De laatste adem vangen

(Trouw)

Voor decorontwerper Marc Warning is liggend denken de beste houding om een toneelbeeld te verzinnen; maar wel hondsvermoeiend.

’Toen ik twaalf was, ging ik met een vriendje en z’n oom in een sportauto naar het ziekenhuis, waar een familielid op sterven lag. Daarna mochten we in een restaurant zoveel eten als we konden, terwijl hij dronk zoveel hij kon. Op de terugweg reed hij opeens de middenberm op, de motor viel uit. Toen die intense stilte* Alsof we met al die langsrazende auto’s in een cocon van verstilling zaten.”

Met vormgever Marc Warning (1955) praten over zijn vak betekent in een mum van tijd terechtkomen in alle mogelijke associatieve beelden en herinneringen. Zij voeden zijn ideeën over vormgeving, maar geven ook zijn intuïtieve invallen allengs betekenis.

De Porsche als cocon van verstilling is zó te verbinden met het toneelbeeld dat Warning ontwierp voor ’Ben ik al geboren?’, een toneelstuk van Gerardjan Rijnders waarin een vrouw door haar geheugen dwaalt. Ze ziet haar naasten, haar kinderen, maar kan geen contact met hen maken. Zij praten en bewegen onhoorbaar in een reusachtig transparant kussen, waar de vrouw omheen loopt.

Dat beeld vat prachtig het verschil samen tussen drukte en stilte, tussen horen en zien, tussen leven en dood.

„Ik wilde”, zegt Marc Warning, „haar laatste adem vangen. De vrouw in ’Ben ik al geboren?’ ligt op sterven. Het stoffelijke gaat naar beneden, het geestelijke omhoog. Het schijnt echt dat mensen tijdens het sterven boven zichzelf en de omgeving gaan zweven, en van alles kunnen zien, zoals pas een chirurg in een boek heeft beschreven.”

„Bij het luisteren naar de tekst krijg je als vanzelf zulke gedachten. In haar laatste ademtocht heeft de vrouw haar laatste herinneringen en gedachten. Dat plastic, de wand van het kussen, is een soort huid, de huid tussen haar en de nabestaanden. Een andere gedachte was: de meeste mensen sterven met het hoofd op een kussen. Vandaar die vorm.”

„Gerardjan had aanvankelijk in zijn hoofd een glazen huisje waar de vrouw, Sacha Bulthuis, omheen liep. Maar wat voor vorm ik ook verzon, het werd architectuur, design, en dat is in dit stuk niet aan de orde. Bovendien werd het, welk materiaal je ook koos, te zwaar. Te gevaarlijk voor de acteurs eronder.”

„Toen bedacht ik plastic, maar dan moest het absoluut een daarbij passende gewone, haast onbeduidende vorm hebben. Toch weegt het nog zo’n honderd kilo. Inmiddels waren we toen zeker al drie weken verder.”

„Ik lees een stuk zodanig, dat ik het alleen maar onderga. Als ik het dramaturgisch lees en analyseer, weet ik te veel om op mijn intuïtie te kunnen vertrouwen. Je moet de omstandigheden creëren dat je het goede verzint. Almaar zoeken, kijken in musea, praten met mensen, denken. Liefst liggend denken. Hondsvermoeiend. Dat merk je pas als je opstaat.”

„Toen ik dit had, wist ik zo zeker: dit is het, dat ik alleen dit idee heb gepresenteerd. Al heb ik alle vrijheid: Gerardjan wordt graag geprovoceerd. De eerste keer dat ik met hem werkte – bij ’Snaren’ in 2002: ik snapte niets van de snarentheorie – heb ik wel dertig dingen gepresenteerd. Zei hij ’nee’, dan veegde ik het radicaal van tafel. Wat overbleef, nog ruim twintig ideeën, kwam in de voorstelling. Zoals het begin: een zwart gat, toen een bordje NIETS, de N die viel en IETS ontstond. Simpele momenten van helderheid in een complexe materie.”

„Toen is voor mij echt een andere manier van denken begonnen. Eerder was dat enigszins ingezet in mijn samenwerking met Guy Cassiers bij het ro theater, wat meer te maken had met de videoprojecties, Guy’s vaste uitgangspunt.”

„In een lezing heb ik video vergeleken met een krijsende baby. Je kunt er niet omheen. Het is bepalend en beperkend. Het beeld ligt vast: de acteur moet zich ernaar gedragen en het toneel moet donker zijn, anders raakt het videobeeld belicht. Elke keer, zeker in de Proust-cyclus, ben ik het begrip video opnieuw gaan definiëren: waarom zou het scherm niet rond in plaats van vierkant kunnen zijn? Dan dwing je een eigen identiteit af. Voor pixels, waaruit videobeelden bestaan, bedacht ik een tegenhanger: ronde gekleurde schijven, die langs en door elkaar bewogen, zodat steeds nieuwe beelden ontstonden.”

Voor ’Keetje van Heilbron’ (toneelgroep Amsterdam 2004) ontwierp Warning zelfs een visueel schijvenspel, waarbij een vloerkleed in een wandkleed transformeerde. Waarmee hij voortborduurde op een eerder schijvenexperiment met een trekkenwand bij Cassiers: „Als ontwerper moet je een goed voorstellingsvermogen hebben. Ideeën zijn het belangrijkste. De techniek is er goddank om het te verwezenlijken. Bij vrijwel elk gezelschap zijn goede technici. Wil je een beheersbaar wolkje op toneel? Zij maken het.”

„Ontwerpen is gelieerd aan beeldende kunst, maar veel breder. Dat maakt het interessant. Dat je in het theater compromissen moet sluiten is lastig, maar ook een kader. Zo heb ik voor de rockopera ’Tommy’, waar je bij de repetities niet kon praten door de te harde muziek, een storyboard ontworpen. Zo kreeg het decor een eigen verhaal met een vanzelfsprekend te volgen ontwikkeling.

Dat Warnings vroege werk, bij Onafhankelijk Toneel, bij Carrousel, sterke associaties oproept met dat van theatermaker Jan Joris Lamers, blijkt niet toevallig: „Door Jan Joris ben ik bij toneel gekomen. Eind jaren zeventig ben ik de toneelschool binnengestapt omdat ik, als stage, een decor wilde ontwerpen. Jan Joris begeleidde er projecten. Kort daarna werd ik gevraagd om bij Onafhankelijk Toneel ’STIJL’, een voorstelling waarin de vormgeving een belangrijke rol speelde, mee te maken. Jan Joris’ manier van denken – reduceren, deduceren – is voor mij zeer waardevol gebleven.”

„Dat merk ik nog, als ik over de vormgeving voor een muziektheaterproductie van Michel van der Aa bedenk: een componist die zich zo bezighoudt met begrippen als tijd en tijdwaarneming is in feite een wiskundige. Zo’n insteek is dan bepalend voor het beeld. Of als ik voor een voorstelling over Mondriaan, ’Victory Boogie Woogie’, straks in maart, de kracht van die schilder kan laten zien: met één vlak, een ruit, waarin een verticale buis zakt, zie je de kracht van de compositie ontstaan.”

„Hoe je publiek in het kijkproces kunt betrekken, vind ik erg belangrijk. Zoals je in ’Ben ik al geboren?’, door het leeg laten lopen van het kussen, dat als een ruwe wolk boven de spelers blijft hangen, kunt laten zien: én hoe het gemaakt is én hoe je daarin kunt geloven.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden