De krant, de commercie en de lezer

Het werd begin van deze maand zakelijk gemeld en met gelatenheid aanvaard: vier van de belangrijkste dagbladen komen in handen van een Britse investeringsmaatschappij: NRC Handelsblad, de Volkskrant, Trouw en het Algemeen Dagblad. De kop in NRC Handelsblad, over de volle breedte van de pagina, was bijna pijnlijk onderkoeld: 'Herschikking van het krantenlandschap'. De Brits-Amerikaanse investeerder Apax heeft in het Nederlandse uitgeversconcern PCM 65 procent van de aandelen verworven en krijgt daarmee een beslissende stem in de toekomstplannen van een goed deel van de Nederlandse dagbladpers. Welke gevolgen dit zal hebben voor de diverse dagbladen en met name voor het verlieslatende Trouw moet worden afgewacht. De redacties hebben vooralsnog bedachtzaam gereageerd.

Dat is wel eens anders geweest. Het plan tot samenbrengen van de vier kranten (plus Het Parool) onder een Nederlandse uitgeverscombinatie leidde eind 1988 tot een zodanige weerstand dat de Nederlandse Dagblad Unie (NRC Handelsblad en Algemeen Dagblad) en de Perscombinatie (de Volkskrant, Trouw en Het Parool) hun fusievoornemen moesten opgeven. In 1995 lukte de opzet alsnog en ontstond het huidige PCM-concern, zonder veel verzet en zelfs met enig enthousiasme bij de advertentie-afdelingen.

Het verschil in reactie in de jaren 1988, 1995 en 2004 is zonder meer intrigerend. Het bijeenbrengen van een aantal kranten bij één uitgever was als zodanig niet opmerkelijk: al tientallen jaren was er in medialand een concentratie-en rationalisatiebeweging zichtbaar, met onder meer gevolgen voor bekende titels. Zo werden in de jaren zeventig NRC en Algemeen Handelsblad samengevoegd, De Tijd in een weekblad omgezet en Het Vrije Volk tot een regionale krant teruggebracht. Alleen De Telegraaf ontsnapte aan de fusiegolf en zou die bevoorrechte positie tot op de dag van vandaag weten te handhaven.

Deze ontwikkeling volgde logisch uit het proces van ontzuiling: de snelle ontmanteling van de kerkelijke en politieke bolwerken en hun persorganen. Dat het katholieke volksdeel de zwaarste klappen te verduren kreeg, komt fraai tot uiting in het verdwijnen van De Maasbode en De Tijd, de verkleuring tot rood van de Volkskrant en de overname door links van het jezuïetenweekblad De Linie, nadien De Nieuwe Linie. Laatstgenoemde voorbeelden laten zien dat de ontzuiling niet alleen tot versterkte commercialisering van het mediabedrijf leidde, maar tevens tot een opmerkelijke doorbraak van politiek links in de redactiesfeer. De afbraakvan de zuilen en de stuurloosheid van de benarde hoofdredacties deed het merendeel van de journalisten, geheel overeenkomstig de tijdgeest, in linkse richting vluchten. Omstreeks 1975 voelde circa zeventig procent zich verwant met progressieve partijen.

Daarbij paste een militante opstelling tegenover uitgevers en directies: 'het kapitaal'. Het was de tijd dat de journalisten zich aansloten bij de socialistische vakcentrale en bij wijze van zelfverdediging van hun directie een 'redactiestatuut' afdwongen. Kort en goed: ze wensten de door de ontzuiling verworven vrijheid te beschermen tegen de macht van de commercie die juist door de ontzuiling nieuwe kansen zag.

Keren we nu terug naar de schermutselingen in 1988, dan zijn die te beschouwen als een achterhoedegevecht van het redactionele segment tegeneen coup van de twee uitgeverscombinaties. De verontwaardiging was groot en niet vrij van pathetiek. H.J.A. Hofland vertolkte ongetwijfeld de mening van velen toen hij boven zijn paginagroot protestartikel in chocoladeletters de kop liet zetten: ER WORDT MET ONS GESOLD. De identiteit van de krant, schreef hij, is voor de journalist niet louter een kwestie van een bepaalde politieke signatuur die terwille van de plutiformiteit en de democratie behouden moet blijven. 'De krant is de vervulling van zijn werkzaam bestaan, hij maakt haar zoals zij hem maakt, hij krijgt van haar zijn zelfrespect, zij krijgt van hem haar leven. (...) Daardoor krijgt hij het vertrouwen van zijn publiek.' (NRC Handelsblad, 19 november 1988) In 1995, toen de fusie alsnog werd doorgezet, begon deze geloofsbelijdenis hol te klinken. Het ging met het krantenbedrijf niet goed en dus hernameneconomische criteria hun rechten. In de periode 1985-1994 was het aandeel van de reclamebestedingen in de dagbladen jaar na jaar gedaald: van 34,4 procent van de totale bestedingen tot 21,0 procent.

In 1985 had bijna 85 procent van de huishoudens een krant, in 1994 was dat percentage 77 en momenteel zweeft het rond de 64 procent. Minstens zo ernstig is het feit dat vooral de jongeren afhaken; zelfs heel wat studenten nemen genoengen met Metro. Het serieuze dagblad begint een conservatief cultuurproduct te worden, nog het meest gewaardeerd door een bovenlaag van ouderen. 'Ontlezing' luidt de diagnose.

In deze krimpende krantenmarkt bevechten redacties vooral elkaar. Nu de dag-en weekbladen, evenals de politieke partijen, nog maar weinig van elkaar verschillen, is 'identiteit' geen sterk argument meer. Zoals in de politiekwordt toenadering gezocht met het voorheen passieve voetvolk: de lezers mogen, nee: moeten, over van alles en nog wat een mening geven, in brievenrubrieken en opiniepagina's. De vloed van columns past in dezelfde trend: het nieuws is al bekend van radio en televisie, dus kan wellicht een prikkelend commentaar nog belangstelling wekken.

Zo komen de redacties, uit zelfbehoud, op één lijn met de directies en de uitgevers. De krant blijft vrij te schrijven wat zij wil, maar ze weet dat ze zal worden afgerekend op haar marktaandeel. Dit aandeel te behouden en zo mogelijk te vergroten zonder zijn ziel te verkopen: ziedaar de trapeze-acrobatiek van de hoofredacteur van morgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden