De kleren, die Jan van thuis meekrijgt... Niets past, en vaak niet schoon

In de zorgsector zijn ethische en morele dilemma’s aan de orde van de dag. Een ideale oplossing is er zelden. Vandaag dilemma 2: Hoe ver moeten begeleiders gaan in de zorg voor aan hen toevertrouwde gehandicapte kinderen?

Jan is een jongen van 11 jaar. Regelmatig roepen de begeleiders hem tot de orde, omdat hij nogal druk en luidruchtig is. Vanwege ADHD slikt hij dagelijks ritalin. Hij heeft een spastische arm en loopt moeizaam. Voor de rest oogt hij echter als een gezonde, stevige Hollandse jongen waar niets mis mee is.

Maar de kleren die hij meekrijgt van thuis...Het is volgens zijn begeleidster soms gênant wat ie aan heeft. Niets past. Bovendien zijn z’n kleren meestal niet schoon. Zijn ouders zeggen dat ze er geen geld voor hebben. Dat zou kunnen kloppen, maar net zo goed ook niet. De leidster wil zich voorzichtig uitdrukken, maar toch ontsnapt haar de term asociaal, als ze over Jans ouders spreekt. Ze sluit niet uit dat er thuis wel geld is, maar dat het aan de verkeerde dingen wordt besteed. Eigenlijk vindt ze de jongen een beetje zielig, triest kind. Als hij jarig is, krijgt hij geen cadeautje van thuis.

Die kleren...dat is zo opgelost, zou je denken. In gezinnen puilen de kasten uit van kleren die niet meer worden gedragen, omdat de kinderen eruit zijn gegroeid. En inderdaad heeft een van de medewerksters van de instelling waar Jan verblijft wel eens geopperd om voor hem wat kleren van huis mee te nemen. Wat kan daar nou op tegen zijn?

Ze hebben erover nagedacht in de staf, er is over gesproken. De uitkomst van dat overleg is dat ze er niet aan kunnen beginnen. „Daar zijn wij de instelling niet voor. Dan zouden we de verantwoordelijkheid van de ouders overnemen. Maar dat is niet de bedoeling. Wij hebben geen ouderlijke macht. De ouders blijven verantwoordelijk”, zegt een van de begeleiders. „Bovendien”, zegt ze, „er lopen wel meer kinderen rond hier, die slecht in de kleren zitten. We kunnen het niet verkopen dat we voor Jan wel en voor die anderen geen kleren meenemen.”

De instelling waar Jan verblijft is een logeeradres voor kinderen met een lichamelijke of meervoudige handicap. Kinderen worden er buiten de schooluren, in weekeinden en gedurende vakanties opgevangen. Maar de verantwoordelijkheid voor de kinderen berust nadrukkelijk bij hun ouders of voogden. Soms hebben de begeleidsters het daar moeilijk mee. Dan is de verleiding groot het maar even helemaal van de ouders over te nemen.

In het geval van Jan hebben de ouders er niet om gevraagd. Maar het omgekeerde komt ook voor: dat ouders iets van de begeleiders vragen of op hun bordje proberen te leggen dat absoluut niet kan. Dan komt het er op aan om grenzen te stellen.

Daar bleek Anne, begeleidster van Petra, moeite mee te hebben. Petra, een zwaar gehandicapt meisje van acht jaar, is gekluisterd aan een rolstoel. Petra is zwaar epileptisch. Door de epileptische aanvallen gaat ze steeds meer achteruit.

Elk jaar stelt het opvanghuis voor elk kind een jaarplan op. Zo ook voor Petra. Haar ouders wonen niet ver weg en dus had Anne bedacht: weet je wat, ik ga een uurtje voordat mijn werk begint wel even bij ze langs. De ouders van Petra zijn bezig een nieuw huis te bouwen, met aanpassingen zodat ook zij er kan wonen. Maar een apart, aangepast bad voor Petra? „Dat doen we maar niet meer”, zeiden de ouders. „Want als ze met haar armpjes in het water slaat dan komen de spetters in haar longen en dat is niet goed.”

Anne: „Neem haar dat pleziertje alsjeblieft niet af. Ze mag om die reden ook al niet meer zwemmen. Voor die spatjes hoeft u niet bang te zijn. Het bad kan heel goed zo worden gemaakt dat ze met haar armen niet in het water kan slaan.”

Anne had het jaarplan via haar privé-email naar de ouders van Petra gestuurd. „Dat doe ik normaal niet. Nu kreeg ik via m’n email een ’oproep’ van de ouders om samen met de architect en alle andere betrokken partijen om de tafel te gaan zitten. Dat was een wens van de architect die precies wilde weten op welke wijze hij het huis geschikt kon maken voor Petra. Dag en uur, evenals de plaats, namelijk het logeerhuis, hadden ze ook al geregeld. Zo voel je je enorm onder druk gezet. Dat kan niet, zo-iets hadden ze eerst moeten vragen. Strikt genomen hebben wij niks te maken met een bad in een privéhuis. Uiteindelijk zijn we hier wel uitgekomen.”

Anne had in dit geval zelf aanleiding gegeven tot een kleine grensoverschrijding van ouders die natuurlijk uit zijn op het beste voor hun kind. Anne’s manager begrijpt het wel: „Je bent als begeleidster bereid je kennis te delen. Ook jij wilt immers het beste voor het kind. En jij weet uit ervaring wat er waar te koop is. Maar het is niet de bedoeling dat je zo betrokken raakt in een privékwestie van de ouders.”

Om redenen van privacy zijn de namen in dit artikel gefingeerd. Deze serie dilemma’s in de zorg kwam tot stand in samenwerking met Vilans, kenniscentrum langdurende zorg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden