De koning van het toneel

Welke Nederlanders hebben zo'n grote invloed gehad op de twintigste eeuw, dat na hen de wereld niet meer dezelfde was? Beroemd, berucht of onderschat, wie veroorzaakte een wending in onze levenswijze, markeerde een doorbraak in ons denken? Met het eind van de eeuw in zicht blikt Podium iedere dinsdag terug op invloedrijke landgenoten in de afgelopen honderd jaar.

Bij leven was hij al een legende. In het echt had ik Albert van Dalsum nooit zien spelen, want hij had in 1964 na een vijfenvijftigjarige loopbaan afscheid van het toneel genomen. Sindsdien trad hij nog sporadisch op. Toen hoorde ik van een repetitie. Het gezicht herkende ik, maar de schutterige figuur op de vloer was een desillusie, vermengd met gêne toen de man stukjes tekst die hem werden toegefluisterd meteen weer haperend kwijtraakte. Een kostuum werd om zijn schouders gelegd, een spot lichtte op en daar geschiedde het mirakel: de gestalte verhief zich, de mond opende zich en hetzelfde moment had de metamorfose zich voltrokken. Daar stond een karakter met een adembenemende uitstraling. Daar stond 'de koning van het Nederlandse toneel'.

Zelf zag Albert van Dalsum (1889-1971) zichzelf liever als een schakel wiens opvattingen over toneel door de volgende generatie zouden worden opgepikt en meegenomen. Uniek zijn de schrifturen die hij naliet: beschouwingen, brieven en voordrachten waarin hij zijn ideeën en analyses omtrent de betekenis van de toneelkunst en haar beoefenaren even filosofisch als helder formuleerde. Al vroeg nam hij afstand van het romantisch realisme en liet zich inspireren door het expressionisme. Toneel moest de werkelijkheid niet nabootsen, vond hij, maar verbeelden. In dans, muziek en vooral maskers zag hij mogelijkheden om de expressiviteit van toneel te vergroten.

Van huis uit was Van Dalsum niet voorbestemd voor toneel. Sinds de vroege dood van zijn ouders - zijn moeder overleed in zijn geboortejaar, zijn vader in 1900 - stond hij onder voogdij van een oom, die vond dat hij zich het best nuttig kon maken als kantoorklerk. Op de hbs in Amsterdam echter was hij in aanraking gekomen met toneel via klasgenoten Cor Ruys en Adolf Bouwmeester, beiden telg uit befaamde toneelfamilies, en het liet hem niet meer los. Na een reeks toneellessen nam hij in 1909 ontslag en werd beroepsacteur bij het gezelschap van Willem Royaards. Vrijwel direct kreeg hij leidende rollen. Hij groeide uit tot een van de allergrootsten, een toneelvernieuwer en tevens een fabuleus en ongeëvenaard Gijsbreght-vertolker. In 1917 speelde hij die rol voor het eerst (naast de 66-jarige Theo Mann-Bouwmeester als Badeloch), in 1949 voor het laatst.

Van Dalsum was niet alleen een begenadigd acteur, maar ook een begaafd decorontwerper, een gedreven regisseur en een bewogen toneelleider, vaak allevier tegelijk in één productie. Een regisseur behoorde volgens hem de artistieke leiding te hebben, maar hij vond het even belangrijk te weten wat een acteur voor fantasie over zijn rol had en 'hoe je dat moet voegen in het geheel', want hij zag het maken van een voorstelling als teamwork. Hiermee doorbrak hij het toen geldende sterrendom van de solist als allesbeheersend middelpunt. Daarbij moest toneel niet alleen vermaken, maar vóór alles getuigen. In 1929 kreeg hij de kans die ideeën te realiseren met het Oost-Nederlandsch Tooneel te Arnhem, dat door financiële perikelen al na één jaar ter ziele ging.

Onverminderd zette Van Dalsum zijn opzet, het geweten van het publiek wakker schudden, door toen hij leider van de Amsterdamsche Tooneelvereeniging werd. Voorstellingen van 'De beul' van Per Lagerkvist in 1935 werden verstoord door NSB-knokploegen vanwege de antifascistische strekking ervan. Simon Carmiggelt schreef: ,,Gisteravond is weer eens overduidelijk gebleken, dat (Van Dalsum) onder andere een eigenschap bezit, welke bij een toneelleider even zeldzaam als onontbeerlijk is: karakter!'

Begin 1942 kwam Van Dalsum persoonlijk bij de Reichskommissar melden dat hij noch de meesten van zijn gezelschap wensten te tekenen voor de Kultuurkamer. Hij dook onder. Met geestverwanten werkte hij aan het zogenaamde Tooneelplan, dat de basis voor een nieuw toneelbestel zou vormen.

Na de oorlog werd hij opnieuw toneelleider van de vaste bespeler van de Amsterdamse Stadsschouwburg, gretig zoekend naar repertoire dat inspeelde op de problemen van de tijd, zoals werk van Sartre en Miller. In de jaren vijftig moest hij het echter afleggen tegen de steeds grotere voorkeur voor het Engelse, ingehouden acteren en zijn leiderschap opgeven. De laatste tien jaar van zijn carrière speelde hij bij de Haagse Comedie. ,,Ik ben niet de man van underacting. Ik vind dat een acteur moet acten,' zei hij. Gezien de enthousiaste kritieken bij zijn gouden jubileum slaagde hij er wonderwel in daartussen een balans te vinden. Met zijn knoestige gestalte, de karakteristieke kop met de bolronde ogen en vlezige, iets vooruitstulpende lippen, zijn stem die kon rollen als de donder en ritmisch fluisteren als muziek was Van Dalsum een markante theaterpersoonlijkheid. Bij de herdenking van zijn honderdste geboortedag noemde Loudi Nijhoff zich de laatste der 'dalsumianen'. In de jaren vijftig heette spelen met pathos oneerbiedig 'vandalsemen'. Jaarlijks wordt de Albert van Dalsumprijs uitgereikt aan het beste toneelwerk van een Nederlandse auteur en tot in lengte van jaren zal de Albert van Dalsumring, door de naamgever zelf voor het eerst gedragen in 1959, worden doorgegeven aan de grote acteurs van hun tijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden