De kunst van god-dienstig én menswaardig

De gebroeders Karl en Hugo Rahner uit het Zuid-Duitse Freiburg waren allebei jezuïet geworden. Beiden werden een autoriteit in hun eigen theologisch specialisme. Toen iemand eens aan Karl vroeg of hij soms een broer was van die beroemde pater Rahner, grapte hij snedig: nee, dat is mijn broer. Over Hugo gaat dezelfde anekdote. Als je nu in Innsbruck van de Hofburg de Universitütsstrasse inloopt steek je alras het Karl Rahnerplatz over, met de Jesuitenkirche. Voor Hugo kan er zelfs geen Gasse af; de Grote Winkler Prins noemt Hugo evenmin. Een speelse broedertwist over wie de grootste was, beslist door de geschiedenis. Maar ook Karl is, vijftien jaar na zijn dood, in vergetelheid.

Wie er oog voor heeft raadt het meteen goed: die markante, strenge kop - typisch een jezuïet. Karl Rahner specialiseerde zich na zijn priesterstudie eerst in de filosofie (o.a. bij Heidegger), later in de theologie; zijn leven lang toefde hij graag in het grensgebied van beide disciplines. De Tweede Wereldoorlog en het Gauverbot voor de jezuïeten verhinderden dat de net-klaargestoomde jonge doctor meteen als theologieprof in Innsbruck aan het werk ging. Hij bracht die jaren noodgedwongen door in meer pastorale arbeid in Wenen. Lichtvoetig en populariserend is het rahnerische denken en schrijven daar niet van geworden, maar de wending naar de mens en diens vragen en noden, in Wenen geleerd, is het watermerk geworden van zijn theologie; het is na te lezen in zijn wel 2000 artikelen, verzameld in vijftien turven Schriften zur Theologie.

Gepokt en gemazeld was Rahner in het denken van Thomas van Aquino, maar dan in de variant die deze middeleeuwer probeerde te verbinden met latere denkers - Descartes, Kant, Hegel. Voor Rahner was het de prangende vraag hoe de moderne mens toegankelijk kon zijn voor Gods openbaring, hoe een mens Hörer des Wortes (titel van een van zijn hoofdwerken) kan worden. Nog anders: hoe kan de kerk in hemelsnaam de haar toevertrouwde Boodschap kwijt in een zo seculier geworden, agnostische wereld, met zoveel meningen? Hoe kan de kerk god-dienstig én mens-waardig zijn? 'Enkel door genade', het klassieke protestantse antwoord, was voor Rahner onvoldoende.

Rahner keerde de theologie van eeuwige, absolute waarheden naar de mens in deze wereld; precies voor die wending waren in de jaren zestig de geesten van het Vaticaans concilie rijp. Meest indirect, vooral via zijn vriend en leeftijdgenoot kardinaal Frans König, aartsbisschop van Wenen (de enige nog levende 'zware jongen' van het concilie), maar ook via oud-studenten ter plekke heeft Rahner het concilie beïnvloed, ondanks het tegenstribbelen van de Vaticaanse curie, zijn Nederlandse ordebroeder S. Tromp en de legendarische kardinaal Ottaviani voorop. Nog altijd schilderen hun nazaten het concilie af als de grootste ramp in de kerkgeschiedenis sinds de Reformatie, groter nog, omdat dit keer de ketters ín de kerk bleven en de macht grepen. Rahner is in hun ogen de gruwel der kerkverwoesting in persoon ofwel een knappe theoloog die het dynamiet uitvond dat anderen onder de kerk plaatsten.

Wat daarvan zij, macht of hoge posten in de kerk heeft Rahner nooit gezocht. Hij bleef man van de reflectie. De eervolle Guardini-leerstoel in München zegde hij na luttele jaren weer vaarwel, omdat ze hem er geen promoties lieten doen. Dan maar een leerstoel van minder glamour maar mét promoties: de laatste jaren tot zijn emeritaat in 1971 doceerde hij in Münster. Als geen ander heeft hij zijn Nachwuchs links en rechts in de rk kerk. Van kardinaal Ratzinger (op de stoel van dezelfde Ottaviani) en tal van andere Duitse bisschoppen, tot vicaris dr. H. van der Meer in Roermond, en Hans Küng en anderen die met dank aan hun meester eigen wegen gingen.

Prof. Peter Jonkers doceert filosofie aan de Katholieke theologische universiteit Utrecht. Hij betreurt wel dat Rahner wat 'uit' is geraakt. Bij theologen vandaag zie je niet meer zo vaak dat zij de grote vragen van de filosofie van hun tijd helemaal mee willen voltrekken, zoals Rahner deed. Hij was een geleerde, maar geen omgevallen boekenkast, verzekert Jonkers. De spanning tussen waarheid en pluriformiteit, tussen dogma en relativiteit is bij Rahner altijd een spanning gebleven. Hij heeft het dogma nooit verabsoluteerd, zoals nu weer een tendens is, maar evenmin heeft hij 'waarheid' zo gerelativeerd dat zij vrijwel verdampte - ook een tendens van nu. Jonkers is niet per se een adept van Rahner, maar hij is wel een criticus van stromingen die ,,alles wel interessant vinden, maar niets echt de moeite waard''. En bij alle postmodernistisch ongeloof in grote, absolute antwoorden ziet Jonkers met Rahner de zin van de gedreven zoektocht naar 'Waarheid'.

Rahner was er innerlijk van overtuigd dat er buiten de muren van zijn kerk, ja zelfs buiten het christendom 'heil' te vinden was, al leert de kerk vanouds het tegendeel. Hij lanceerde ter oplossing van dat dilemma ooit de notie van de anonieme christen. Niet iedereen was daarvan gecharmeerd. Jonkers gelooft niet dat Rahner op die manier poogde mensen die dat helemaal niet wilden bij zijn eigen kerk in te lijven. Rahner meende dat het de mens niet toekomt uit te maken hoe en waar en onder wie God al dan niet werkzaam is.

Nog een andere zinsnede van Rahner maakt nu weer furore: ,,De christen van de volgende eeuw zal een mystieke christen zijn of hij zal niet zijn.'' 'Mystiek' was trouwens meer het vakgebied van broer Hugo, maar Karl wist en beleefde zelf dat het christelijk geloof vanouds de twee componenten heeft: mystiek én ethiek, bidden én werken, spiritualiteit én engagement. Vroomheid los loopt het gevaar van de bedwelming, waar Marx zo tegen was. Alleen maar ethiek, anderzijds, holt op den duur het christendom uit. Jonkers hoort in Rahners woorden een waarschuwing tegen die uitholling in de jaren zeventig.

Tegen het einde van zijn leven, toen hij wellicht samen met Edw. Schillebeeckx de beroemdste katholieke theoloog op aarde was, vroeg Rahner zich vol twijfel af of zijn opdracht wel vervuld was. Hoe kon in deze tijd een mens de verborgen God leren kennen en ervaren? Wat hadden al die knappe boeken van hem daartoe bijgedragen? Rahner schrijft dan over de rol van de dichter. Niet aan de priester, niet aan de godgeleerde, maar aan de dichter is dat geheime woord van de oorsprong toevertrouwd. En de kerk moet het hebben van de dichters, ook van die buiten haar muren, gelooft hij. Van de grote gaven van de Geest miste Rahner die der poëzie, maar niet die van wijsheid om dat in te zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden