De korte pijpen van Faisal

Faisal is een vriendelijke arts in opleiding. Maar hij weigert beslist een medische hygiëneregel te volgen. „Ik ben moslim.” Qanta Ahmed, óók arts en moslim, waarschuwt voor dit prille verzet tegen het Westen.

De namiddag gaat ongemerkt over in de avond. Vanuit mijn werkkamer van het Royal London Hospital staar ik naar buiten en bespied het raam waar ooit de Elephant Man te kijk zat. Nu, een eeuw later, voltrekt zich daar een ander maar al even grotesk en betoverend schouwspel. In de straat ervoor deelt een weldoorvoede Brits-Pakistaanse man cassettebandjes uit. Geïmporteerde wahabitische vrouwen met zwarte handschoenen aan en van top tot teen bedekt door hun zwarte abbayas, hun gezicht verstopt achter nikaabs, pakken de geluidsopnamen mee. Andere moslima’s, ook druk, lopen in hun verregende chadors haastig voorbij. Ik kijk ze na tot ze verdwijnen in het bedompte metrostation Whitechapel. Moslimmannen proppen de cassettes in hun vieze Adidasjasjes die ze hebben aangetrokken over hun thobes, de traditionele Arabische kleding.

In deze najaarsgolf van West-Europees islamofascisme herinneren alleen een paar onverstoorbare agenten me eraan dat dit Londen is.

De man, die zijn zelf samengestelde geluidsopnamen aan het publiek opdringt, draagt een thobe die net boven zijn enkels ophoudt – net als bij de Saoedi-Arabische muttawab, de religieuze politie. De lengte van zijn gewaad is een bewijs van zijn fundamentalisme. Ik zie hem een provisorisch podiumpje bouwen, bovenop een monument dat 90 jaar geleden aan Whitechapel is geschonken door Joden die het goed ging. Wat deze Britse Joden ooit lauwerden, onteert deze Britse moslim nu. „Dood aan Amerika!”, schreeuwt hij. „Dood aan Israël!”

Hij spreekt vlekkeloos plattelands-Engels. Wel onderbreekt hij zijn opruiende betoog geregeld met de bede die elke moslim kent als Takbir: Allah-oe-Akbar!, God is groot. Met zijn hoge Nike-gympen staat hij stevig op zijn haatkanseltje, met boksgebaren trotseert hij alle tegenstand. De politiemensen kijken het onaangedaan aan, ze hebben dat gebral al zo vaak gehoord. Maar een aantal moslims, onzeker als ze zijn, klontert hier samen, gegrepen door zoveel vroomheid.

Snel maak ik me los van dit tafereel. Ik heb haast, want ik ben elders nodig.

Door met hem wat röntgenfoto’s te beoordelen, toets ik de arts in opleiding. Het is Faisal, een jonge anesthesioloog en een aardige, zorgzame dokter. Hij draagt groene kleding, klaar voor de operatiekamer. Maar het geoefende oog ziet meer: hij cultiveert in zijn beroepsuniform zijn islamitische identiteit. Zijn geboende groene broek is met opzet een tikje te kort; de pijpen houden net boven zijn operatiesokken op. De zomen van zijn broek zijn nog nat van de rituele voetwassing die hij net heeft gedaan. Faisals vlossige baardje is ongeschoren, door de glazen van zijn montuurloze bril – een Cartier – zie ik zijn lange wimpers.

Met een druk op een pompje tover ik wat emulsie tevoorschijn; op weg naar het ziekenhuisbed maak ik er mijn handen mee schoon. Ik gebaar Faisal hetzelfde te doen.

„Nee, dank u, dr. Ahmed. Ik ga mijn handen wel wassen”, zegt hij terwijl hij naar een wasbak loopt.

Ik sta perplex en leg hem nog maar eens de richtlijnen voor handhygiëne uit: alcohol werkt als ontsmettingsmiddel beter. Dat zijn de nieuwe regels. Kent hij die niet?

Zijn wezenloze blik ontmoet de mijne. „Ja natuurlijk, dr. Ahmed, maar u begrijpt me niet. Ik ben moslim.”

Even verraadt zijn blik iets van superioriteit. Ik besef plotseling dat Faisal niet in de gaten heeft dat ook ik een moslim ben.

„Alcohol aanraken is haram”, zegt hij. „Daarom mag ik geen alcoholemulsie op mijn huid smeren.”

Daar viel niet over te onderhandelen. Wat ik hem opdroeg, was volgens hem verboden door de sharia, de heilige wet van de islam.

Ik ben er opgewonden van: Faisals interpretatie van die wet is een radicaal islamitische, eentje die ik nog nooit tegen was gekomen, zelfs niet onder Saoedische artsen die actief deel uitmaakten van de geestelijkheid van de hoofdstad Riaad.

Hoe was Faisal aan zijn overtuiging gekomen? Ik zoek de verklaring in zijn afkomst. Hij is, net als ik, een Brit van Pakistaanse komaf. Met een mengsel van heimwee en trots vertelt hij over zijn kinderjaren in de Saoedische stad Jedda. Veel later studeerde hij aan St. Bartholomew’s, een van de oudste en meest gerespecteerde geneeskundige opleidingen van Engeland. Hij trouwde jong, met een Pakistaans meisje dat voor hem was uitgezocht. Ze wonen in Oost-Londen; zij komt het huis niet uit.

Enkele maanden later vertel ik Saoedische vrienden op een symposium in Riaad over het handenwas-voorval. Zij bleken al meer meldingen gekregen te hebben van vergelijkbare casus, en hetzelfde was het geval bij de Wereldgezondheidsorganisatie. Uiteindelijk hebben we er een artikel over geschreven voor het internationale tijdschrift The Lancet. Faisal was, naar het zich laat aanzien, met zijn overtuigingen bepaald geen geïsoleerd geval.

Al zijn er op dit moment geen exacte gegevens over hoe vaak deze incidenten zich voordoen: het op basis van de islam afwijzen van alcoholhoudende stoffen wordt ogenschijnlijk steeds normaler. Er is al onderzoek gestart naar alternatieven. Het opvallendste aan deze kwestie is dat ze zich vooral voordoet in de westerse wereld. In de jaren dat ik als medicus werkte in Riaad ben ik nooit op enige weerstand gestuit. Ook in Karachi (Pakistan) is de nieuwe hygiëneregel – dus met alcohol – zonder enig probleem ingevoerd.

Al ruim tien jaar is het gebruik van alcohol voor het reinigen van handen algemeen gebruik in Saoedi-Arabië; en dat is toch het land waarin de twee heiligste steden van de islam liggen, Mekka en Medina. Met houdt zich daar aan de sharia; de Saoedische theocraten wijzen erop dat bij het redden van levens ’noodzakelijkheden boven verboden gaan’ en dus is het benutten van alcohol in dit geval toegestaan. Bekend is ook dat moslims zich verre houden van varkens, maar in het koninkrijk Saoedi-Arabië zijn middelen die van varkens afkomstig zijn, zoals hartkleppen, volop beschikbaar.

Het is juist onder Europese moslims dat de afkeer van westerse technologie en gebruiken in toenemende mate onderdeel vormen van hun islamitische identiteit. Zelfs als dat indruist tegen hoogontwikkelde medische standaarden.

Of ze nu opgroeien in Jedda – zoals Faisal – of een akelige reis maken naar Pakistaanse madrassas, veel moslims verwerven nieuwe maar slecht onderbouwde identiteiten. Het op religieuze gronden afkeuren van het handenwasprotocol is een enorme stap achterwaarts. Medici die dat doen, zien zichzelf in de eerste plaats als moslim en pas op de tweede als dokter. Dat is voor de geneeskunst een onaanvaardbare volgorde; de principes van dat vak zijn apolitiek en staan los van levensbeschouwing.

Dokters, of het nu christenen waren, moslims of joden, zijn al vanaf de Middeleeuwen ’vaandeldragers van seculiere eruditie’, ze vormen een ’geestelijke broederschap die de grenzen van godsdienst, taal of land overstijgt’, schrijft Franz Rosenthal in zijn studie over islamitische medici tijdens de Middeleeuwen. Faisal en zijn geestverwanten namen afscheid van eeuwen verdraagzaamheid, ze verlaten die broederschap juist in een tijdperk waarin het intellectuele debat volop wordt gevoerd.

Faisal legt bloot hoe ver en hoe snel deze islamitische ideologie al is doorgedrongen op de werkvloer van de westerse geneeskunde.

Saoedi-Arabië krijgt veel kritiek te verduren om de extreme vorm van islam die het koninkrijk huldigt, maar die doctrine staat haaks op de aanpak binnen de goedontwikkelde medische gemeenschap die soepel tussen theologische dilemma’s laveert. Daardoor kent deze maatschappij hoogstaande medische zorg en raakt ze niet verlamd door medisch-ethische zaken die horen bij geneeskunde in de 21ste eeuw. Dus wast men handen op de meest effectieve manier, worden organen gedoneerd en getransplanteerd, is er behandeling van vruchtbaarheidsproblemen en horen genetische tests tot de mogelijkheden.

Mijn ongeletterde bedoeïenen-patiënt staat meer open voor westerse medische inzichten dan een westers opgeleide dokter als Faisal. Mijn collega’s met een Saoedische scholing hebben meer op met westerse medische vooruitgang dan de jonge collega die in hartje Londen heeft gestudeerd. Dat baart mij grote zorgen.

Dokters, vooral islamitische, kunnen een unieke rol spelen in het overbruggen van de culturele kloof tussen patiënt en maatschappij, door een domme vorm van orthodoxie aan te pakken. Maar wie goed in de volksbuurten van Londen rondkijkt, ziet hoe de islam aan zichzelf vreet. Natuurlijk verdient iedereen vrijheid van (ook religieuze) meningsuiting, en ook dokters hebben dat recht, maar dat mag de belangen van de patiënt nooit schaden.

En dat is precies wat Faisals extreme opvattingen doen – ze botsen op de eed van Hippocrates, die elke medicus aflegt. Had hij nu maar geweigerd het handenwasprotocol te volgen met een beroep op wetenschappelijke gegevens, dan was het het begin geweest van een dispuut over de steekhoudendheid van argumenten. Maar nu hij zijn weigering slechts godsdienstig onderbouwde, is er reden voor grote ongerustheid.

Onlangs besprak ik deze casus met collega’s van Harvard en ik stuitte op een terughoudendheid die me verbaasde. De doktoren zeiden dat ze, als ze zo’n zaak aan de hand zouden krijgen, bang waren om haar te bespreken en een collega voor het hoofd te stoten. Ze vreesden uitgemaakt te worden voor intolerant en onkundig – zonder goed inzicht in een strenge geloofsovertuiging. De Harvardcollega’s voelden zich allemaal ongemakkelijk, ze waagden zich liever niet buiten hun vertrouwde wetenschappelijke erf.

Van dat ongemak moeten we echt af.

Onder het goedbedoelde mom van verdraagzaamheid bevordert het Westen haarden van verstarring. Dat slaat breuken in onze verdraagzame samenleving en maakt haar zo, ironisch genoeg, minder tolerant.

Dat mogen we niet laten gebeuren onder de heilige gewelven van de geneeskunde – dat is een van de laatste vrijhavens waar nog een apolitieke gedachtewisseling mogelijk is. Het maken en verdedigen van zo’n veilige ruimte, waar medici ingewikkelde kwesties kunnen bespreken en beslechten, is een noodzakelijke eerste stap in de goede richting.

In de VS en Groot-Brittannië komt een kwart van de medicijnenstudenten uit het buitenland en de meesten keren na hun studie naar hun geboorteland terug – vaak een islamitisch land. Dat biedt de gevestigde medische orde een prachtige kans om westerse wetenschap en een gematigde islamitische interpretatie van de geneeskunde te stimuleren. Gedegen training van dokters bevordert de gezondheidszorg op vreemde bodem. Dat noem ik wereldwijde gezondheidsdiplomatie, een ijzersterk wapen als het wordt ingezet in dienst van het belangrijkste exportproduct van het Westen: intellectueel kapitaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden