De Koerden

'Tijdens de lange tocht dwars door de woestijn van Bagdad naar Amman vraag ik me voor de zoveelste keer af of ik er goed of fout aan heb gedaan indertijd tegen de oorlog in Irak te zijn. Voor de twee motieven waarmee Bush en Blair schermden - het bestaan van massavernietigingswapens en de organische band tussen de Iraakse regering en de Al Kaida-terroristen - zijn geen bewijzen gevonden en ze worden dagelijks onwaarschijnlijker. Formeel waren de redenen om ertegen te zijn dus juist. Maar als ik drie maanden geleden had geweten wat ik nu weet, had ik de interventie zonder aarzelen gesteund.' De Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa reisde van 25 juni tot 6 juli door Irak. De afgelopen weken verschenen vijf delen van zijn Iraaks dagboek in Letter & Geest. Vandaag de laatste drie. Vargas Llosa bezoekt Iraaks Koerdistan, praat met de Amerikaanse ambassadeur Paul Bremer en herdenkt de VN-diplomaat Vieira de Mello. 'Vannacht had ik een nachtmerrie over Sergio Vieira de Mello die vastzat in het ingestorte kantoor waar we een hele ochtend met elkaar hadden gesproken.'

Als je van Bagdad naar het noorden reist, naar Iraaks Koerdistan, veranderen het landschap, de taal en cultuur, en zelfs het stadsbeeld. Na een tocht van vier uur per auto door een dorre woestijn met hier en daar bedoeïenendorpen en skeletten van tanks en militaire vrachtauto's, komen er bergen in zicht. Een uur later begint de weg te stijgen en zitten we midden in het oliegebied ter hoogte van de stad Kirkuk. We rijden naar Soelaimania. De weg wordt steil en de hellingen groen van de dennenbossen en de akkers in de kleine valleien. Er werken boeren met doorgroefde gezichten en een tijdloze blik in hun ogen. Je zou niet zeggen dat hier een oorlog heeft gewoed.

En in Suleymaniya kun je je dat al helemaal niet voorstellen. Het is een aardige stad met brede, schone straten met bomen, verkeersagenten op de straathoeken, westers geklede meisjes, overal internetcafés en McDonald's en op de daken van de huizen een woud van schotelantennes. Ik wist natuurlijk wel dat hier nauwelijks oorlog was geweest, maar ik had nooit gedacht dat het er zo volstrekt normaal uit zou zien. Er waren nergens borden met dank aan president Bush 'voor de bevrijding van Irak'. Of met welkom voor Paul Bremer, de interim-bestuurder die hier zojuist op bezoek is geweest. Hij kwam praten met de leden van een van de twee Koerdische 'regeringen' die Iraaks Koerdistan onder elkaar hebben verdeeld. Het in Soelaimania gevestigde bewind hoort tot de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) van Jalal Talabani; het andere Koerdistan, waarvan Irbil de hoofdstad is en dat nog noordelijker ligt, valt onder de KDP, de Koerdische Democratische Partij van Masud Barzani. Hun felle rivaliteit leidde tot geweld en broedermoord, en tijdens de gevechten tussen beide gemeenschappen in 1994 vielen meer dan 3000 slachtoffers.

De bijna 4 miljoen Koerden (20 procent van de Iraakse bevolking), waren systematisch slachtoffer van Saddam Hoessein, die wreed tegen hen optrad. Vooral tijdens de opstanden van 1975, 1988 en 1991, waarbij de Koerden om grotere autonomie vroegen en protesteerden tegen de gedwongen arabisering van Koerdische dorpen. Mensen werden uit hun huis verdreven of vermoord en vervangen door soennietische Arabieren. Duizenden Koerden werden in 1988 door dodelijk gifgas getroffen, waarbij hele dorpen verdwenen, kinderen, vrouwen en oude mensen incluis. Bij de slachting van Halabja in maart 1988 werden meer dan 4000 Koerden met chemische wapens geliquideerd.

Maar als je door Soelaimania loopt zou je zeggen dat dit tot een ver verleden behoort. De enige zichtbare soldaten zijn de lokale strijders (peshmergas) met hun pofbroeken en hun barokke tulbanden die geïnspireerd lijken op de zelfportretten van Rembrandt, en met lange, bedrukte lappen als ceintuur om hun lichaam gewikkeld.

Iraaks Koerdistan heeft de twaalf jaar van autonomie die na de eerste Golfoorlog door de geallieerden werd ingesteld, goed besteed. Het vormde een exclusieve zone waar Saddam niets te zeggen had. De Koerden hadden hierdoor niet alleen voor het eerst in hun geschiedenis een eigen regering, maar er heerste ook een opvallende economische voorspoed. Dat is te zien aan de gebouwen, de goed voorziene warenhuizen en winkels waar artikelen uit alle windstreken staan uitgestald.

Toch zal geen enkele Koerd zeggen dat deze gemeenschap naar onafhankelijkheid streeft. Zij zeggen allemaal dat zij deel willen blijven uitmaken van een democratisch, federaal Irak, met de garantie van autonomie. Zij weten heel goed dat in het buurland Turkije alleen al het idee van een vrij Koerdistan grote angst oproept. Daar leven twaalf miljoen Koerden permanent op gespannen voet met de centrale regering.

Dit alles wordt mij in perfect Engels uitgelegd door de jonge minister van buitenlandse zaken en ontwikkeling van Jala Talabani, Shalaw Askari. Hij heeft in de VS en Engeland gestudeerd. Hij ontvangt mij in plaats van Jalal Talabani, die onverwacht naar Moskou moest. Vroeger was de PUK marxistisch en kregen ze hulp van de Sovjet-Unie, maar nu zijn ze pro-kapitalistisch en militante bondgenoten van de coalitietroepen met wie de peshmergas nauw hebben samengewerkt. ,,De Amerikanen zijn onze vrienden en de bevrijders van Irak. Wij zijn dankbaar dat ze de tiran Saddam Hoessein hebben afgezet'', zegt Askari. Toen ik daarnet deze zaal binnenkwam en de minister op me zag staan wachten, omringd door raadgevers en particuliere ondernemers die met hem samenwerken, schrok ik even. Waarom zoveel mensen? Vanwege een reusachtig misverstand! Shalaw Askari en zijn mensen hadden iemand verwacht die onmiddellijk aanzienlijke geldsommen kon investeren in de wederopbouw en ontwikkeling van het Koerdistan van Jalal Talabani. Met pijn in mijn hart zei ik dat dat niet in mijn macht lag, dat ik maar gewoon een Zuid-Amerikaanse schrijver was die de situatie in Irak kwam bekijken. De minister verbleekte, slikte en begon - wat moest hij anders? - te lachen.

,,Wij Koerden'', zei hij, ,,willen niet langer terugdenken aan de martelgang van ons volk of aan de onzalige interne strijd waardoor onze zaak voor het oog van de wereld veel schade is toegebracht. Wij willen nu helpen met de vorming van een democratisch Irak waar wij in vrede kunnen samenleven met de andere groeperingen. In Koerdistan doen we dat al dertien jaar. Kijkt u bijvoorbeeld hoe de Turkmenen hier worden gerespecteerd. Zij kunnen in alle vrijheid publiceren en hun eigen politieke organisaties hebben. Hetzelfde geldt voor de sjiieten, de soennieten, de christenen en mensen met andere religies. Er is ruimte en werk voor iedereen. Wij zijn een voorbeeld voor het Irak van de toekomst.'' Als ik hem vraag of de PUK deel zal uitmaken van de door Paul Bremer te vormen regeringsraad, verzekert hij me dat dit is afgesproken tijdens het recente bezoek van Bremer. (En inderdaad, wanneer enkele dagen na ons gesprek in Bagdad het nieuwe orgaan wordt voorgesteld dat een democratisch en federaal systeem in het land moet brengen, staan Jalal Talabani en zijn tegenstander Massud Barzani op een prominente plaats.)

,,Het sleutelwoord voor de pacificatie van Irak is werk',' zegt minister Askari. ,,Het islamitische fanatisme zal bijvoorbeeld drastisch verminderen wanneer al die werklozen eens aan het werk gaan en een salaris verdienen. Als je niets te doen hebt kun je makkelijk vijf maal per dag naar de moskee en als een geestelijke gevangene leven van wat daar wordt gepredikt. Als je acht uur werkt, heen en weer moet reizen en daarbij ook nog tijd met je gezin doorbrengt, dan kan de godsdienst niet langer de enige bezigheid in je leven zijn. Daarvoor in de plaats komen andere dingen die belangrijk zijn. Bepaalde hersenspinsels verdwijnen uit je hoofd en worden vervangen door modernere ideeën.'' Volgens hem zijn de gewelddadigheden tegen de coalitietroepen niet alleen het werk van overgebleven troepen en van de republikeinse garde van Saddam, maar ook van buitenlandse commando's van Al-Kaida, en zelfs van terroristen uit Iran die de meest conservatieve godsdienstige sector in het buurland gehoorzamen. ,,Niemand is zo bang dat er een democratisch Irak komt als al die mensen. Zij denken dat Amerika vroeg of laat ook achter hen aankomt. Daarom hebben ze besloten dat de oorlog maar meteen moet beginnen en wel hier op Iraaks gebied.'' Maar hij is ervan overtuigd dat de coalitie en de Iraakse autoriteiten, zodra het land op orde is, het terroristische verzet snel de kop in zullen drukken.

Zijn ideaal is glashelder: een Irak van professionals en technici, geïntegreerd in de wereld en bevrijd van politieke of religieuze dogma's. Een land dat van overal kapitaal aantrekt om de reusachtige grondstoffen, waar het rijk aan is, te exploiteren. Een land van vrijheid en gerechtigheid, met de privé-onderneming als motor. Hij wijst op de hem vergezellende ondernemers. Die zijn al aan het werk, hoewel de onzekerheid, het juridische vacuüm en het feit dat er nog geen banken zijn, moeilijkheden opleveren voor elke financiële operatie. Er is zelfs nog geen gemeenschappelijke munt voor heel Irak. Hier in Koerdistan circuleren geen dinars met de kop van Saddam erop, zoals in de rest van het land, maar munten uit het daaraan voorafgaande tijdperk. Is het mogelijk zaken te doen en te investeren in zo'n chaos? Een van de zakenlieden, de uitbundige en zeer hartelijke Nagi Al Jaf, grijnst triomfantelijk en zegt: ,,Morgen verwachten wij een delegatie van Zwitserse bankiers die wij er bijna van hebben overtuigd dat ze een bank moeten openen in Soelaimania.'' De minister herinnert me eraan dat het kapitaal altijd daarheen gaat waar het profijtelijke investeringen kan doen en de omstandigheden stabiel en aantrekkelijk zijn. ,,Die vinden zij hier.''

De spraakzaamheid van minister Askari vermindert wanneer ik hem vraag of het waar is dat Jalal Talabani en Massud Barzani allebei aan Paul Bremer hebben beloofd dat ze hun twee regeringen tot één zullen samensmelten, opdat de Koerden een enkele vertegenwoordigende stem hebben in de toekomstige Iraakse regering. Paul Bremer zou speciaal hierover zijn komen praten met de twee vijandige broeders. ,,Wij werken samen en de scherpe kantjes van de oude vetes gaan er langzamerhand af. Er is bereidheid om een eenheid te vormen. Het is een kwestie van tijd.'' Dit is het enige moment waarop ik denk dat de vriendelijke minister me een officieel verhaaltje vertelt.

Maar ik weet zeker dat hij diep gelooft in het Koerdische verlangen de Turken gerust te stellen en hen de angst voor een onafhankelijk Koerdistan uit het hoofd te praten. De Turkse regering zal die namelijk absoluut niet tolereren. ,,Wij strijden niet voor afscheiding, wij willen deel uitmaken van een Irak dat onze rechten eerbiedigt.'' En hij voegt er langs zijn neus weg aan toe: ,,Wat een vergissing van Turkije, vindt u niet? De kans krijgen om veertig miljard dollar te ontvangen van de VS om de coalitietroepen, die Irak gingen bevrijden, door het land te laten, en die dan afwijzen! Nogal stom, nietwaar? En behalve dat geld ook nog zo'n machtige vriend verliezen. Ze moeten het zelf maar weten.''

Na afloop brengt de ondernemer Nagi Al Jaf me naar een 'paradijselijke' plaats zoals hij zelf zegt. Dat is niet overdreven. Wij rijden over een

splinternieuwe weg naar een top met een enorm plateau vanwaar we een prachtig uitzicht hebben over het hele gebied. Onder ons liggen verspreid en omgeven door tuinen, parken en bomen de witte huizen van Soelaimania, waar de eerste lichtjes al aangaan. We zijn nu zo hoog dat de verstikkende hitte wijkt dankzij een frisse bries die naar hars ruikt. Overal zie je groepjes die zich onder de bomen hebben geïnstalleerd om de maaltijd te bereiden op kleine vuurpotjes. Ze praten en drinken, sommigen zingen. Overal is het schoon, mooi en vredig. Ik moet mijn hoofd schudden en tegen mezelf zeggen dat dit allemaal oppervlakkig en niet waar is, dat ik eigenlijk in een land ben waar gisteren nog de verschrikkelijkste gruwelen plaatsvonden. Een groot aantal van deze vriendelijke picknickers die plezier maken en

straks naar de duizenden sterren gaan kijken, heeft talloze doden en gemartelden te betreuren door de wrede dictatuur of door de blinde broederstrijd onder de Koerden zelf.

Alles wat ik de volgende dag bezoek en alle mensen met wie ik spreek, geven me hetzelfde gevoel: ondanks alle tragedies uit het verleden, gaan de dingen hier de goede kant op. Er heerst een constructieve sfeer en er is hoop onder de mensen. Maar vlak voor ik vertrek heb ik in mijn hotel toevallig nog een gesprek met een jonge aannemer uit Erbil. Het hart zonk me weer in de schoenen door wat hij zei. ,,U moet niet met zo'n positief beeld naar huis gaan'', zegt hij zachtjes. ,,Weest u niet zo naïef.'' Er zijn nog talloze problemen niet opgelost. Iraaks Koerdistan is in twee partijen verdeeld die elkaar haten en die twee regeringen hebben ingesteld, wat twee monopolies zijn. ,,Kan er democratie zijn met eenpartijstelsels? Een betrekkelijke en heel corrupte democratie, dat verzeker ik u. Als je zaken wilt doen, moet je hoge commisies betalen aan de KDP of de PUK, én aan de leiders van die partijen. Velen van hen zijn de laatste jaren rijk geworden door hun nieuwe machtspositie. Want echt toezicht op de regering bestaat hier niet en in het andere Koerdistan ook niet.'' Zegt hij de waarheid of overdrijft hij? Is zijn kritiek objectief of is het de verwoording van een persoonlijke wrok of tegenslag? Ik kan daar natuurlijk niet achterkomen. Maar als ik terugrijd naar Bagdad heb ik een treurig gevoel en een wat bittere smaak in mijn mond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden