De kroning van de Czar

“Morgen verlaat ik Broussa weer. Helaas nadert ook het einde van mijn reis. 't Zal zoo lang niet meer duren of we kunnen weer samen 'n Kalverstraatje maken. De volgende week neem ik de boot.”

De briefschrijver, Marius Bauer, zal, denkend aan zijn terugkeer in Amsterdam, en mijmerend in het Turkse stadje in de buurt van Constantinopel, niet bevroed hebben dat zijn brieven en schetsen in het weekblad De Kroniek, zo veel pennen en tongen hadden losgemaakt. Het zal een hele lange Kalverstraat zijn geweest die Bauer heen en weer wandelde in de zomer van 1896, in druk gesprek met zijn vriend en opdrachtgever Pieter Lodewijk Tak, oprichter van het tijdschrift.

Broussa was de laatste pleisterplaats op een reis die begin mei 1896 via Berlijn eerst naar Moskou voerde. Daar lag het eigenlijke doel: verslag te doen in tekst en tekening van de feestelijkheden rond de kroning van Nicolaas Romanov tot Czar aller Russen. Op 26 mei zou die plechtigheid plaatsvinden in het Kremlin. Die Nicolaas was de tsaar die in 1918 met zijn gezin en enkele getrouwen in een achteraf-stadje tegen de Russisch-Siberische grens roemloos werd neergemaaid door de revolutionairen van Lenin die kort tevoren de macht hadden overgenomen in Sint Petersburg. Hoe goed kennen we dat verhaal, recent weer helemaal opgerakeld toen het onderzoek naar die moordpartij onder meer uitmondde in het opgraven van de resterende beenderen. Het verhaal van het glorieuze begin bleef onopgemerkt.

Ongetwijfeld zullen kranten en geillustreerde tijdschriften het verhaal van die kroning hebben geleverd. Maar uniek moet het initiatief van hoofdredacteur Tak worden genoemd om een tekenaar-schilder, ook vaardig met de schrijfpen, derwaarts te sturen om over de half westerse, half oosterse gebeurtenissen brieven te schrijven, verlucht met snel geschetste sfeerbeelden. Uniek ook omdat De Kroniek behoorde tot de kringen van de opkomende sociaal-democratische beweging in Nederland, bepaald geen vriend van het totalitaire, volk-onderdrukkende tsarenbewind.

Had Tak een kritischer instelling verwacht van zijn 29-jarige gelegenheids-verslaggever, van wie eerder een kritische tekening in De Kroniek was verschenen? Of was Tak nog niet zover in het doorzien van het duivelse kwaad als zijn medestanders, met als prominente spreekbuis de zeer bewuste literator/publicist Frank van der Goes?

In een soort verantwoording achteraf probeerde Tak een draai te geven aan de wijze waarop 'het kunstenaarsoog van den heer Bauer, die thans al de heerlijkheden van Moskou aanschouwt, wordt getroffen door de pracht en schittering der kleuren van al den kostbaren toestel die de uiterlijke glans is van het Czarendom. Gelijk de kunstenaar geniet van de kleurenpracht dezer maskerade van twee werelddelen, zo worden ook de zinnen des volks, zo ontvankelijk voor het opnamen van schoonheidsindrukken, er door gestreeld, en, beneveld van kleur en gedruis, viert het blijde mee de kroning van de Meester.''

Maar Tak voelde goed aan dat achter de maskerade de bittere werkelijkheid schuil ging van uitbuiting van het volk, harde onderdrukking van de minste kritiek met als ultieme afstraffing verbanning naar vreselijke kampen in Siberië. “Houdt gij het voor gewenst, Rusland belangrijk te maken als de gruwelkamer van Europa?”, zo had Frederik van Eeden in augustus 1890 al geschreven in een open brief 'Aan de keizer aller Russen', afgedrukt in De Nieuwe Gids. En dat was niet het enige polemische geschrift dat rond 1890 in het tijdschrift van en voor jonge intellectuelen en kunstenaars werd afgedrukt over de ontwikkeling van de samenleving in verhouding tot de staatsmacht en de rol die de kunst daarin speelde.

De keizer die Van Eeden statig aanschreef met 'Sire' was Alexander III. Geen zachtzinnig heerser; altijd bedacht op aanslagen (zijn vader was in 1881 door een bom om het leven gebracht) hield hij het regime strak in de hand. Dat hij op 1 november 1894 op natuurlijke wijze de laatste adem had uitgeblazen, mag achteraf verbazing wekken, want zelfs in het keurige Nederland verheugden de socialisten en pré-communisten zich op diens geweldadige dood.

Ook in De Nieuwe Gids, een tijdschrift voor meer dan alleen maar schone verzen van dichters die zich een 'god in het diepst van hun gedachten' waanden, gaf Frank van der Goes in 1891 van die gezindheid blijk in een artikel dat 'Het koningschap in Nederland' heette.

Dat was een actueel onderwerp want een jaar eerder was koning Willem III gestorven en opgevolgd 'door een vriendelijk vrouwtje met lieve woordjes en een meisje met korte rokjes', zoals Van der Goes spottend schreef. Uit zijn tekst sprak stevige ontevredenheid over het feit dat in Nederland het denkende deel van de natie zich totaal niet druk maakte over een monarchie die al sedert 1848 volgens Van der Goes geen koning meer kende, aangezien Thorbecke was opgetreden als 'de Hollandse koningsmoordenaar'.

Hij schrijft dan: “De Keizer van Rusland, ook nog de Keizer van Duitsland, daaraan is houvast, men weet wie men voorheeft, hun macht de te denken is de plicht van wie een moker kan hanteren. Hamer of aambeeld is daar de keus en de keuze is niet moeilijk. Zo denkt het gehele revolutionaire Rusland, de Keizer moet noodzakelijk worden gedood, hij is een schadelijk man en alleen de dood kan hem onschadelijk maken.”

In die sfeer van geestelijke gisting in jaren negentig van de vorige eeuw werden de reisbrieven van Marius Bauer over De Kroning van de Czar verafschuwd door Frank van der Goes en Frederik van Eeden maar juist met genoegen genoten door de componist Alphons Diepenbrock en de schrijver Lodewijk van Deyssel.

Alleen al de aanblik van het Kremlin op een avond in de dagen vóór de eigenlijke kroning, maakte Marius Bauer al dronken. “De lucht was helder en bij het licht der sterren stonden daar geheimzinnig en groots de witte kerken, in matgouden glans fonkelden de koepels.”

Een dag later, 21 mei (de brieven werden met een vertraging van ongeveer twee weken geplaatst in De Kroniek) maakte Bauer de intocht van Nicolaas en zijn gevolg mee.

“Nog dreunt het in mijn hoofd, het gelui der klokken; nog woelt er een stroom van goud en zilver voor mijn ogen; nog zie ik dien keizer temidden van de golvende kleurenpracht, toen die duizenden en duizenden mensen het hoofd ontblootten en uit die duizenden kelen het Heil den Keizer klonk.” De stoet van koetsen, paarden, soldaten en kozakken beschrijvend: “'t Is een drom van kleuren, van geel en purper, van roze en goud en groen en paars en violet, de schabrakken en tuigen der paarden zijn van zilver en goud, 't is een gefonkel van edelgesteenten, 't is een stoet van sultans en zo ontzachelijk mooi, dat het haast geen werkelijkheid meer lijkt. Vorstelijk de vorst die zulk een stoet van oosterse weelde voor zich uitzendt!” Hij besloot die aflevering met de verzuchting: “Is er wel 'één vorst op aarde, die zo veel praal ten toon kan stellen, en als je dan denkt aan al die weelde die er nog is in die kerken en schatkamers en in de paleizen, als je je voorstelt hoe veel rijker 't nog zijn zal bij de kroning, krijg je dan niet een gevoel van dankbaarheid en eerbied? Ik tenminste heb gejuicht voor de man, die de wereld zo'n schouwspel biedt!”

Dat was gans andere taal dan het 'de keizer is een schadelijk man' van Van der Goes!

Bauer had overigens wel oog voor de andere kant van de glanzende medaille, want hij beschreef nauwkeurig de draconische maatregelen die waren getroffen om aanslagen te voorkomen. “Vensters van de straat af bereikbaar, moeten worden dichtgespijkerd. Ook is het ten strengste verboden op straat stokken of parapluies mee te nemen of pakjes in de hand te hebben.”

Hij meldde ook, in een brief gedateerd 1 juni, dat er zo'n 3000 mensen waren doodgetrapt en gedrukt toen aan ongeveer een half miljoen mensen “een aardig versierde beker, gevuld met noten en bonbons, zou worden uitgereikt, benevens een worst en een broodje waar het keizerlijk wapen op gebakken is.” Zijn gedetailleerd relaas over het geschreeuw, gesteun en al het bloed, sloot hij af met: “Gelukkig heb ik van dit alles niets gezien.”

Wat hij wel met zijn ogen indronk, was de sfeer binnen de muren van het Kremlin vóór, tijdens en na de kroning. “Waar ik keek, overal blonk het goud en glansden de kleuren van satijn en fluweel, en al maar door golfde een stroom van kleuren die trap af. Combineer in je verbeelding de kleurigste zijden en brocaten stoffen en witte veren en paarlen en stenen, hang die over de blanke schouders der mooiste vrouwenen tracht je een beeld te vormen van die schitte

rende stoet en tussen dat alles de fonkelende kurassiers der garde, de gouden rokken der lakeien, de ceremoniemeesters met de gouden staven. En dan kijk ik om me heen en zie ik die witte en roze gebouwen, met gouden koepels, die het kleurige plein weerspiegelen.''

En dan, na vele beschrijvingen, is er de tsaar. Bauer moet er dicht bij hebben gestaan want hij beschreef gedetailleerd èn geschokt: “Vlak voor mij, schommelde, temidden van een wolk van goud en pluimen, de grote hemel aan, boven de gouden rand trilden de bossen veren, en te midden van een drom van dragers, naast de keizerin die schitterde van zilver en paarlen, liep, neen, waggelde de jonge keizer, het vaalbleke smalle gelaat onder de enorme diamanten kroon, de schitterende scepter en appel tegen de borst geklemd, de schouder gebukt onder het gewicht van hermelijn. Het was vreselijk om te zien, het was geen vorst bewust van zijn majesteit die zich koninklijk aan zijn volk vertoonde, het was een man niet alleen gebogen onder de last van goud en juwelen, maar tevens onder het nog zwaarder juk van zijn ontzachelijk rijk.”

In 1918 maakten droge geweerschoten in een miezerige kelder korte metten met de drager van dat juk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden