De krant als heer heeft afgedaan voor NRC-columnist Van Lennep

De aimabele, immer keurige G. L. van Lennep is boos. Boos op NRC Handelsblad waarvoor hij 23 jaar lang elke zaterdag een rubriek schreef. Eerst onder de titel 'Code', daarna 'Waarin. . .' genaamd. Hij beschrijft in die stukken voorvallen uit dagelijkse leven, al is het dan wel het dagelijkse leven van een heer van stand. 'Gekeutel', noemt hij het zelf.

Van Lennep over zijn vertrek: “Een half jaar geleden werd ik ter redactie ontboden. Elke rechtgeaarde columnist weet dan wat er aan de hand is: ellende. We gingen lunchen: hoofdredacteur Ben Knapen, zijn adjunct Laura Starink en ik.” Van Lennep kreeg te horen dat de nieuwe chef van de zaterdagbijlage geen liefhebber van zijn columns is. De NRC-hoofdredactie vroeg hem: “Wanneer wil je weg? Wij dachten oktober of zo.”

“Weg? Ik wil helemaal niet weg.” “Ja maar, wij vinden het zo langzamerhand wel welletjes.” “Ik heb dat idee helemaal niet. Ik heb in de loop der jaren een heleboel aardige brieven gekregen en lezersonderzoek wijst uit dat mijn stukjes goed gelezen worden.” “Wij gaan niet zo op de lezers af”, antwoordde Starink.

“Ik kan me voorstellen dat jullie eigenlijk van die 200 000 lezers af willen, want dan kunnen jullie eindelijk de krant maken die jullie willen”, sprak Van Lennep gekscherend. “Ik miste in jouw columns een beetje slagvaardigheid”, zei Knapen weer.

“Ja, wat moet je dan zeggen”, zegt van Lennep achteraf. “Ik ben juist uiterst slagvaardig? Of: Hoe komt u daarbij, ik ben nooit zo slagvaardig geweest als nu. Iedereen roept altijd: 'Wat een slagvaardig stuk was dat'.”

“Ik heb Ben Knapen later geschreven dat ik vond dat ik eigenlijk wel de 25 jaar vol mocht maken en dat zijn opmerking dat de NRC 'het bed eens moest opschudden' niet helemaal paste bij iemand die 23 jaar aan het werk is. Dat ik niet het idee had dat ik zulke slechte stukken schreef, mede gezien de brieven die ik ontvangen had, waarvan ik de laatste bijsloot. Ik eindigde met: 'Le journal est un monsieur en ik hoop dat in dit geval ook zo is'.”

“Nee dus. Zaterdag verschijnt mijn laatste stuk. Ik zal de lezers wèl uitleggen waarom dit mijn laatste stuk is, precies zoals ik het nu net heb verteld, en als ze het niet plaatsen, zien we wel verder.”

Krantestukjes schrijven is niet het enige dat Van Lennep doet, laat staan heeft gedaan. Voor iemand 'zonder ambitie' heeft hij een aardige staat van dienst. Hij werd in 1930 in Haarlem geboren, in wat hij omschrijft 'een beetje eigenaardig gezin'. “Mijn vader kwam uit een bekende familie, mijn overgrootmoeder was een zuster van Jacob van Lennep. Nee, ik ben geen jonkheer. In de generatie van mijn vader waren zo ontzettend veel kinderen dat de spoeling een beetje dun was geworden. Bovendien vond mijn grootvader 'jonkheer' maar een kinderachtige titel. Baron of graaf was wel wat geweest, maar jonkheer. . .”

“Ik ben er trouwens voor om het verheffen in de adelstand weer in te voeren. Het enige dat wij hebben, is minister van staat - en dat kan niet iedereen worden - of het vernoemen van een straat. We hebben hier een koningschap, waarom dan niet 'baron Mulisch'. Je kunt Amerikanen niet jaloerser maken dan door met een Lord op de proppen te komen.”

“Misschien is ons land daar wel te klein voor. Hier zou iedereen weten dat mevrouw de barones uit een garen- en bandwinkeltje komt. In Engeland kiest een duke een vrouw uit de tweede rij van het corps de ballet, is zij de volgende dag duchess en vindt iedereen dat heel normaal. En waarom ook niet.”

“Mijn vader was een aardige, stille man, mijn moeder een onecht kind. Zij heette Francis May en zat bij de revue. Was een protégée van (de beroemde actrice) Theo Mann-Bouwmeester: 'Jij kunt zo goed imiteren, jij moet maar bij het toneel'. Ik was hun enige kind. Van de eerste tien jaar van mijn leven was mijn moeder er zeven in Indië, waar ze een tournee maakte met het gezelschap van Cor Ruysch. Hij en mijn moeder traden in de oorlog clandestien op tussen de schuifdeuren en dan mocht ik meedoen.”

Zijn ouders scheidden. “Vanaf mijn elfde werd ik opgevoed door mijn stiefvader. Ik ging er niet op achteruit, want mijn vader was geen man voor kinderen. In tegenstelling tot mijn vader was mijn stiefvader links georiënteerd. Ik ben dan ook sinds mensenheugenis lid van de PvdA. Weliswaar heb ik dat tien jaar geleden verwisseld voor D66, want je moet met je tijd meegaan, nietwaar.”

“Als jongen wist ik echt niet wat ik wilde worden. Mijn moeder zei altijd: word geen acteur. Daar had ze misschien wel gelijk in. Ik heb wel alle testen gedaan voor straaljagerpiloot, maar omdat ik nog minderjarig was, had ik de handtekening van m'n ouders nodig, en m'n moeder weigerde absoluut. Ik was ook vast neergestort.”

“Ik ging gewoon in dienst, ben aan Indië ontsnapt. Ik was er anders absoluut heen gegaan en weet niet hoe ik me gedragen had, of ik geen kampong platgebrand zou hebben als ze gezegd hadden dat dat noodzakelijk was. Achteraf kun je wel zeggen: dat had ik niet gedaan, maar ik weet het niet.”

“Inmiddels had ik een tweede stiefvader. Die was havenbaron in Rotterdam en wist wel een baantje voor me in de haven. Daar had ik helemaal geen ambitie voor, maar ik wilde ook niet studeren, want op school had ik veel last gehad van studenten die m'n vriendinnen afpakten.”

Zijn stiefvader stuurde hem naar een Engels havenbedrijf, waar hij een staking moest oplossen. Dat bedrijf werd op een gegeven moment doorgelicht door het Nederlandse Beerenschot. Van Lennep leidde de mensen rond. Toen ze zagen dat hij 'redelijk ongeschonden' uit een stakingsvergadering kwam, bood Beerenschot hem een baan aan. “Ik was daar de eerste niet-gestudeerde.”

Na drie jaar hield hij dat voor gezien en werd hij 'een soort van bedrijfsleidertje' bij Rotterdam Air. “Toen herhaalde zich hetzelfde. Ik werd op stage naar Engeland gestuurd. Daar werd iemand ontslagen en ze boden mij die - hoge - functie aan. Gelukkig had mijn voorganger een hele goede secretaresse en ik vroeg haar: 'Kun jij dat werk alleen aan?' Toen ze 'ja' zei, durfde ik wel. In die tijd werd een directiesecretaresse nog geen directeur.”

“Vervolgens kon ik tegen een gigantisch salaris directeur worden van een fabriek die werd gebouwd in de buurt van Rome.” Van Lennep huurde een bus om dat met 28 vrienden in Parijs te vieren. “Het Stan Huygens journaal schreef: 'Jonkheer biedt snoepreisje aan'. Dat las iemand van het moederbedrijf en sprak: 'Die playboy wil ik niet'. Dus was ik ontslagen nog voor ik begonnen was.”

Terug in Nederland besloot Van Lennep fotojournalist te worden. Hij kreeg toestemming te fotograferen tijdens de Open Het Dorp-happening onder leiding van Mies Bouwman. “Ik maakte de foto van Mies Bouwman met de twee mannen uit Bronbeek. Die is goed verkocht, leverde zeker 500 gulden op, wel minder dan de investering in apparatuur.”

Vervolgens begon hij in Amsterdam een winkel in auto-accessoires. “Een soort boetiek, dat bestond nog niet.” De branche lag in zijn lijn, want hij deed destijds ook aan autoracen en rallyrijden. “Ik ben nog twee jaar kampioen van Nederland geweest in de klasse toerwagen.”

Niet lang daarna, begin jaren zeventig, werd hij gevraagd manager te worden van Shaffy Chantant, de zang-cabaretgroep rond Ramses Shaffy, met onder meer pianist Polo de Haas en fotomodel/ zangeres Loesje Hamel. “Dat was niet zo moeilijk, want ze hadden veel succes.” Met zijn winkel ging het minder goed. “Ik was dan wel de eerste autoboetiek, maar zeker niet de laatste. De een na de ander ging failliet en verkocht tegen dumpprijzen. Daar kon ik niet tegenop.”

Het jaar 1972 bracht de omslag. “Rijk de Gooijer vroeg me als zijn manager. Als je eerlijk was - en de meesten waren dat niet - was je een goede manager. Ik had en heb het voordeel dat ik financieel onafhankelijk ben, omdat ik mezelf het speculeren heb eigen gemaakt en speculatiewinst is belastingvrij. Omdat het mij niets kan schelen of ik er wel of niet aan verdien, kan ik mensen rustig adviseren een lucratief contract toch af te wijzen.”

Sindsdien zou Van Lennep voor korte of langere tijd ook de zaken behartigen van acteurs als Monique van de Ven, Olga Zuiderhoek en Peter Bolhuis, tv-maker Gert Jan Dröge, tekenaar Peter van Straaten, schaker Jan Timman en publicist W. L. Brugsma.

In datzelfde jaar 1972 - hij schreef toen al voor een autoblad - vroeg NRC Handelsblad hem een wekelijkse column te schrijven. “En die schreef ik ook elke week, ook tijdens vakanties. In al die 23 jaar heb ik geen zaterdag gemist. Uit angst voor ontslag. Terecht dus.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden