DE KOOPMAN EN DE DOMINEE

Onder de titel 'Het spirituele kapitaal' (30 maart) hield Andreas Kinneging een liberaal pleidooi voor deugden als moed, gematigdheid, rechtvaardigheid en piëteit. En onder de titel 'Voor de moraal is christendom overbodig' (6 april) riep Paul Cliteur liberalen en sociaal-democraten op naar de morele wortels van hun eigen gedachtegoed te zoeken in plaats van te flirten met het christendom. De ethicus Gerrit Manenschijn reageert: 'Men denkt vaak te luchtig over de mogelijkheid het verlies aan morele structuur met individuele deugden te kunnen opvangen. Dan ziet men over het hoofd dat in Nederland uiteindelijk de dominee het niet voor het zeggen had, maar de koopman'. Gerrit Manenschijn is hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit te Kampen.

Op zaterdag 30 maart verscheen in Trouw van de Leidse politieke filosoof Andreas Kinneging een knap artikel over het liberalisme en de kritiek daarop vanuit het gemeenschapsdenken (communitarisme). Het liberalisme wordt verweten te individualistisch te zijn en de sociale aspecten van het gemeenschapsleven te verwaarlozen. Kinneging bestrijdt dat door een uiteenzetting te geven over de deugden die in de liberale moraal begrepen zijn, zodat ik aanneem dat hij met liberalisme de liberale moraal bedoelt, maar dat hoeft verder geen punt van discussie te zijn.

Het gaat mij om wat anders, namelijk dat zowel het liberalisme als het communitarisme mij te veel met deugden in de weer is (hoe individuele deugden met sociale deugden in evenwicht te brengen?) en daarbij aan de gerechtigheid te weinig aandacht besteden. Ik ga er daarbij vanuit dat gerechtigheid een structuurprincipe van de samenleving is en deugden individuele morele kwaliteiten zijn.

Het besef van rechtvaardigheid is ook een deugd, zoals Aristoteles al leerde, maar dat besef leidt pas tot resultaat als door wetgeving aan de gerechtigheid structuur wordt gegeven. Dat weten we ook al eeuwenlang, reeds uit de thora met zijn sociale wetgeving. In Israël was de koning verantwoordelijk voor het handhaven van recht en gerechtigheid, dat werd niet aan individuele mensen en hun deugden overgelaten. In het debat over de individuele en sociale deugden mis ik het beroep op de gerechtigheid.

Ik mis nog iets, namelijk de keuze van de liberale moraal voor de vrije markt. Daarmee past zij exact in een aloude Nederlandse traditie van publieke moraal, die beheerst werd en wordt door de koopman en de dominee. De koopman wijst op de voordelen van de markt, de dominee, hier niet een term ter aanduiding van een predikant maar van een moralist, roept de mensen op tot deugdzaamheid. Ongewild geeft Kinneging daarvan een indicatie als zegt: “ijver, zelfdiscipline, spaarzaamheid, moed zijn wezenlijk in het vergaren van een 'spiritueel kapitaal', zonder welk een goed leven onmogelijk is”. Dit zou gezegd kunnen zijn door een moderne dominee die het bijbelse 'een schat in de hemel' vervangt door het hedendaagse 'spiritueel kapitaal'.

Als ik uit dit citaat 'spiritueel' weglaat en 'goed' vervang door 'welvarend', komt de koopman aan het woord: “ijver, zelfdiscipline, spaarzaamheid, moed zijn wezenlijk in het vergaren van kapitaal, zonder hetwelk een welvarend leven onmogelijk is”. Wie Max Webers Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus heeft gelezen, weet precies waar Abraham de mosterd haalt. Kinneging grijpt terug op de arbeidsmoraal van de Engelse Puriteinen, die inderdaad leerden dat men in het eigen levensonderhoud moest voorzien en de deugden van de arbeidsdiscipline en de spaarzaamheid moest betrachten, maar die zodoende tevens de voorwaarden schiepen voor de opkomst van het kapitalisme.

Ik heb met Kinnegings keuze overigens geen moeite; jaren geleden al heb ik de puriteinse arbeidsmoraal als noodzakelijk voor een verzorgingsstaat verdedigd. Maar toen was de sociale structuur van de gerechtigheid nog intact en moesten mensen die niet al te stevig in de schoenen van de deugdzaamheid stonden, gewezen worden op de deugden van ijver, arbeidsdiscipline en spaarzaamheid, want alleen zo kan de sociale structuur van de gerechtigheid intact blijven.

De omstandigheden hebben zich echter drastisch gewijzigd. Thans is de sociale structuur van de gerechtigheid aan het verbrokkelen en wint de koopman het van de dominee. Om dan een verhaal te houden over de waarde van individuele deugden doet wrang aan bij mensen die niet aan een baan kunnen komen en die niet weten waarvan ze zouden moeten sparen.

Ook Kinnegings Leidse collega Paul Cliteur levert zijn bijdrage aan de discussie rond de liberale moraal, die onze publieke moraal is geworden. In antwoord op een artikel over de noodzaak van christelijke waarden en normen zegt hij in Trouw van 6 april terecht dat een moraal niet christelijk hoeft te zijn om goede moraal te blijven, ook al geeft hij daarbij een te simpele voorstelling van bijbelse voorstellingen van moraal en doet hij daarmee joden en christenen geen recht. Maar dat zijn zij zo langzamerhand wel gewend.

In ieder geval, voordat Europa werd gekerstend was er moraal en als Europa ooit volledig geseculariseerd zal zijn - wat ik niet verwacht en zeker niet hoop - zal er nog steeds moraal zijn. Want moraal is van en voor alle mensen, zoals de christelijke traditie altijd heeft geweten. Naast de wet van God was er immers de aan de Stoa ontleende natuurwet, die men kon accepteren op grond van Romeinen 2,14: 'Wanneer toch heidenen, die de wet (=de thora) niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet' (=de natuurwet). Als er tegenwoordig door christenen soms anders over wordt gedacht, is dat het gevolg van het feit dat men de eigen traditie niet kent.

Nederland kan ook best geregeerd worden zonder het CDA. Daar komt geen moreel verval van. Maar ook best zonder de VVD, D66 of de PvdA. Die partijen hebben geen enkele morele meerwaarde boven het CDA, ook niet op het gebied van tolerantie en progressiviteit. De Nederlandse politiek moet het nu eenmaal van coalities hebben en dat betekent dat zij moet opereren binnen de smalle marges van een bestaande en soms wankele consensus over sociale moraal.

'Paars' blijkt dan ook een gewoon kabinet te zijn, dat evenals andersoortige kabinetten van compromissen aan elkaar hangt en het pas moeilijk krijgt als de economie tegen zit op het moment dat de verkiezingen in zicht komen. Dus dat hele debat over christelijke of humanistische waarden en normen kan als gesloten worden beschouwd, het heeft geen enkele zin en niemand kan er mee scoren.

Het merendeel van de ethici die aan universiteiten werkzaam zijn, heeft het onderzoek gebundeld in de Nederlandse Onderzoekschool voor Ethiek en daarin werken christenen en humanisten, liberalen en socialisten goed samen aan gemeenschappelijke projecten, met groot respect voor elkaar, zonder het eigen uitgangspunt te hoeven verloochenen.

ERST KOMMT DAS FRESSEN

Het belangrijkste probleem van de moraal in een postmoderne samenleving is dan ook niet de secularisatie of de opkomst van een autonome moraal (dat is een moraal die niet gefundeerd is op een specifieke godsdienst of levensbeschouwing), die beide door sommige christenen als de grote boosdoeners worden gezien. Ten onrechte. Nee, het belangrijkste probleem is het verband tussen moraal en belang, gerechtigheid en markt, of in Kinnegings termen, de hachelijke mogelijkheid van 'spiritueel kapitaal'. Of er nu wel of niet secularisatie is, verandert daar weinig aan. Secularisatie betekent verlies aan godsdienstig gehalte van de samenleving (nog geen 45% van ondervraagden bleek te weten wat voor feest Pasen is en dat is niet alleen een godsdienstig verlies, ook een cultureel) en dat heeft natuurlijk ook gevolgen voor de moraal. Niet dat de mensen er moreel op achteruitgaan, maar dat ze nu zelf hun moraal moeten bedenken en dat leidt tot grote onzekerheid.

Dat is een gevolg van het individualiseringsproces, waarin lang niet allen de rechte koers weten te houden, maar je hoeft geen christen te zijn om dat wel te kunnen. Ook christenen staan voor het probleem hun eigen moraal te moeten bedenken. De publieke moraal vertoont steeds minder structuur; zij doet wat denken aan een moderne casco-woning, die door de toekomstige bewoners naar eigen keuze kan worden ingevuld. Soms zie je daarvan geslaagde resultaten, soms ook minder gelukkige.

Er wordt een beroep gedaan op individuele creativiteit, maar daarover beschikt niet iedereen in gelijke mate. Om de casco-moraal van een postmoderne samenleving goed in te vullen, moeten mensen allerlei deugden hebben, maar ze beschikken niet allen over hetzelfde pakket. De consequentie daarvan zien wij bijvoorbeeld in de toename van bijzondere primaire leefvormen naast het traditionele gezin.

Het valt op dat in die nieuwe leefvormen sterk de nadruk wordt gelegd op persoonlijke kwaliteiten van kameraadschap en verantwoordelijkheid. Heel begrijpelijk, want waar morele structuur scheuren vertoont, moeten deugden de gaten dichten. Het is een misvatting te denken dat alternatieve primaire leefvormen noodzakelijk verlies aan morele waarde vertonen. Dat is niet het geval en hoeft ook niet het geval te zijn. Wel valt op dat men vaak te luchtig denkt over de mogelijkheid het verlies aan morele structuur met individuele deugden te kunnen opvangen. Dan ziet men over het hoofd dat in Nederland uiteindelijk de dominee het niet voor het zeggen had, maar de koopman.

Als ergens ter wereld het bekende Duitse gezegde Erst kommt das Fressen und dann die Moral waar is, dan wel in Nederland. Daar hebben commerciële belangen altijd de voorrang gehad op morele waarden. En dat is nog zo.

Reeds het Nederland van de zestiende eeuw strekte Adam Smith ten voorbeeld. In Engeland gold Nederland als de commercial society bij uitstek. Interessant is echter dat, als commerciële belangen het belangrijkste sociale bindmiddel van een samenleving vormen, dit leidt tot gematigdheid en verdraagzaamheid. Adam Smith heeft dat scherp ingezien en een sociale moraal ontworpen die zowel gematigd als middelmatig kan worden genoemd. (Ik zeg erbij: hij doet dat op een geniale manier; op dit punt kunnen de sociale wetenschappen en de ethiek nog veel van hem leren, minstens zoveel als op het terrein van de economie).

Omdat in een commerciële samenleving iedereen er belang bij heeft met de ander een goede verstandhouding te hebben, worden de scherpe kantjes van private moraalopvattingen erafgeslepen en wordt moreel fanatisme contraproductief. Die scherpe kantjes en dat fanatisme verdwijnen echter niet, ze gaan deels ondergronds, worden deels geprivatiseerd, dat wil zeggen, uit de publieke sector weggehaald en naar het private terrein overgeheveld. De scherpe kantjes en het fanatisme gingen zich uiten in religie en ideologie. In kerkelijke verhoudingen werd in Nederland heel wat fanatisme uitgeleefd, gelukkig voornamelijk verbaal en alleen in eigen kring. Op dit punt heeft de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme heel wat te bieden. Dat is thans nauwelijks nog het geval; wat zich nu in de rechterflank van de Hervormde Kerk afspeelt ten aanzien van het Samen-op-weg-proces is kinderspel vergeleken bij wat er zich in het verleden in kerkelijke kringen afspeelde, ook al zet de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk een aloude Nederlandse traditie van de strijd van preciezen tegen rekkelijken voort.

Scherpe kantjes en fanatisme vinden wij nu hoofdzakelijk bij bevolkingsgroepen die zich buiten de morele en sociale consensus van onze samenleving hebben geplaatst en een anti-cultuur propageren, zoals rechtsradicalen, zich antifascisten noemende linksradicalen en krakers. Vanuit die anti-houding bezien verschillen ze onderling nauwelijks; alleen in ideologie, maar die is niet veel meer dan een verbaal alibi. Het kan niet toevallig zijn dat al die groepen die geen deel kunnen of willen hebben aan onze moderne, dynamische, commerciële samenleving, hun onbehagen in verzet tot uiting brengen. Criminalisering van deze randgroepen heeft dan ook geen enkele zin; veel verstandiger zou het zijn het culturele onbehagen dat hen bezielt, serieus te nemen.

SOCIALE HYPOCRISIE

Als commerciële waarden de voorrang krijgen op morele waarden leidt dat onvermijdelijk tot een brave burgermansmoraal, die zich noch uitbundige morele bewogenheid, noch moreel scepticisme kan veroorloven, maar die wel in staat is haar belangen te verwoorden in moreel acceptabele termen. Het beeld dat buitenlanders van Nederland hebben als een volk van kooplui en dominees is treffend juist. Alleen zijn de dominees uit het publieke domein verdwenen en slechts de kooplui gebleven.

De rol van de dominees is echter niet verdwenen, die is overgenomen door een geseculariseerd priesterschap, dat zich vooral manifesteert in kringen van wereldverbeteraars met hun verwoede pogingen Nederland voor te stellen als moreel gidsland. Nederland behoort voorop te lopen in verzet tegen kernbewapening, in gedogend drugsbeleid, in anti-racisme, anti-discriminatie en anti-seksisme, kortom, in politiek correct taalgebruik en optreden. Ik heb er niet veel mee op maar spreek er ook geen kwaad van; wijs echter wel op een element dat vaak vergeten wordt en dat ik zojuist signaleerde: het overwicht van commerciële belangen op morele waarden.

Dat leidt tot een zekere sociale hypocrisie. Met sociale hypocrisie bedoel ik geen huichelachtigheid van persoonlijke aard, maar het sociale verschijnsel dat een commercieel belang tot uitdrukking wordt gebracht in onschuldige of moreel gangbare termen. Het bedrijfsleven bijvoorbeeld spreekt van 're-engineering' als het afstoting van arbeidsplaatsen bedoelt. De politiek kent het begrip 'het sociale gezicht', zodra de verkiezingen in zicht komen zijn partijen als het CDA en de PvdA druk in de weer om dat gezicht te redden.

Bij de VVD en D66 is dat veel minder het geval, niet omdat ze geen behoefte hebben aan eufemismen om hun politiek aan de man te brengen, maar omdat hun achterban doorgaans niet afhankelijk is van sociale voorzieningen en daarom de voorkeur geeft aan een 'fiscaal vriendelijk gezicht' boven een 'sociaal gezicht'.

Een treffend voorbeeld van sociale hypocrisie is ook ons drugsbeleid. Dat wordt gekenmerkt door een scheiding tussen harddrugs en softdrugs en door de tegenstelling tussen het verbieden van handel en het gedogen van gebruik. Daardoor laat het buitenland zich allang geen zand meer in de ogen strooien en laat het zich zeker niet de hoge morele toon welgevallen waarmee dit beleid als humaan wordt voorgesteld. Dat is het slechts ten dele. Het alles beheersende, onuitgesproken motief is dat de gezeten burger geen last heeft van de met de drugscultuur samenhangende criminaliteit. Daarom afwerkplaatsen voor heroïnehoeren in verlaten buitenwijken en verdrijving van verslaafden uit de Amsterdamse grachtengordel naar de arbeiderswijken rond die gordel.

Laat ik van sociale hypocrisie een historisch voorbeeld noemen. Aan het einde van de zestiende en gedurende de zeventiende eeuw werden er in Nederland steeds meer pleidooien gehouden voor godsdienstvrijheid en tolerantie, en die hebben er stellig toe bijgedragen dat Nederland in de zeventiende eeuw het tolerantste land van Europa was. Hier konden boeken worden gepubliceerd die elders verboden waren en hier hebben politieke vluchtelingen als René Descartes en John Locke een veilig onderdak gevonden.

De ruimte die er voor tolerantie kwam werd echter niet in de eerste plaats verworven op grond van morele motieven, maar van commerciële. De Staten waren er altijd op uit de Nederlandse handelsbelangen niet te schaden en daarom moesten ze niets hebben van morele betweterij jegens vreemde culturen. Vandaar dat er in de zeventiende eeuw wel een 'haaroorlog' werd gevoerd (Was het passend dat mannen lang haar of pruiken droegen?), maar geen 'morele oorlog' over de slavenhandel. Handel is nu eenmaal handel.

Een hedendaags voorbeeld. Wie een goede handelsrelatie met andere volkeren wil onderhouden, kan zich geen openlijke kritiek op de zeden van die volkeren veroorloven, zoals de achttiende-eeuwse filosoof David Hume al fijntjes opmerkte en zoals minister Pronk ondervond toen hij enkele jaren geleden de mensenrechten in Indonesië aan de orde stelde. Mensenrechten zijn mooi, maar houd ze even voor je als er orders kunnen worden geboekt. Als het erop aan komt wint de koopman het altijd van de dominee.

Dus geen kwaad woord over de koopman die wij Nederlanders met onze morele praatjes nu eenmaal zijn. Een calculerend burger is nog geen crimineel, wel een koopman. Maar dat dient erkend te worden. Het is eenzijdig als Cliteur de huidige politieke moraal, die de liberale moraal is, voorstelt als voortkomend uit de mensenrechten. Dat is slechts ten dele het geval. Die liberale moraal komt vooral voort uit een traditioneel Nederlandse, op de markt gerichte moraal. Kortom, de hedendaagse liberale moraal is nog steeds de marktmoraal die ze altijd is geweest.

Met 'marktmoraal' bedoel ik niets negatiefs, maar heel gewoon dat de markt de ontmoetingsplaats is van commerciële belangen en morele waarden. De koopman ontmoet daar niet alleen de dominee, maar wordt daar ook een beetje de dominee, zoals de dominee daar een beetje de koopman wordt. Dat Nederland zoveel aan bedrijfsethiek doet, past uitstekend in deze traditie. De markt is niet immoreel, zelfs niet amoreel, want wie op de markt met succes wil werken zal de deugden moeten vertonen van arbeidzaamheid, betrouwbaarheid, degelijkheid en eerlijkheid. Op de markt behoedt de dominee de koopman voor al te lomp eigenbelang en de koopman de dominee voor slecht begrepen moralisme.

DE VLAG DER DEUGDEN

In het algemeen werkt het Nederlandse bedrijfsleven binnen dit model. Men heeft grote moeite met het verschijnsel 'steekpenningen', hetzij uit zuinigheid, hetzij uit rechtvaardigheid, hetzij uit beide. In tal van ontwikkelingslanden zijn steekpenningen echter de gewoonste zaak ter wereld, wat weer verklaard kan worden uit de oeroude traditie dat men het stamhoofd met geschenken probeerde gunstig te stemmen. Dat doen wij in Nederland niet en dat is meer aan de markt te danken dan velen lief is. De markt bevordert immers de gelijkheid tussen mensen: de koopkracht van de arbeider heeft dezelfde waarde als die van de minister-president. Slechts het verschil in koopkracht beslist, maar dan ook met enorme gevolgen.

De consequentie van deze stand van zaken is dat elke beschrijving van liberale moraal met veronachtzaming van zowel de invloed van de markt als de noodzaak van een structuur van sociale gerechtigheid, tekortschiet. Dat bezwaar treft zowel het verhaal van Kinneging als dat van Cliteur.

Als Kinneging de liberale moraal tekent met behulp van deugden en aan de voorkeur van de liberale moraal voor een vrije markt geen aandacht besteedt, werkt dat verhullend. Ik kan het ook anders zeggen: Kinneging blijft mij te veel aan de buitenkant van de menselijke gedragsbepaling, bijvoorbeeld als hij het opneemt voor de waarde van goede manieren. Dat doe ik ook, maar goede manieren zitten toch wel erg aan de buitenkant van menselijke gedragsmotivaties. Ze functioneren vooral als groepscodes voor onderling verkeer. Wie deze codes niet kent of er zich niet aan stoort, wordt als een outcast behandeld.

Meermalen heb ik meegemaakt dat met 'goede manieren' mensen onbarmhartig op hun nummer werden gezet. Maar ook als goede manieren een uitdrukking zijn van een diep gewortelde beschaving, zijn ze, op zichzelf beschouwd, niet toereikend om volwaardig moreel gedrag mogelijk te maken. Er zijn ook altijd begeerten, behoeften, passies en belangen in het geding. Daarom moet er doorgestoten worden naar de diepste lagen van de menselijke aandriften: wat zijn onze ultieme redenen om goed te doen? Hier is strikte eerlijkheid tegenover onszelf en anderen geboden. Zijn wij echt deugdzaam of vormen deugden slechts de vlag die de lading moet dekken?

Een voorbeeld. Wij leven in een geciviliseerde samenleving en het kost ons niet al te grote offers om deugdzaam door het leven te gaan, maar als wij in Rwanda, Bosnië, Tsjetsenië of Liberia woonden, zouden wij dan niet tot de gruwelijke moord- en verkrachtingspraktijken in staat zijn die daar aan de orde van de dag waren en soms nog zijn?

Dat ziet Kinneging ook als hij zegt: 'Van nature is de mens een woeste barbaar, die zonder bedenken moordt en rooft'. En: 'Zijn 'goedheid' is het resultaat van noeste beschavingsarbeid, die door elke generatie, de volgende vormend, moet worden doorgegeven, op straffe van een terugval in de primitieve wereld waaruit wij met veel pijn en moeite tevoorschijn zijn gekomen'. Van harte mee eens.

Moraal ligt niet in het verlengde van de menselijke natuur, maar staat er haaks op. Ik herken bij Kinneging iets van de mensvisie van de Reformatoren en van - schrik niet - Thomas Hobbes. Met hen krijg je een realistischer kijk op menselijke mogelijkheden om onder het mom van deugdzaamheid kwaad te doen dan met al die predikers van sociaal-liberale moraal die tegenwoordig de vakbladen vol schrijven.

Ik begrijp dan ook Hans Oversloot niet als hij in Letter & Geest van 13 april Kinneging kapittelt op juist dit punt. Het gemakkelijke antwoord van Oversloot op de stelling dat de mens van nature een woeste barbaar is, is dat wij de 'natuurlijke mens' niet kennen omdat wij alleen door de cultuur gevormde mensen kennen. Ja, dank je de koekoek, alsof de Reformatoren en Hobbes dat niet wisten. Oversloot mist hier het punt van discussie. De aloude uitspraak dat de mens 'onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad' brengt tot uitdrukking dat civilisatie hard nodig is om de mensen van kwaad en geweld af te houden.

Thomas Hobbes bracht dat haarscherp onder woorden toen hij niet alleen zei dat 'de mens de mens een wolf is', maar ook dat 'de mens de mens een god is'. In de natuurtoestand, dat wil zeggen in een toestand zonder wet en recht, is de mens de mens een wolf; in de geregelde samenleving is de mens de mens een god. Daarin klinkt mogelijk iets door van de aloude christelijke opvatting dat de overheid er is om het kwaad in te dammen en de humaniteit te bevorderen.

Individuen moeten zichzelf niet overschatten wat betreft hun mogelijkheden om goed te doen. Er is een morele structuur nodig om hen binnen de perken te houden. Daarom zeiden christenen dat God de overheid heeft ingesteld om recht en gerechtigheid te handhaven. Ze zeiden niet eens dat die overheid christelijk moest zijn. De overheid die in Romeinen 13 wordt voorgesteld als door God ingesteld, is een heidense overheid. Wat slechts nodig is in een christelijke visie op de overheid, is dat zij die structuren van gerechtigheid in stand houdt.

Zoals Kinneging de betekenis van deugden overschat, zo Cliteur die van mensenrechten. Ik ben het met beiden eens dat ze onmisbaar zijn, maar niet dat wij er genoeg aan hebben. In een op de markt georiënteerde samenleving hebben wij niet minder, maar meer behoefte aan structuren van gerechtigheid. Niet voor niets zegt de apostel: 'Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht' (1 Timotheus 6,10). Als een samenleving die waarschuwing niet meer ter harte neemt, verloedert ze.

Vanuit dit gezichtspunt zouden kritische liberalen als Kinneging en Cliteur toch eens moeten kijken of zij uit de joodse en christelijke tradities wellicht schatten kunnen putten waarover hun eigen liberale moraal niet beschikt. De kerken vragen daarvoor aandacht, niet door te stellen dat Nederland een christelijke moraal nodig heeft, maar door aan te tonen dat gerechtigheid een structuurprincipe van de samenleving is en dat de behartiging ervan overheidstaak is.

De liberale sociaal-filosoof John Rawls zegt dat ook en voegt er aan toe dat gerechtigheid het belangrijkste principe van een samenleving is. Zonder gevaar voor 'christelijk' versleten te worden kunnen liberalen het protest van de kerken tegen de groeiende armoede en de penibele situatie van de vluchtelingen onderschrijven. De ontmanteling van de verzorgingsstaat wordt dan niet langer begeleid door een licht ontstemd loflied op de deugden en een nauwelijks verholen afkeer van christelijke invloeden op de publieke moraal, maar door een samen zoeken naar nieuwe structuren om aan de gerechtigheid vorm te geven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden