De kriebel achter onze botten

Schrijfster van beteugelde hartstocht, maar ook van verhalen die een zoektocht zijn naar de manier waarop verhalen verteld moeten worden: Doeschka Meijsing was een van de belangrijkste Nederlandse auteurs van de afgelopen decennia. Maandag eindigde haar zoeken definitief.

Voor velen volstrekt onverwacht overleed eergisteren op 64-jarige leeftijd aan de complicaties van een zware operatie de schrijfster Doeschka Meijsing, auteur van diverse bekroonde boeken en een van de belangrijkste Nederlandse schrijfsters van de afgelopen decennia.

Doeschka Meijsing, afkomstig uit de gegoede burgerij van Haarlem, en oudere zuster van de schrijver Geerten-Maria Meijsing, debuteerde op jeugdige leeftijd in 1969 in het tijdschrift Podium. In 1974 verscheen haar debuut 'De hanen en andere verhalen', waarmee ze zich schaarde onder de schrijvers rond het blad De Revisor, waarover de journalist Jan Brokken in een geruchtmakend Haagse Post-artikel schreef: 'Het akademisme in de literatuur. Matsier, Meijsing, Kooiman en Kellendonk op zoek naar een methode.' Niet zomaar een verhaal vertellen maar zich afvragen hóe je een verhaal moet vertellen.

Het werk van deze academisten, en dus ook van Doeschka Meijsing, werd van meet af aan in verband gebracht met een soort skepsis, die ontstaan zou zijn met het wegvloeien van de grote ideologieën; zij zouden op zoek zijn naar een nieuwe methode om niet zozeer spontane alswel geconstrueerde literatuur te schrijven, in de geest van de grote buitenlandse schrijver Jorge Luis Borges en Vladimir Nabokov.

Dat alles kunnen we laten voor wat het is om te constateren dat in Meijsings werk weliswaar de aloude problematische relatie tussen werkelijkheid en verbeelding steeds onderhanden wordt genomen, maar dat ze er toch een heel persoonlijke invulling aan gaf. In bijvoorbeeld het verhaal 'De gemeenschap der heiligen' uit haar debuutbundel komt haar katholieke achtergrond als volgt ter sprake: 'Natuurlijk zijn wij allemaal zondig. Maar waarom zou je het liefste wat je bezit af moeten staan om later te kunnen delen in de heerlijkheid van de hemel?'

Ook in latere boeken schemerde door de geconstrueerde verbeeldingen heen vaak een autobiografische kern. 'Robinson' uit 1976, een boek dat indertijd veelvuldig op eindexamenlijsten prijkte, gaat over een meisje dat de wereld probeert te leren kennen via boeken als Robinson Crusoe en Moby Dick, en door middel van liedjes en anekdotes. Maar pasklare recepten geven die bronnen haar niet, aan het eind van het verhaal staat de zeventienjarige scholiere alleen met haar verdriet en eenzaamheid.

'Tijger, Tijger!' (1980), naar het befaamde gedicht van William Blake, heeft een fragmentarische structuur en bestaat uit brieven, verhalen, schetsen, gesprekken, verschillende genres waarin de hoofdpersoon opnieuw op zoek is naar eenheid en structuur. Oftewel, ondanks het intelligente en rationele karakter van haar boeken, zoeken Meijsings hoofdpersonen eigenlijk naar levensvervulling en een manier om met het menselijk tekort om te gaan. De conclusie is meestal dat de mens moet zien om te gaan met zijn existentiële eenzaamheid.

Veel van Meijsings romans en verhalen gaan over vriendschap en relaties. 'In Utopia of de geschiedenissen van Thomas' (1982), vertellen de protagonisten, de ik-persoon en Thomas, bewerkers van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, elkaar naar aanleiding van woorden en begrippen verhalen, schijnbaar vooral over de dood, maar in feite over gedachten en ideeën waarmee ze elkaar bezighouden.

Een bijzondere variant op het thema vriendschap vormt dan weer de roman 'Beste vriend' uit 1996 over een vrouw en haar hond. Eigenlijk is de hoofdpersoon koortsachtig op zoek naar een man, maar als ze die niet vindt heeft ze in elk geval haar trouwe viervoeter. Hier leren we vooral de ironische en filosofische Meijsing kennen: 'Hoe steekt de zaak nu eigenlijk in elkaar? Het is niet moeilijk maar je moet een spanne tijds kunnen overzien en daarbinnen al het overbodige weglaten, alles wat afleidt en verstrooit. Vervolgens moet je stap voor stap nemen en je vooral niet haasten of ergens te vlug willen zijn. Alles gaat fout als je ongeduldig of begerig wordt (Of 'brandend van verlangen', zoals ze op het toneel zeggen.)

'Maar daarin schuilt nu juist de moeilijkheid. Immers, zodra we iets gewaarworden dat de deur naar de herkenning (herinnering, zegt Socrates) openzet, lijkt het ons wel of we door die poort heen moeten. Of we niet meer gelukkig en eenvoudig kunnen zijn, we ons niet meer kunnen schikken in de dagelijkse gang van zaken, die ons toch van evenwicht verzekert. Nee, we gaan rennen en schreeuwen en wilde gebaren maken en voelen een opwindende kriebel achter onze botten.' Het is een paradox die eigenlijk haar hele werk kenmerkt, gevoelde hartstocht en rationele beteugeling ervan. Ook in de paar gedichten van haar hand en een aantal essays geeft ze blijk almaar naar een balans te zoeken tussen gevoel en verstand.

Misschien wel haar meest uitgesproken en spraakmakende boek dienaangaande is de roman 'Over de liefde' uit 2008, zichtbaar verwijzend naar Stendhals beroemde gelijknamige studie over de liefde, waarvoor ze liefst drie prijzen incasseerde, waaronder de AKO-literatuurprijs. Het verhaal is zichtbaar gebaseerd op Meijsings stukgelopen relatie met de journaliste Xandra Schutte, die haar had verlaten voor een man met wie ze een kind kreeg. De geschiedenis balanceert prachtig tussen bitterheid en aanvaarding. De vrees dat het boek een soort afrekening in het lesbische milieu zou zijn, wordt niet bewaarheid. Daarvoor is de grommerige Pip zich te zeer bewust van zichzelf en het feit dat ze zich in feite schaamt voor haar verlies. Opmerkelijk genoeg wordt ook de homoseksuele liefde in een enigszins schril daglicht gezet, zoals dat eerder gebeurde in de roman 'Mystiek lichaam' van Meijsings geestverwant Frans Kellendonk: 'Maar waarom liep het altijd uit op een imitatie, een imitatie over the top ook nog eens? Ik had bedacht dat het was omdat de homoseksuele mens nu eenmaal, aangezien zij zich niet voortplant, de taak heeft de versiering van de schepping te zijn, het broodnodige overbodige.'

Doeschka Meijsing was een schrijfster van boeiende, wijze romans over relaties, waarin ze zocht naar een eigen plek in de wereld, zoals in 'De weg naar Caviano' (1996) waarin ze zich vereenzelvigt met een hond: 'Op het ene moment denk je dat je nooit meer ergens bij hoort, dat je je hele leven lang in het hondencachot moet verblijven zonder te mogen springen en likken naar believen - en het volgende ogenblik gaat de deur open en is daar je lieve bazin.' Naar zo'n 'lieve bazin' bleef ze in al haar romans zoeken, in het besef dat je het ook zonder moet kunnen stellen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden