De laag gemaakte landen

'Op de 26ste december verhief zich een vreselijke wervelwind, zodat de golven van de zee verre de grenzen en oevers overschreden en jammerlijk een ontelbare menigte mensen in de aangrenzende landgoederen en nederzettingen tezamen met de gebouwen wegnamen. Ook vlotten op zee werden vernield en men zag een vlam van vuur boven de gehele zee.'

Aldus de getuigenis van Gerwald te Gendt bij Nijmegen, van wat de zwaarste stormvloed van de negende eeuw zou blijken. Het jaar: 838. De getuigenis is terug te vinden in het standaardwerk van de geograaf J. Buisman, 'Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 1'.

Buisman maakt korte metten met de hardnekkige gedachte dat de Nederlanden voortdurend door water werden bedreigd omdat ze ver beneden zeeniveau lagen. Rond 800 lag het westen van Nederland vele meters bóven zeeniveau. De kustlijn lag kilometers verder naar het westen dan nu het geval is. En achter de duinen strekte zich een uitgebreid, hooggelegen veengebied uit.

Dat het westen tot ver beneden zeeniveau is gedaald is te wijten aan de mens. In de negende eeuw werd vanuit de duinstreken begonnen met het droogleggen van het veen om het geschikt te maken voor akkerbouw. ,,Het ingrijpen van de mens heeft Nederland kwetsbaar gemaakt”, zegt weerhistoricus Ad Vermaas, die een overzicht maakte van stormvloeden die Nederland hebben geteisterd.

Rond 800 had Nederland een gesloten kust van Vlaanderen tot en met Vlieland, met bescheiden zeearmen in het huidige Zeeland en enkele riviermondingen (zie kaart 1).

In de duinstrook was de mens veilig. Daar waren de nederzettingen. Hoewel ze met weinigen waren, zo'n tien per vierkante kilometer, groeide de bevolkingsdruk in de duinstreek. Er was behoefte aan voedsel en dus aan landbouwgrond. Men begon vanuit de duingebieden het uitgestrekte veen te ontginnen. Om het veen geschikt te maken voor akkerbouw moest het worden ontwaterd. Gevolg daarvan was dat het veen ging inklinken, waardoor er dieper ontwaterd moest, waardoor het veen verder inklonk.

De Hollandse bodem daalde met een meter per eeuw. Het veengebied werd kwetsbaar voor stormvloeden. Die deden zich dan ook regelmatig voor. Buisman wist in de historische bronnen niet minder dan vijf omvangrijke stormvloeden te traceren alleen al in de twaalfde eeuw.

Het aanzien van Nederland was tegen die tijd ingrijpend veranderd (zie kaart 2). De kustlijn was naar het oosten verschoven. Texel en Vlieland waren eilanden geworden. Van de kop van Noord-Holland restten alleen nog de eilandjes Callantsoog en Wieringen. West-Friesland had nog droge voeten, maar tussen Alkmaar en Amsterdam lag meer water dan land. In Zuidwest-Nederland waren de bescheiden zeearmen grote grijpers geworden, die tot ver landinwaarts reikten.

In die twaalfde eeuw werd ook de Zuiderzee geboren. Voordien was die het 'Almere', een meer dat alleen via een nauwe geul met de Noordzee in verbinding stond (zie kaart 1). Door het gat dat viel tussen Texel en Noord-Holland, drukte vanaf de twaalfde eeuw de Noordzee zich naar binnen.

De Zuiderzee was aanvankelijk ondiep en nog zoet. Maar door de getijdenwerking en stormvloeden werd die meer en meer een zee. In 1170 deed zich al zo'n grote stormvloed voor dat Utrecht kon genieten van eb en vloed en er binnen de stadsmuren wijting werd gevangen.

Vervolg op pagina 19

Vervolg van pagina 13

In de volgende eeuwen liet de zee zich steeds sterker voelen in het Zuiderzeegebied. Dat zorgde in de zestiende eeuw voor de 'Zuiderzeevloeden'. Bij Amsterdam deden zich dijkbreuken voor waardoor Holland tot aan de Oude Rijn overstroomde. Leiden lag tijdelijk aan zee.

De noordelijke provincies Friesland en Groningen bleven rampen lange tijd bespaard. ,,In het noorden woonde men op terpen. Voorzover zich overstromingen voordeden, eisten die minder slachtoffers'', zegt Vermaas. ,,Maar belangrijker was het feit dat de noordelijke kust bestond uit jonge zeeklei, niet uit veen. De ontginning leidde niet tot een ingrijpende bodemdaling, zoals aan de westkust.”

In de dertiende eeuw werd echter ook het noorden slachtoffer van omvangrijke rampen. Op 16 januari 1219 eiste de Marcellusvloed duizenden levens. Emo, de abt van de Premonstratenser abdij Floridus Hortus in Wittewierum getuigt: ,,En nadat de mensen ter verdediging van hun huizen tot aan zonsondergang en nog langer naarstig hadden gezwoegd en de woedende oceaan niet hadden gevreesd, week de wrede zuidwester, toen het tegen het uur van slapengaan al redelijk veilig scheen te zijn, terstond voor de nog veel wredere noordwester, de noordelijke buurman van de westenwind. En doordat de zee door de zuidwester tot aan de bodem in beweging was, sloeg hij over de dijk heen toen de noordwester aan kwam stormen, en hij verbreidde zich hevig kolkend en golvend als kokend water, en bedekte vooral de Friese Zeelanden (de kuststreek, red.), die werden overvallen als door de plotseling intredende dood.”

De Marcellusvloed werd in die dertiende eeuw nog overtroffen door de overstromingen in de winter van 1287-1288. Daarbij kwamen in de noordelijke provincies naar schatting 50 000 mensen om. Die winter, waarin zich ook de Dollard vormde, is daarmee de grootste watersnoodramp uit de Nederlandse geschiedenis.

Anders dan in Holland en Zeeland ging het in het noorden om natuurrampen in de ware zin van het woord, zegt Vermaas. Het water kwam niet binnenkolken omdat menselijk ingrijpen het gebied kwetsbaar hadden gemaakt, zoals in de westerse veengebieden was gebeurd.

Maar de enorme aantallen slachtoffers waren wel een gevolg van menselijk handelen. Vermaas: ,,In de noordelijke provincies breidden de kwelders zich steeds verder uit; de kustlijn schoof op in noordelijke richting. De mensen trokken steeds verder noordwaarts om de jonge zeeklei te benutten voor voedselproductie. Ze gingen daar niet op terpen wonen, maar probeerden hun huizen en bezittingen te beschermen middels dijken. Dat heeft de kwetsbaarheid voor stormvloeden vergroot.”

Er is sinds 800 geen eeuw voorbijgegaan zonder meerdere watersnoodrampen. De vernietigende stormvloeden werden een van Neerlands leven. In de vijftiende eeuw volgden er drie snel op elkaar: in 1404, 1421 en 1424, alle rond 19 november, die daarom de Sint-Elisabethsvloeden worden genoemd. Ze veranderden Zeeland in een groepje eilandjes en creëerden de Biesbosch.

In de daarop volgende eeuwen werden bijna beurtelings het noorden, het Zuiderzeegebied en het zuidwesten getroffen. De laatste Zuiderzeevloed was die van 1916. Die stormvloed zorgde ervoor dat de plannen voor een Afsluitdijk, die al op tafel lagen, ook ter hand werden genomen.

In de twintigste eeuw kreeg Nederland het idee het water onder controle te hebben, zegt Vermaas. Na de aanleg van de Afsluitdijk restte er nog maar één zwak punt: het zuidwesten. De stormvloedcommissie, die in 1939 door de regering was ingesteld, legde in een in 1944 gepubliceerd rapport de vinger op de zere plek: de Zeeuwse dijken waren te laag en bovendien verzwakt. De Duitsers hadden enkele dijken doorgestoken om een geallieerde invasie te voorkomen. Die dijken waren vervolgens provisorisch gerepareerd. Ook de bunkers die de Duitsers er bouwden, deden de structuur van de Zeeuwse dijken geen goed. En het vee dat aan de binnenzijde van de dijk graasde vertrapte de toch alle dunne kleilaag, waardoor de Zeeuwse dijken verder verzwakt werden.

Na het rapport van de Stormvloedcommissie kon iedereen op de hoogte zijn van de zorgwekkende toestand in Zeeland, zegt Vermaas. ,,Maar men had net na de oorlog andere dingen aan het hoofd.” Tijdens de zware noordwester storm van 1 maart 1949 ging het nog net goed. Vier jaar later ging het mis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden