De kleur van levenskracht

Schilder Karel Appel is tachtig geworden, en drie musea vieren het feest met speciaal ingerichte tentoonstellingen. Een portret van een barbaar in deze barbaarse tijden. 'Een dier dat mensen schildert.'

Karel Appel is tachtig jaar, maar voelt zich nog zo fit als een jongen van veertig. Hij lijkt gelukkig met de drie tentoonstellingen die ter ere van zijn verjaardag zijn geopend. In het Cobra-museum in Amstelveen staan sculpturen, in het Haags Gemeentemuseum hangen tekeningen en schilderijen en in het Stedelijk in Amsterdam zijn schilderijen uit de laatste twintig jaren van de Hollandse meester te zien.

Of eigenen we hem ons ten onrechte toe? Appel is verguisd en de hemel ingeprezen, tot anachronisme verklaard en teruggehaald. Zelf keerde hij begin jaren vijftig Nederland de rug toe, nadat zijn 'Vragende Kinderen' in de kantine van het toenmalig stadhuis van Amsterdam onder het behang waren weggewerkt, omdat de ambtenaren er niet rustig hun broodje bij konden eten. De Nederlandse pers boorde de Cobra-jongens (Appel, Corneille, Constant, Jorn en dichters als Montremont) de grond in. Zo schreef Het Vrije Volk naar aanleiding van hun eerste tentoonstelling in het Stedelijk in 1949: 'Het zijn knoeiers, kladders, verlakkers'. Trouw berichtte niet anders.

Appel is uiteindelijk tot de internationale society gaan behoren, is rijk geworden en zijn werk gekopieerd. Over zijn persoon bestaan twee visies: die van de malicieuze en die van de integere Appel. Volgens vroegere vriend Corneille heeft Appel een rotkarakter en is hij een norse brompot geworden. Schilder Jan Cremer, die nog altijd lyrisch is over Appels werk uit de jaren vijftig, ontdekte dat Appel hem negeert, beducht voor concurrentie. Volgens kunsthandelaar Nico Delaive vraagt Appel altijd naar de prijzen van Corneille, en of die veel verkoopt (Parool, 2-9-2000). Maar vriendin Tony Sijmons zei in 1990 in Trouw: ,,Appel is een zachtmoedige, romantische man die zich verschuilt door zich harder voor te doen dan hij is'.

Zelf wil hij wel een beetje malicieus zijn, zeker tegenover de pers, maar in zijn werk is hij oer, instinctief en individueel. Volgens Corneille maakte Appel zijn beste werk in de Cobratijd: ,,Ongekunsteld, spontaan en puur, een beetje naïef. Maar hij is altijd een rasschilder gebleven, zelfs als hij aanrotzooit komen er nog mooie werken tevoorschijn.'

In september 2000 verscheen een onvoltooide biografie van Cathérine van Houts over Appel (ze stierf voortijdig), waarin zij bevlogen vertelt over 'het beest' Appel. De reacties waren niet eensluidend instemmend. Vrij Nederland schreef dat de tragiek van Appel pas nà de armoedejaren kwam. Tijdens de hoogtijdagen van de popart werd Appel als naloper gezien, ondanks dat hij al eind jaren veertig sculpturen maakte uit gebruiksvoorwerpen. Zijn 'eenvoudige Toon Herman's vrolijkheid' van midden jaren zeventig kon niet concurreren met de heftige werken over de Tweede Wereldoorlog van Immendorff en Baselitz. Appel maakte werk over de reeds verloren onschuld, over vogels en bloemen. Hij liet zich vollopen met emoties en knalde die dan op het doek.

Appel verruilde in 1950 zijn Amsterdamse Dapperbuurt-achtergrond voor Parijs, Rome en later New York. Hij werd een meester. De Cobra-periode, waarin de kunstenaars zich in hun werk wilden richten naar de puurheid van de simpele mens en het kind, was in 1951 uit elkaar gevallen. Appel ging zijn eigen weg en begon met verf te smijten: kilo's met beide handen op het doek uit de tube geknepen. Het liefst ging hij om met dichters. In de omgeving van het Zuid-Franse Nice zocht hij in afzondering naar wortels van olijfbomen die hij met verf bewerkte. Uren struinde hij door New York en raakte verzeild in de jazz-scene.

In Nederland exposeerde Appel een aantal keren in de jaren vijftig en zestig in het Stedelijk Museum in Amsterdam. In de jaren zeventig is het stil, op een grote overzichtstentoonstelling in het Centraal Museum in Utrecht in 1970 na. In 1974 bood Appel nog niet eerder vertoond werk aan voor een eigen museum in Amsterdam, maar directeur Edy de Wilde, opvolger van Willem Sandberg, vond dat er al genoeg in het Stedelijk Museum hing. Appel liet vervolgens een vrachtwagen voorrijden om zijn bruiklenen terug te halen.

Pas in de jaren tachtig en negentig volgden er meer tentoonstellingen, voortkomend uit de vernieuwingen in zijn werk. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig krijgt hij een meer beheerste stijl met ritmisch geplaatste streken van de kwast. Kleur krijgt nieuw leven in zijn werk en symboliseert voor Appel levenskracht en vrijheid. Hij gaat landschappen en stillevens schilderen en begint midden jaren tachtig aan een naaktserie. In 1987 maakte hij samen met choreograaf Min Tanaka in opdracht van de Parijse Opera het ballet 'Can we dance a landscape?'. Zeven jaar later ontwierp hij voor de Nederlandse Opera het decor van Noach. In zijn sculpturen maakte hij gebruik van voorwerpen uit vreemde culturen, die hij omsmeedde tot hybrid art.

Volgens Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, is het beeld dat over Appel bestaat bepaald door de film die Jan Vrijman in 1961 maakte over de kunstenaar. Appel noemde zichzelf daarin 'een barbaar in deze barbaarse tijden. Een dier dat mensen schildert.' Legendarisch zijn zijn woorden geworden: 'Ik rotzooi maar wat an'. Fuchs: ,,Appel actéérde toen als schilder, misschien uit verlegenheid. In werkelijkheid wist hij precies waar hij mee bezig was. Ook zijn nieuwste werk is glashelder en indrukwekkend.' (Parool, 2-9-2000).

Appel verbergt zijn meeste schilderijen en sculpturen in ateliers en pakhuizen: werk dat nooit vertoond is. 'Misschien mogen we niet weten wie hij is?', vraagt een journalist zich in een artikel in de Volkskrant in 1998 af. 'Hij vertoont zich wel, maar laat zich nauwelijks zien.' Wie is Appel? In de film van Vrijman zegt hij daarop: ,,Ik ben er alleen als ik achter mijn doek sta'.

Zijn werk is zijn drijfveer. Uren kan hij in zijn atelier werken, met de deur op slot. Appel: ,,Mijn schilderen is een spiritueel orgasme. Daar kun je je hele leven mee doorgaan.' Vrijman: ,,Bij Karel is het een voortdurend branden, hij is een gigantische luciferkop die brandt... hij praat zoals hij schildert.'

In de catalogus van de tentoonstelling die nu in het Stedelijk te zien is, is een recent gesprek tussen Fuchs en Appel opgenomen. Wat Appel nog altijd beweegt is zijn instinct. Van intellectuele of conceptuele kunst moet hij niks hebben, die vindt hij plat, decoratief.

Hoewel hij altijd heeft beweerd te hebben afgerekend met de tradities die hem voorgingen, verwijst hij nu met liefde naar de Hollandse meesters als Rembrandt en Van Gogh. Volgens Appel zijn dit schilders die vanuit hun intuïtie hebben gewerkt: ,,Van Gogh gebruikte het rood om te laten zien hoe geweldig het blauw is. Hij was meditatief ingesteld, zoals elke schilder moet zijn. Hij kijkt naar een cipres, leeft zich in in die boom, hij wordt die boom en stopt op het moment dat hij die boom is. Dan is er een wonder gebeurd. Hij heeft het geheim van het leven geraakt.'

Een achttiental grote werken heeft Appel vorig jaar in Holland gemaakt en weer het Hollandse licht ontdekt, langs het stille strand bij Wijk aan Zee. ,,Natuur is de inspiratiebron om het doek te maken - ik wil dat doek schilderen... Als je jong bent is je geestelijk groeien verder dan je technisch kunnen. Honderden tubes verf heb ik gebruikt en kilo's verf op het doek. Ik vocht met de materie. Nu vecht ik met de materie en plotseling stopt het: na een uur, anderhalf uur. Ik gebruik de kwast, maar werk nog even direct. Daar zit geen traditie tussen. Dat is materie en inspiratiebron, zoals de cipres van Van Gogh: superindividualistisch.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden