De kroonprins van Moerman

Een huisarts op het platteland die zich begaf in de bestrijding van kanker – en die dus te maken kreeg met een harde territoriumstrijd.

Lang voordat het Voedingscentrum de burger begon te vertellen dat het goed is om een keer of twee per week vette vis te eten, deden ze dat bij dokter Ronhaar thuis al en raadde hij het zijn patiënten ook aan. Zilvervliesrijst en stevig volkorenbrood, niet dat slappe witte, daar waren ze ook van.

Voor Albert Ronhaar stond het als een paal boven water: er is een verband tussen voeding en gezondheid. Maar, ook tussen een goed leven en gezondheid, vond hij. Zodat hij op z’n tijd ook van taart en koek hield, en van een glas, en van een sigaartje.

Die sigaar had hij gemeen met de arts die, begin jaren zeventig, zijn belangstelling had gewekt voor het verband tussen voeding en ziekte: Moerman. Albert Ronhaar zou gedurende jaren ’de kroonprins van Moerman’ worden genoemd.

Vroeger thuis was Albert Ronhaar het voorlaatste kind, en het enige dat ging studeren. De drie broers en twee zussen niet. Hun vader was meubelmaker in Hengelo. Toen de oudere kinderen aan vervolgonderwijs toe waren, was daar geen geld voor. Toen Albert eraan toe was, was het geld er wel, maar aarzelde zijn vader: was dat nou wel eerlijk? Alberts onderwijzer bemoeide zich ermee en zei dat je altijd het maximale moest doen, en dat dat maximale nu iets anders was dan destijds. Zo kwam het dat Albert Ronhaar naar de mulo kon, later naar de hbs en nog later, met financiële steun van de vader van een vriend, naar de universiteit. Om dokter te worden.

Hij had al een gezin voordat hij arts was: hij trouwde in 1948 met Stiny Jonkman en ze kregen hun eerste twee kinderen voor hij, begin jaren vijftig, zijn artsexamen deed. Er zouden er nog zes volgen. Hij werd huisarts in De Krim, een veendorp vlakbij het drielandenpunt van Drenthe, Overijssel en Duitsland. Hij was plattelandsarts met een apotheek aan huis, waar zijn vrouw de assistente was.

Albert Ronhaar was huisarts in hart en nieren; hij hield niet van ziekenhuizen. Maar toch knaagde er iets: het bevredigde zijn nieuwsgierigheid te weinig en hij zocht naar meer. Hij rook een kans, iets erg interessants, toen zich begin jaren zeventig een patiënt bij hem meldde die de diagnose ’kanker’ had gekregen, die het hele eind naar Vlaardingen was gereisd om zich te laten bekijken door een zekere dokter Moerman, en die van diens voedingsadviezen erg was opgeknapt. Daar wilde Ronhaar meer van weten.

Hij reed op een zondag in zijn Citroën DS naar Vlaardingen en belde bij Moerman aan. Die had geen zin om onaangekondigd bezoek te ontvangen, en evenmin om zijn geheimen te delen. Maar Ronhaar zette zijn voet tussen de deur en wist Moermans vertrouwen te wekken. Maandenlang reed Ronhaar elke zaterdag opnieuw naar Vlaardingen.

Begin jaren zeventig timmerde Moerman (1893-1988) al een paar decennia aan de weg. In de jaren dertig, experimenterend met zijn duiven, meende hij ontdekt te hebben dat dieren die gezond voer kregen nooit kanker ontwikkelden. Moerman trok er de conclusie uit dat kanker geen plaatselijke ziekte is, maar een gebreksziekte van het hele lichaam: een kwestie van een ontspoorde stofwisseling. Die kon je weer in orde krijgen als je verstandig at. Geen vlees, maar wel veel groente. Geen wit meel en geen witte suiker, maar wel karnemelk, roomboter en jonge kaas, volkorenbrood en haver. En geen koffie, maar veel citroen- en sinasappelsap en sap van rode bieten. Niet alleen zou je kanker zo kunnen voorkomen, je kon er zelfs van genezen als je het eenmaal had.

De reguliere medische wereld reageerde vooral op die laatste claim als gestoken, en toen Ronhaar behalve huisarts ook ’Moerman-arts’ werd kreeg ook hij zijn portie klappen. ’s Ochtends was hij huisarts, ’s middags en op zaterdag ontving hij kankerpatiënten. Voor een eerste consult trok hij een uur uit; dat gaf patiënten, die vaak al een hele tocht door het medische circuit achter de rug hadden, het gevoel dat ze bij een toegewijde, aandachtige arts beland waren.

Voor Ronhaar zelf was dit werk veel boeiender, maar het kwam hem ook te staan op pek en veren van de reguliere collega’s. Onder Moerman-artsen was Ronhaar er een met de betere resultaten: „Jij práát er de kanker uit!”, zeiden ze tegen hem. Bij reguliere artsen kon hij net zo min als Moerman enig goed doen.

Claimde Ronhaar dat een patiënt met dieet en vitamines was genezen, dan zeiden de reguliere collega’s ofwel terug dat die patiënt vermoedelijk toch geen kanker had gehad, of spontaan was genezen, of dat de reguliere behandeling met wat vertraging kennelijk toch had gewerkt. Van uitwisseling van patiëntgegevens kon geen sprake zijn. Dat maakte het er niet eenvoudiger op om statistisch bewijs te leveren dat Moermantherapie werkte.

Albert Ronhaar heeft diverse malen voor de rechter gestaan, soms in zaken met een zeker spijker op laag watergehalte. Niet zijn geneeskunde, maar de inhoud van zijn apotheek lag dan onder vuur. In 1979 zwengelde de Inspectie voor de Gezondheidszorg een rechtszaak tegen hem aan omdat hij er geneesmiddelen op voorraad hield die in Nederland niet (maar in Duitsland wel) geregistreerd waren. Het ging, zegt Ronhaars getuige à decharge van toen, collega H.C. Moolenburgh, om een homeopathisch antikankermedicijn als carcinocine, om vitamines, om pancreasenzymen. Dat Ronhaar in de rechtszaal met patiënten op de proppen kwam die genezen waren deed er volgens de aanklager niets toe.

Gebrek aan nieuwsgierigheid, vond Ronhaar daarvan. Dat hij later over enkele kankerpatiënten geen overleg had gevoerd met oncologen, maar wel hun specialistische middelen had voorgeschreven, werd hem zwaar aangerekend.

De rechtszaken slokten Albert Ronhaar op. De harde territoriumstrijd tussen artsen die het zoeken in operaties, bestraling en chemotherapie („staal, straal en kaal”) met de aanhangers van dieet en supplementen („kwakzalvers”) maakte hem vurig, argumenteerderig. Thuis zat hij soms hardop voor te lezen wat er nu weer was geschreven.

Als huisarts stopte hij toen hij 65 was, maar als Moerman-arts ging hij door tot z’n 83ste, al werkte hij toen nog maar een dagdeel per week. Hij volgde na z’n pensionering alsnog de opleiding tot homeopaat en las alles over orthomoleculaire geneeskunde, de medische variant die het zoekt in vitamines en mineralen. Jaren eerder was hij samen met Moerman al eens in de VS bij de grondlegger ervan, Linus Pauling, langsgegaan.

Omdat zijn gezondheid minder werd, stopte hij helemaal met werken. Daarna ging het snel achteruit. Hij had last van hartfalen, al wilde hij daar eerst niet aan. Maar op de ochtend van de dag dat hij zou overlijden zei hij dat zijn laatste uren waren ingegaan. Aan de zoon die arts was geworden vroeg hij om goed te letten op een huidkwaaltje van z’n vrouw. Ze moest er een betere zalf voor krijgen. Die huisartsen van tegenwoordig, die wisten er zo weinig van.

Albert Ronhaar werd op 1 mei 1924 in Hengelo (Ov.) geboren. Hij is op 7 maart 2009 overleden in De Krim.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden