Review

De kleur blauw wil graag bevrijd worden

Kemal Kurt: 'Zeven kamers vol wonderen', ill. Yvonne Jagtenberg, vert. Yvonne Kloosterman, La Rivière en Voorhoeve, 78 p, ¿ 24,50, v.a. 7 jr; Halil Gür: 'Een steen aan een draadje', ill. Thé Tjong-Khing, vert. Jeroen Aarssen, Piramide, 112 p, ¿ 24,90, v.a. 10 jr; Anton van der Kolk: 'Amira, prinses van Marokko', Van Goor, 144 p, ¿ 27,50, v.a. 13 jr; Gertie Evenhuis: 'Geef mij maar een kameeltje', ill. Annemarie van Haeringen, Leopold, 95 p, ¿ 24,90, v.a. 10 jr.

En omgekeerd: kunnen West-Europese (kinderboeken-)schrijvers wel boeken schrijven die in de Arabische wereld spelen? Wordt dat niet te oppervlakkig, te veel van buitenaf, te zichtbaar het resultaat van een exotisch vakantiereisje?

Gelukkig zijn deze vragen de laatste jaren niet meer met een simpel ja of nee te beantwoorden. Auteurs als Rafik Schami (Syrisch-Duits) en Ghazi Abdel-Qadir (Palestijns-Duits) zijn gewoon goede schrijvers, en de broers Hakim en Karim Traïdia (Algerijns-Nederlands) hebben met hun kinderboek 'De zandkroon' in elk geval bewezen boeiend te kunnen vertellen. Geen van hen schrijft vanuit expliciet emancipatorische motieven of een underdog-positie. Alleen de Arabische sprookjeswereld blijkt een factor die bij elk van hen doorwerkt.

Voor West-Europese auteurs geldt simpelweg: hoe intensiever het contact met de vreemde cultuur, hoe geloofwaardiger hun boeken. Dat zie je bij de Britse Gaye Hiciylmaz (Turkse echtgenoot), die voor het in Turkije spelende 'De storm' (1991) een Zilveren Griffel kreeg. En aan Anton van der Kolk, wiens huwelijk met een Costaricaanse leidde tot kinderboeken als 'Een pelikaan op straat' (Jenny Smelik-IBBY prijs 1993), die een glashelder beeld geven van hoe kinderen cultuurverschillen ervaren.

Vier nieuwe kinderboeken, twee van Turkse en twee van Nederlandse auteurs, nemen in dit verband elk een eigen plaats in. Het zijn 'Zeven kamers vol wonderen' van de in Berlijn wonende Turkse auteur Kemal Kurt (49), 'Een steen aan een draadje' van Halil Gür (46) uit Amsterdam, 'Amira, prinses van Marokko' van Anton van der Kolk, en 'Geef mij maar een kameeltje' van Gertie Evenhuis.

Een complete bespreking van elk van deze boeken is in dit kader niet mogelijk, wel een typering vanuit de vragen waarmee dit stuk begint. Dan blijkt 'Een kamer vol wonderen' van Kemal Kurt het meest opvallend, en wel omdat het het minst voldoet aan de veronderstellingen die aan de eerste vraag ten grondslag liggen. Het gaat níét over Turkse kinderen, maar over westerse; Turkije komt nauwelijks ter sprake. De enige boodschap die verkondigd wordt is dat de wereld vol wonderen is voor wie ze wil zien. Bij hem werkt dus wél de sfeer van 'Duizend-en één-nacht' door: de twee hoofdpersonen, zusjes van tien en zeven jaar, ontdekken in een vervallen huis zeven kamers vol vreemde zaken, zoals de kleur blauw, die zo graag bevrijd wil worden, schaduwen zonder voorwerpen, woordenbeestjes, levende geuren en leugenkabouters. Kurt, die in het Duits schrijft, heeft een lichtvoetige, speelse vertelstijl, vol filosofische en taalkundige grapjes. Helaas doet de stijve, formele vertaling hier geen recht aan: zie “papa nam plaats” (ging zitten) en “het heeft iets van doen met sterren” (te maken met). In het najaar verschijnen in Duitsland twee nieuwe kinderboeken van Kemal Kurt. Als Nederlandse uitgever zou ik daar snel bij zijn.

Halil Gür werd in Nederland bekend met zijn debuut 'Gekke Mustafa', en 'Mijn dappere moeder' kreeg in 1987 de IBBY-prijs. Hij schrijft niet zoals Kemal Kurt in de taal van het land waar hij woont, maar in het Turks. Uit al zijn boeken spreken zijn Turkse roots, waar hij met smaak over kan vertellen. Zijn werk is meer realistisch dan sprookjesachtig, al is in 'Een steen aan een draadje', het begin, waar een wijze gek vreemde verhalen vertelt, het sterkst. Het verhaal gaat over de twaalfjarige Hayati die zo graag op vakantie wil terwijl zijn ouders dat niet kunnen betalen.

Gür schrijft bloemrijk, smeuïg, maar soms ook zoetig, en bombastisch (“In mijn lijf was een heftig verlangen ontbrand”). En hij laat het kind praten als een volwassene (“Onbekende kustplaatsen (. . .) hebben een betoverende uitwerking op me”).

Hierboven werd Anton van der Kolk genoemd als Nederlandse auteur die zich uitstekend kan inleven in een andere cultuur. Dat geldt dan voor zijn boeken over het meisje Marita, dat met haar Costaricaanse moeder in Nederland kwam wonen. Zijn 'Amira, prinses van Marokko', over een ongelukkige liefde tussen een Nederlandse jongen, Bram, en een Marokkaans meisje, is veel minder sterk. Van der Kolk reisde met een beurs van het Fonds voor de letteren door Marokko, en dat is in het tweede deel van het boek, waarin Bram zijn geliefde Amira in Marokko achterna reist, zichtbaar. Het wordt te reisgidsachtig (“Bram bezocht in zijn eentje de graven van de Meriniden, de troosteloze begraafplaats van de sultans van de Meriniden-dynastie, op de heuvel el-Kolla.”).

Dit euvel heeft 'Geef mij maar een kameeltje' van Gertie Evenhuis niet. Het is een levendig, vlot weglezend verhaal over twee Arabische kinderen van elf jaar die dezelfde jonge kameel kopen van een oplichter en daar ruzie over krijgen.

Ook zij schreef dit boek op basis van reizen, en wel door Israël, Jordanië en Egypte. Maar hoewel het boek zeer informatief is over het leven van rijke bedoeïenenkinderen - voor wie rekenmachientjes, mountainbikes en Nintendo-spelletjes net zo normaal zijn als kamelen en jeeps -, is bij haar de verre-landeninformatie meer verinnerlijkt. Al vraag je je af of de schrijfster de Arabische kinderen niet op een te vrije, westerse manier met elkaar om laat gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden