'De kok probeerde altijd aan me te zitten'

De eerste baan maakt vaak diepe indruk. Schrijfster Renate Dorrestein (59) begon als serveerster bij Alberts Corner. Haar nieuwe boek 'De Blokkade' kwam onlangs uit.

"Ik had mijn zinnen gezet op een Afghaanse jas. Dat was een soort binnenstebuiten gekeerde geit, de binnenkant van bont, de buitenkant van gelooid leer met wilde borduursels. Het waren de jaren zestig, ik was vijftien. Een Afghaanse jas was het hipste dat er was, en kostte een vermogen.

Van vriendinnen had ik gehoord dat je bij Alberts Corner in korte tijd best wat geld kon verdienen, vanwege de fooien. Alberts Corner was een Albert Heijnketen van simpele restaurants - meer een soort broodjeszaken. Ze zaten vaak in winkelcentra. Ik had tot op de cent nauwkeurig berekend hoeveel dagen ik zou moeten werken om die jas te kunnen betalen. Drie weken.

Het restaurant zat altijd overvol. Je kreeg bij Alberts Corner het tweede kopje koffie gratis, dus iedereen bleef eindeloos zitten. De hele dag bediende ik winkelende moeders met jengelende kinderen. Ik was in totale paniek, het wende nooit. Als een kip zonder kop rende ik rond. Het gekrijs van de kinderen was oorverdovend, alsof je in de ballenbak van Ikea stond.

Alberts Corner was een vreemd universum. Je zag er nooit mannen. Het was de tijd dat de meeste vrouwen nog geen betaald werk hadden. Ik had één meisje in de klas met een werkende moeder. Eén! Vrouwen kookten, en zorgden voor de kinderen. Ze sjouwden zich het schompes aan de boodschappentassen, en kwamen in Alberts Corner uitpuffen. Ik denk dat ik onbewust ben gevoed door dat afschrikwekkende beeld van uitgebluste vrouwen. Want ze maakten niet bepaald de indruk dat ze het naar hun zin hadden. Iedereen was kriegel en uitgeput. Ik weet zeker dat ik gedacht heb: die mannen hebben het goed voor elkaar, die zitten heerlijk rustig op kantoor.

Het werk bij Alberts Corner heeft een onuitwisbare indruk op me gemaakt, omdat ik het zo deprimerend en verschrikkelijk vond. Het was een warme, mooie zomer. Voor mijn gevoel ging iedereen naar het zwembad, terwijl ik met roomboter besmeurd en poedersuiker bestoven, al struikelend poffertjes liep rond te brengen. Soms kwamen mijn vriendinnen langs, om me uit te lachen.

Tussen de middag mocht ik zelf wat eten, in de keuken. De kok was een groezelige oude man, zo één die je alleen maar ziet in slechte B-films. Hij probeerde altijd aan me te zitten. Terwijl ik zat te lunchen, moest ik voortdurend onder hem vandaan duiken.

Ik vond het vreselijk, maar het kwam niet in me op om tegen mijn baas te zeggen dat ik geen veilige stap in die keuken kon zetten. Dat deed je niet. Ik had het er ook niet met andere collega's over. Het paste niet in de sociale en culturele kaders van die tijd om zoiets aan te kaarten. Het was nu eenmaal zo - iets onaangenaams wat je moest ondergaan. Bovendien was het gratis om daar te lunchen. Dus met het oog op de jas, moest ik het maar doorstaan.

Op een ziedend hete dag ging ik met de bus naar Amsterdam om mijn jas te kopen. Het was een massief ding van stug leer. Je moest de mouwen zo ongeveer met een hamer bewerken om er beweging in te krijgen. Hij was zo groot dat-ie niet kon worden ingepakt, dus ik trok hem aan. In de bus naar huis smolt ik bijna, maar ik was zó trots. Het was mijn eerste zelf verdiende geld, ik was de enige van mijn vriendinnen met een Afghaanse jas. Ik heb hem jaren gedragen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden