De kloof tussen de geschiedschrijvers

Veel historici gruwen ervan, maar feit is dat historisch getinte non-fictie razendgoed verkoopt. Komende week, op het gerenommeerde International Congress of Historical Sciences, zijn de professionals weer even onder elkaar. Maar ook voor leken zijn er activiteiten in Amsterdam.

Boeken over geschiedenis kunnen rekenen op een flink publiek, maar vakhistorici halen nogal eens hun neus op voor de bestsellers. Mooi schrijven wekt op zijn minst de schijn van manipulatie of gebrek aan een serieuze instelling.

De Olympische Spelen van de geschiedenis wordt het International Congress of Historical Sciences wel genoemd. Amsterdam fungeert de komende week als gastheer van de 21ste editie. Meedoen is mooi, een voordracht houden mooier.

Hoe Olympisch de status van het evenement ook mag zijn, de geschiedeniskampioenen van de boekhandel ontbreken. Opvallend veel historisch getinte non-fictie nestelde zich de afgelopen tien jaar tussen het werk van bestsellerauteurs als Dan Brown, Stieg Larsson, Kluun en Heleen van Royen. Vroeger voor onmogelijk gehouden verkoopcijfers van ver boven de honderdduizend worden nu met enige regelmaat gehaald.

Geert Mak trad op als wegbereider met de dorpsgeschiedenis ’Hoe God verdween uit Jorwerd’. ’De eeuw van mijn vader’ en ’In Europa’ gingen in nog grotere aantallen over de toonbank. Annejet van der Zijl beschreef het leven van Annie M. G. Schmidt in ’Anna’, tekende de liefdesgeschiedenis op van twee onbekenden in ’Sonny Boy’ en ontdeed het leven van een jonge prins van al zijn mythes in ’Bernhard. Een verborgen geschiedenis’. Judith Koelemeijer putte uit de ervaringen van haar ooms en tantes voor ’Het zwijgen van Maria Zachea’ om daarna het Europese leven van Anna Boom onder de loep te nemen. Suzanna Jansen dook voor ’Het pauperparadijs’ in de historie van een heropvoedingsgesticht voor de allerarmsten.

Ze schrijven over geschiedenis, maar worden niet tot de historici gerekend. ’Literaire non-fictie’ is inmiddels een veel gebruikt etiket. Met andere woorden: echt gebeurd en met zwier opgeschreven.

Maar ook met die term is niet elke auteur even gelukkig. Suzanna Jansens partner Frank Westerman (schrijver van onder meer ’Ingenieurs van de ziel’, ’El Negro en ik’ en ’Ararat’) vindt een onderscheid tussen frictie en non-frictie nuttiger. Het draait om de vraag ’Wordt er al dan niet wat losgewrikt?’, geeft de auteur aan in ’Meer dan de feiten’, een drie jaar geleden verschenen bundel interviews met schrijvers van literaire non-fictie. „Boeken die geen ander gevoel losmaken dan herkenning. Non-frictie. Er zijn er ook die ontwrichten, prikkelen, choqueren, of heel subtiel je wereldbeeld een graadje uit het lood zetten. Frictie.”

„Ik heb niet de pretentie aan geschiedwetenschap te doen”, verklaart Koelemeijer. „Ik schrijf non-fictie. De geschiedenis dient als achtergrond. De feiten moeten kloppen, hoor. Maar het gaat me om mijn karakters, een goed plot, de spanning. Bij ’Het zwijgen van Maria Zachea’ kwam ik via de verhalen van mijn oma en de twaalf kinderen die haar verzorgden automatisch uit bij de naoorlogse geschiedenis van Nederland. In het geval van Anna Boom werd ik aangetrokken door het verhaal dat ze veertig jaar na de oorlog in een droom ’Waar is mijn revolver?’ riep. Tot verbijstering van haar man, die van niets wist. Uit mezelf zou ik me nooit gaan verdiepen in Boedapest tijdens de Tweede Wereldoorlog.”

„Verhaal en vorm” zijn het belangrijkst voor Suzanna Jansen. „Ik ben geen wetenschapper, geen historica, ben zelfs niet naar een universiteit geweest”, zegt ze met nadruk. ’Het Pauperparadijs’ vertelt nadrukkelijk ook de geschiedenis van haar familie. Door een bidprentje ontdekte ze dat een hardnekkig verhaal over een Drentse betovergrootmoeder niet klopte. Vanwege een liefde met een man van een andere geloofsrichting vluchtte ze naar Amsterdam en verviel ze tot armoede, heette het. Het overlijdensbericht maakte duidelijk dat ze in het armengesticht in Veenhuizen had gezeten. Dáár wilde Jansen over gaan schrijven. „Ik had geen trek in een droge opsomming van feitjes. Daarom zocht ik oprecht naar mensen die er gezeten hadden, via wie ik de geschiedenis van de inrichting kon vertellen. Door ze met elkaar te verbinden zou er dan wel een groter verhaal uitkomen. Totdat iemand zei: dat grotere verhaal heb je al, het verhaal van je familie.”

Achteraf blijkt dat een gouden tip te zijn geweest, erkent Jansen. „Het geeft ook een meerwaarde ten opzichte van een meer traditionele, historische aanpak. Via mijn familie kwam de belangrijke rode lijn van ’Het pauperparadijs’, de erfbaarheid van armoede, bovendrijven. Daar heb ik niet bewust op aangestuurd. Ik zag het zelf ook pas na drieënhalf jaar werken aan het boek. Juist op dat aspect reageren lezers. ’Nu snap ik mijn eigen familie beter’, hoor ik dan. Terwijl hun eigen verhalen maar voor een klein stukje overlap hebben met de geschiedenis van mijn familie.”

Herkenning verklaart deels de populariteit van de grote publieksboeken. „Geschiedenis wordt op een andere, toegankelijkere en betrokken manier verteld”, zegt Judith Koelemeijer. „En met babyboomers bestaat er ook een groot publiek voor. Ze zijn goed opgeleid, hebben de belangstelling én lezen.”

Volgens James Kennedy, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, valt die belangstelling voor het persoonlijk getinte geschiedenisverhaal ook te verklaren uit het toenemende individualisme. „Mensen gaan op zoek naar wie ze zijn, naar hun wortels. In De Verenigde Staten, waar mensen veel verspreider zijn geraakt over het land, zie je die tendens al langer.” Opvallend is volgens Kennedy ook dat er in de publieksboeken slechts beperkt over de grenzen heen wordt gekeken. „Er is in Nederland sprake van een zekere introvertie, van het herijken van het eigene.”

De meest succesvolle geschiedenisauteurs zijn vrijwel zonder uitzondering van oorsprong journalist. Ze zijn publieksgericht, werken relatief snel en schrijven gemakkelijk.

Geert Mak (hij werkte als journalist voor De Groene Amsterdammer, NRC Handelsblad en de VPRO) was deze zomer gasthoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad. Het thema: verslaggevers van de 20ste eeuw. Bij de presentatie van het nummer noemde hij journalisten een soort eerstelijns-historici. Hij hekelde zijn eigen soms wat kunstmatig scherp getrokken scheidslijn tussen de twee beroepsgroepen.

Mak haalde bij die gelegenheid herinneringen op aan de kritiek waarmee hij door professionals werd bestookt naar aanleiding van de tv-serie naar zijn boek ’In Europa’. Een deel van het commentaar was terecht. Het format met uitzendingen van maximaal 25 minuten dwong soms tot simplificatie. En er werden vergissingen gemaakt: „Alleen als je niks schrijft, maak je nooit fouten.”

Maar historici maakten zich ook schuldig aan muggezifterij: „Lieve hemel, het waren ook wel spijkers op laag water. En soms was het ook echt onzin.” Mak, die op dit moment werkt aan een boek over Amerika in de jaren vijftig, vindt ook dat een deel van de vakmensen doet alsof geschiedenis een exacte wetenschap is. „De stelligheid waarmee allerlei opvattingen werden geponeerd, alsof het ging om wiskundige formules”, klaagde de schrijver in een interview met het Historisch Nieuwsblad. „Historici horen juist een diepe onzekerheid met zich mee te dragen over wat de juiste interpretatie van het verleden is. In mijn verhalen maak ik die onzekerheid altijd zichtbaar. Ik blijf voor meerdere interpretaties openstaan.”

Van de Belg David van Reybrouck verscheen dit jaar ’Congo, een geschiedenis’. Ook dat goed lopende boek breekt met de traditionele aanpak van historici. „Het grote verhaal moet weer geschreven worden”, betoogde de schrijver in een interview met NRC Handelsblad. „Maar dan een verhaal dat de lessen van de twijfel en de zelfkritiek in zich draagt, een verhaal met ruimte voor nuancering, zonder de arrogantie en agressie van de dominante overtuiging.” Van Reybroek doet dat door persoonlijke ervaringen te verweven met getuigenissen van Congolezen en historische feiten. Dat hij dat op een buitengewoon vaardige manier klaarspeelt, heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat hij ook als literator actief is.

Ook de Duitse historicus Philipp Blom heeft zo’n achtergrond. Hij debuteerde ooit met een roman. Blom vindt dat veel geschiedvorsers doorschieten in hun streven naar meetbaarheid. „Geschiedenis is geen zuivere wetenschap. Transparante subjectiviteit is het hoogst haalbare. Ze zijn er wel in de academische wereld, hoor. Neem de begin deze maand overleden historicus Tony Judt. Die schreef geëngageerd, met een grote intellectuele eerlijkheid, en toch was in elke zin zijn vakmanschap als wetenschapper zichtbaar.”

De in Wenen en Oxford opgeleide Blom kreeg vorig jaar mooie kritieken en haalde goede verkoopcijfers met ’De duizelingwekkende jaren’. Hij probeert daarin de tijdgeest van de jaren 1900-1914 te pakken door aandacht te besteden aan uiteenlopende verschijnselen als wereldtentoonstellingen, warenhuizen, ziektebeelden, en snelheidsmanie. Blom wilde nadrukkelijk niet terugredeneren vanuit de oorlog die kort daarna uitbrak, maar „laten zien dat iedere tijd een open toekomst heeft”.

In november verschijnt van dezelfde auteur ’Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de verlichting’ dat vanuit eenzelfde benadering is geschreven. „De historische wetenschap heeft angst voor verhalen. Je moet vooral niet te goed schrijven, want dan lijkt het niet serieus. Die angst is merkwaardig. Geschiedenis bestaat uit de verhalen. De Engelse en Duitse termen hebben het al in zich: ’history’ en ’Geschichte’.”

Scheidend hoogleraar Nederlandse letterkunde Marita Mathijssen hekelde vorig jaar in haar Jan Hanlo-lezing de dorheid van de meeste artikelen en boeken die de universitaire wereld voortbrengt: „Het doorsnee wetenschappelijk artikel of boek van alle disciplines is in krassend proza geschreven, het mist enige demonstratie van persoonlijkheid en het gebruikt geen enkel historisch middel om de lezer te binden.”

Mathijssen, die zelf grote verdiensten heeft bij het wekken van wetenschappelijke en publieke belangstelling voor de negentiende eeuw, noemde dat een groot gemis. „Ook voor de wetenschap is stijl een bewijs van beheersing, is inzet van persoonlijkheid een bewijs van een kritische instelling en is het gebruik van retorische middelen gewoon een bewijs van vakmanschap.”

Philipp Blom onderschrijft die kritiek. „Het zal ook iets te maken hebben met de groei van de geesteswetenschappen. Er moeten ontzettend veel dissertaties worden geschreven, terwijl het aantal potentiële onderwerpen niet meegegroeid is. Gewichtige taal kan dan aardig versluieren dat er iets wordt opgeschreven dat intellectueel niet erg ingewikkeld is. Dan trekt een auteur rustig dertig pagina’s uit om met heel gezwollen taal en ondersteund door veel citaten platitudes te verkondigen. Publicaties van historici hebben hun eigen termen, hun eigen eisen aan voetnoten en documentatie. Het is de taal van een stam, die door de leden onderling gesproken en begrepen wordt. Soms is dat nuttig, heel vaak niet. Als een boek niet in de taal van die stam is geschreven, zegt dat ook niets over het belang ervan of het niveau.”

Volgens hoogleraar Nederlandse geschiedenis James Kennedy verschijnen in Nederland relatief veel titels die een beetje tussen wetenschappelijk werk en publieksboek in hangen. „Ze zijn interessant voor historici en toch redelijk toegankelijk voor anderen. Het heeft te maken met de grootte van het taalgebied. Schrijf in het Engels over een bepaald onderwerp en je hebt ook met vakgenoten een behoorlijke groep geïnteresseerden. Dat lukt hier niet.”

Maar stijl krijgt nog altijd weinig aandacht in de opleiding van Nederlandse historici, ziet Kennedy. „In Groot-Brittannië, en in iets mindere mate in de Verenigde Staten, gaat het er niet alleen om dat historici goed schrijven, maar ook dat ze mooi schrijven. In Nederland is de objectiviteitsnotie heel sterk. Volledigheid, de feiten netjes en controleerbaar op een rijtje, haast op een meetkundige manier, dat telt hier. De stijl is meestal minder betogend, minder argumentatief. Knap schrijven staat voor sommigen gelijk aan iets manipulatiefs.”

Toch ziet Hans Renders, hoogleraar geschiedenis en theorie van de biografie aan de Rijksuniversiteit Groningen, historici zowel nationaal en internationaal wat opschuiven in de richting van het publieksboek. Dat hij zelf spreekt op het International Congress of Historical Sciences, dat daar aandacht wordt besteed aan biografie en micro-historie, vindt hij tekenen aan de wand.

„In mijn voordracht haal ik het boek ’Operation Mincemeat’ van Ben Macintyre aan. Dat gaat over een operatie van de Britse inlichtingendiensten. Door in Spanje een lijk aan te laten spoelen met valse papieren en een gefingeerde persoonlijkheid moesten de Duitsers geloven dat de geallieerde invasie niet op Sicilië maar op Kreta zou komen. Macintyre heeft een spannend verhaal afgeleverd, micro-historie, maar wel degelijk van belang voor het grote verhaal van de Tweede Wereldoorlog. Dominic Lieven voegt aan de vele boeken over Napoleons veldtocht naar Rusland er een toe, waarin hij veel nadruk legt op de rol van de paarden en zich verdiept in het voer en in de hoefsmeden. Dat is een niet eerder geboden inkijk, die aanspreekt bij het grote publiek en die indruk maakt bij historici.” Een wetenschapper bouwt nog steeds gezag op met peer reviewed artikelen in gerenommeerde vaktijdschriften, liefst internationale. Ook dat verandert, signaleert Renders. „Wie een paar degelijke boeken aflevert bij een goed aangeschreven publieksuitgeverij, verwerft ook aanzien.”

James Kennedy ziet nog wel degelijk verschil. „Er zijn uitzonderingen die de regel bevestigen, maar in het algemeen zijn de werelden van schrijvers voor het grote publiek en historici nog gescheiden.

Wetenschappelijkheid en toegankelijkheid hoeven elkaar ook niet uit te sluiten, meent Koelemeijer. „Kijk naar Annejet van der Zijls boek over Bernhard. Ze is erop gepromoveerd, maar het leest als een roman.” Zelf werkt Koelemeijer op dit moment aan een autobiografisch boek. De geschiedenis, in dit geval die van de jaren tachtig, dient zich automatisch aan. Suzanna Jansen schrijft ’De baronnenrace’, een boekje waarin ze de waar gebeurde geschiedenis van een autowedstrijd in 1903 wil versnijden met een verzonnen verhaal dat speelt in het heden in een Mercedes uit de S-klasse. Een combinatie van fictie en non-fictie dus. Veel wetenschappers zullen ervan gruwen. „Maar ik wil het proberen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden