De laatste erfgenaam

„De meeste mensen groeien op en gaan dan in de politiek”, zei een historicus eens. „De Kennedy’s gaan in de politiek en groeien dan op.” Edward Kennedy, de jongere broer van Joe, John en Robert, overleed gisteren.

Als een Kennedy spreekt, moet je opletten. Het kan zijn dat je geschiedenis meemaakt.

De manier bijvoorbeeld waarop Caroline Kennedy Schlossberg haar oom Teddy inleidde op de Democratische Conventie van vorig jaar deed vermoeden dat de bron van politiek talent waar de familie Kennedy al anderhalve eeuw uit put, nog niet opgedroogd is.

Edward Moore Kennedy, de 76-jarige, aan een kwaadaardige hersentumor lijdende senator voor de staat Massachusetts was tegen de verwachtingen in toch naar Denver gekomen. Dat daar de jonge, zwarte kandidaat Barack Obama gekozen ging worden en niet Hillary Clinton, was mede te danken aan de zegen die ’Teddy’ Kennedy over hem had uitgesproken.

Caroline Kennedy, 51 jaar, dochter van een vermoorde president, een vrouw zonder politieke ervaring, nam zelfbewust en rustig, zonder retorische uithalen, de redenen door waarom niet alleen aanhangers van Obama, en niet alleen inwoners van Massachusetts blij mochten zijn dat ze hem nog één keer zouden zien: „Als je niet langer een baan misloopt vanwege je ras, geslacht of handicap, of als je heb gemerkt dat het minimumloon dat je krijgt is gestegen, dan is Teddy jouw senator ook. Als je kinderen een zorgverzekering hebben, als je een verpleegster ziet in een buurtkliniek of als je verzekerd bent via Medicare, dan is Teddy jouw senator ook. (...) En als je achttien jaar bent en voor het eerst gaat stemmen – op Barack Obama natuurlijk – dan is Teddy jouw senator ook.”

Met tranen in de ogen onthaalden de congresgangers daarna de jongste telg van de Camelot-generatie, die niet lang meer bij hen zou zijn. Maar aan het vuur in zijn stem was dat niet te merken: „We hebben nooit het geloof verloren dat we geroepen zijn een beter land te zijn en een nieuwere wereld. En ik beloof jullie dat ik erbij zal zijn, januari volgend jaar in de zaal van de Senaat van de Verenigde Staten, wanneer we de grote krachtproef beginnen.”

Het politieke leven dat hij daarmee zo goed als afsloot, begon al bijna bij zijn geboorte. „De meeste mensen groeien op en gaan dan in de politiek”, zei historicus James Sterling Young eens. „De Kennedy’s gaan in de politiek en groeien dan op.”

Als jongste van de negen kinderen van Joseph Kennedy werd niet direct van hem verwacht dat hij zou schitteren in dienst van het land. Maar hij maakte mee hoe zijn vader eerst zijn oudste broer Joe klaarstoomde voor een politieke carrière en na diens dood als piloot in de Tweede Wereldoorlog zijn tweede broer John Fitzgerald. Hoe John in 1961 president werd en door moordenaarshand stierf. Hoe zijn broer Robert vijf jaar later ook doodgeschoten werd, terwijl hij de Democratische nominatie voor het presidentschap binnen handbereik had.

Daarna was hijzelf de patriarch van de Ierse, katholieke en door en door politieke dynastie die de Amerikanen bleef fascineren, ook al was hijzelf alleen maar senator en mislukte zijn enige poging om president te worden, in 1980, jammerlijk.

Die campagne, om te beginnen tegen zittend partijgenoot Jimmy Carter voor de Democratische nominatie, toonde de beperkingen aan van de Kennedy-mythe. Ja, het was een naam die de aandacht trok. „Als je gewoon Edward Moore had geheten, was je kandidatuur een lachertje geweest”, zei een Democratische concurrent voor zijn senaatszetel eens.

Maar nee, de naam garandeerde buiten Massachusetts niet de toewijding van het volk. Dat hoorde hem in een beroemd geworden tv-interview hakkelen en zwammen toen hij de eenvoudige vraag kreeg waarom hij eigenlijk president wilde worden.

Dat wist heel goed dat de jonge Edward van de prestigieuze Harvard-universiteit was geschopt omdat hij een ander het gevreesde tentamen Spaans had laten maken. Dat drank en vrouwen met wie hij niet getrouwd was een belangrijke rol in zijn leven speelden. En vooral: dat hij in 1969 met de auto van een brug af was gereden bij het eiland Chappaquiddick, waarbij een jonge campagnemedewerkster van zijn broer verdronk. Hij kon wel de auto uitkomen, zou geprobeerd hebben haar te redden en ging uiteindelijk hulp halen. Maar politie werd er pas tien uur later bij betrokken en de precieze toedracht is onduidelijk gebleven.

Sindsdien bepaalden twee woorden de uitersten van zijn bestaan: ’Chappaquiddick’ verhinderde dat hij ooit het hoogste ambt in het land zou bekleden, maar ’Kennedy’ voorkwam dat hij in de vergetelheid verzonk die hij misschien wel verdiende. Hij had in 1962, zodra hij de vereiste leeftijd van dertig jaar bereikte, de senaatszetel ’geërfd’ die John F. Kennedy bezette toen hij president werd en nooit heeft iemand iets wat ook maar leek op een succesvolle tegencampagne op poten kunnen zetten.

Maar dat was dan weer wel verdiend: in de op twee na langste zittingstijd die ooit iemand had in dat huis, bouwde hij een enorme reputatie op, en een unieke positie: hij was een door-en-door progressief politicus die toch prima zaken kon doen met rechts als hij kans zag een van de door hem nagestreefde sociale doelen te verwezenlijken. Terwijl Kennedy de oorlog in Irak bijtend uitmaakte voor een ’Texaans verzinsel’, deed hij bijvoorbeeld wel zaken met George W. Bush over onderwijs en het uitbreiden van de zorgverzekering voor ouderen.

Een hervorming van het zorgstelsel in de VS, dat nu miljoenen burgers onbeschermd laat tegen de torenhoge kosten die ziekte met zich mee kan brengen, was al zijn levenswerk, zei hij vaak, sinds zijn zoon in 1973 een been verloor als gevolg van kanker. Hij zou het zijn geweest die Barack Obama ervan overtuigde een zorgverzekering voor iedereen tot kern van zijn binnenlandse beleid te maken; tot zijn dood sleutelde hij aan een van de wetsontwerpen die zijn hartewens mogelijk moeten maken.

Een politicus die zo lang doorgaat en uiteindelijk in het harnas sterft, zou je van zelfoverschatting kunnen verdenken. Maar het heeft er alle schijn van dat Edward Kennedy’s overlijden een flinke klap is voor de strijd van Barack Obama voor een algemene zorgverzekering. Andere senatoren die over ideologische kloven heen durven springen om praktisch beleid te blijven maken, zijn kennelijk schaars.

En een Kennedy is er ook niet meer, voor het eerst in bijna 47 jaar. Dat had anders kunnen lopen. Toen verliezend kandidaat Hillary Clinton door Barack Obama tot minister van buitenlandse zaken werd verkoren, kwam haar senaatszetel voor New York vrij. De gouverneur van de staat mocht iemand benoemen en Caroline Kennedy, dochter van JFK, een van de sterren van de conventie in Denver, wilde wel.

Helaas: haar interviews wekten eerder spotlust dan dat ze indruk maakten, en na een ’kennismakingsronde’ door de staat trok ze haar kandidatuur weer in. Dat de vereerde oom Teddy zich voor haar inzette, legde niet voldoende gewicht in de schaal. Een Kennedy moet het voortaan op eigen kracht doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden