, waarin met veelheid van levensbeschouwing maar ook van taalregisters en van kunstzinnige codes, wordt geëxperimenteerd. De beschaafde voorzichtigheid waarmee dichters in de voorafgaande decennia naar de werkelijkheid of de taal keken is verdwenen. K. Michel bijvoorbeeld liet in een van de gedichten uit zijn debuutbundel 'Ja! Naakt als de stenen' uit 1989 weten dat poëzie weer een gevaarlijke onderneming was geworden, met een ongewisse uitkomst:

Een gevaarlijke onderneming je dromen echt te maken

Wie weet wat er uit de hoed komt

Misschien wel een wortel of een rode haring

een derde been of een diepe zucht

een albino auto ongeluk of een gouden geraamte

Vaya! Er zit niets anders op

Nietwaar, princesa!

Maar het is nooit goed of het deugt niet want er mag dan de laatste tien jaar een nieuw elan in de poëzie waarneembaar zijn geworden, je kunt je toch afvragen hoe het met de nabije toekomst van de poëzie zit. Oude terreinen waarop de dichtkunst zich vroeger bewoog, de didactiek, het maatschappelijk engagement, de propaganda, zijn allang door veel snellere media in bezit genomen. Zelfs hoogoplaaiende gevoelens, over liefde en dood, lijken tegenwoordig in beter beheer bij de film en de popmuziek. De dichtkunst lijkt daarnaast soms voornamelijk nog een zaak van boeiende hersenspinsels en interessante blikken.

Het is opmerkelijk dat poëzie bij spraakmakende jonge schrijvers van dit moment, bijvoorbeeld het clubje rond het tijdschrift Zoetermeer (Ronald Giphart, Rob Erkelens) of de bestrijders daarvan, zoals Arie Storm, zo weinig in aanzien staat. Kennelijk is er in het soort hyper-realisme dat zij beoefenen geen plaats voor het oude dichtwerk.

En dat terwijl de dichters zelf toch juist weer aansluiting lijken te zoeken bij de realiteit en de vaart van het bestaan op hun programma nemen. Zowel Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Pieter Boskma als Arjen Duinker verschenen de afgelopen tijd met gedichten die qua lengte niet voor Karel ende Elegast en 'Het uur U' onderdoen.

De eerder dit jaar overleden dichter Herman de Coninck brengt die trend, in de inleiding van zijn recent verschenen 'De 100 beste gedichten van 1996', voorzichtig in verband met de dikke boeken van prozaschrijvers, en met de gedachte dat je meer bladzijden nodig hebt naarmate de wereld ingewikkelder wordt.

Maar op andere gebieden lijkt de dichtkunst juist nogal immuun voor eigentijdse ontwikkelingen. Een jonge dichter als Peter Verhelst maakt in zijn werk dan wel gebruik van 'sample'-technieken, kennelijk ontleend aan de popmuziek, een andere jongeling, Serge van Duinhoven, probeert nogal vergeefs de poëzie over te halen tot een liaison met de 'rap'-muziek (vroeger waren muziek en poëzie één, zegt men, maar ze lijken intussen toch danig uit elkaar gegroeid). Maar het blijft bij eenmansondernemingen. En hoe zit het met de interactieve dichtkunst? Als er al activiteiten op dat gebied worden ontwikkeld dan weet de 'hogere' dichtkunst daar voorlopig nog niks van.

De dichtkunst van nu is wel vaak langademig, collage-achtig, vervuld van actualiteit en eigenzinnig, het korte compacte gedicht met de kernachtige gedachte lijkt even van de baan, maar voor een rigoureuze aansluiting op het computernet en de televisiekunst lijkt de laatste poëzie van deze eeuw toch nog iets te behoudend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden