De kleinere inslaggaten overgaand in grotere doorboringsgaten, en hele huismuren nu al één groot gat in het landschap

“En daar zijn mijn beide kompanen, de buitenlandse Serviërs, al midden tussen de rouwdragenden, en ik zie ze hun vragen stellen. Ah, dat gevraag! En daar zie ik ze al met de sljivovica-glaasjes vertrouwelijk klinken met de Visegradse autochtonen, en daar wenken ze mij er al bij, en daar doe ik al met proosten en daarna ook met de vragenstellerij mee.” In november 1995, kort voor het tot stand komen van de vrede op de Balkan, reisde de Oostenrijkse schrijver Peter Handke door Servië. Vier en een half jaar lang volgde hij de berichtgeving, de beschouwingen en de filmbeelden over de oorlog en geloofde niet wat hij las en zag. Handke's verslag, 'Gerechtigheid voor Servië', publiceerde Letter & Geest op 3 en 10 februari van dit jaar. Uit Duitsland, Frankrijk, Italië, Servië, Bosnië en Nederland kwamen felle, misprijzende, hatelijke en instemmende, welgezinde reacties op Handke's literaire verslag. Enkele maanden later stak Handke de Drina over, de grensrivier tussen Servië en Bosnië, bezocht Visegrad en Srebrenica, en schreef een vervolg op zijn 'winterse reis', dat wij integraal publiceren: vandaag de tweede aflevering. “Uitgestapt waar eens denkelijk het centrum van Srebrenica was geweest: nu een centrum alleen nog maar van het roetzwart, het stof en de as, bij een steeds heftiger blazende hete wind, waarin zich niettemin dat landelijk-Sloveense gezegde aan me opdrong: 'Bij jullie is het zo koud als op de plaats van een brand.”' Vertaling Hans Horn

PETER HANDKE

Het was al bijna middag, de mis had lang geduurd, op het tijdstip van het orthodoxe evangelie zou bij de tegenwoordige katholieken de wegzendingszegen met het 'Ite, missa est' zijn gekomen, en het huilen bij de gedenkstenen weerklonk nu veelstemmig, zij het ook elke vrouwenstem, van steen tot steen, van elkaar onderscheiden. Sponsen en lappen tussendoor, in plaats van om de zerkvlakken te poetsen, voor de ogen dienend. En nu ook talrijke jongere, zelfs zeer jonge vrouwen onder hen, weduwen van de strijders? zusters?, en in de tijd die volgde meer en meer mannen, de vaders en broers, en bovendien buitenstaanders (buiten?), veteranen van de vorige oorlogen, het kerkhof door hun veelal witte overhemden zowel als door de sportschoenen en T-shirts van de jongeren in toenemende mate lichter gemaakt. De smalle, leuningloze banken slechts hier en daar zichtbaar wordend met de zittenden dicht opeen. Bladen met flessen eigengestookte sterke drank gingen rond, met vingerhoedkleine glaasjes, en als hapje erbij, zoals tevoren al voor de misbezoekers, allerfijnst gesneden stukjes augurk, tomaat, rauwe ham, ook Kajmak-kaas, van room. Algemeen huilen (in toenemende mate geluidloos, een snikken of jammeren nog slechts zeer sporadisch), graven-poetsen, elkaar-toedrinken, kauwen, terzijde-gaan-staan, terugkeren, verderhuilen.

En daar zijn mijn beide kompanen, de buitenlandse Serviërs, al midden tussen de rouwdragenden, en ik zie ze hun vragen stellen. Ah, dat gevraag! En daar zie ik ze al met de sljivovica-glaasjes vertrouwelijk klinken met de Visegradse autochtonen, en daar wenken ze mij er al bij, en daar doe ik al met proosten en daarna ook met de vragenstellerij mee.

Maar in de grond van de zaak was het toch helemaal niet nodig geweest om te vragen. De argwaan van deze Serviërs in het landelijke Bosnië voor ons vreemdelingen en buitenlanders is even groot als tegelijk kinderlijk gemakkelijk te overwinnen. Te overwinnen? Nee, hij valt eenvoudig van hen af op het moment dat weer zichtbaar wordt dat hier iemand - zo al niet met speciaal goede, dan toch op zijn minst niet met kille kwade wil naar hun gebied gekomen is, zoals de toch al zeer spaarzame bezoekers van de laatste jaren bijna allemaal; of: gewoon iemand zonder van tevoren gevormde, van tevoren geweten bijgedachten; iemand die niet bij elk woord dat ze zullen zeggen in stilte bij zichzelf denkt wat hij dan later zal noteren om zijn bewijsvoering sluitend te krijgen: 'Aha, nu liegen ze weer. Aha, nu proberen ze er zich uit te praten. Aha, dat beelden ze zich hier weer in. Aha, daar komen ze weer met hun Servisch-Bosnische waan!'; of alleen: 'Aha, hier hebben ze onze westerse steekproef-onderzoeken weer eens niet gelezen, zijn ze slecht geïnformeerd.'

Waarom daarentegen, voorlopig en misschien ook voor een verdere tijd, niet louter getuige zijn, op een andere manier dan die van het toch tegen alle oorlogspartijen aan te wenden 'The witness said', maar zwijgend, voor één keer tenminste zwijgend, stille getuige zijn van deze evenzeer in het oog lopend als tastbaar alomtegenwoordige, allen in het land omvattende, en zo bijzonder op de voorgrond dringende, uit alle lichaamscellen naar buiten dringende, voor een begrijpen ook de voorrang hebbende smart?

Drempel-moment, van twijfel en van wantrouwen van de plaatselijke bewoners, rondom de ene, nog helemaal niet zo oude gevallene-moeder, wanneer deze zich van haar grafsteen-huishouden tot de vreemden ter plaatse richt en haar familie haar als het ware stopt met een 'Laat toch - die begrijpen immers niets van ons hier!', en de vrouw, oog in oog met de buitenlanders, hen onwillekeurig schattend, dan het volgende moment al uitroept: 'Nee, ze begrijpen het wel, ze begrijpen het wel!'

En zo, ogenblikkelijk, het inhoudsloos worden van de afweer: vanaf dat moment wordt er uit alle hoeken van het Visegradse kerkhof op ons ingepraat, -verteld, -bezworen, -gescholden, -geïnformeerd (met tussendoor heel andere informatie dan we er elders ingestampt hebben gekregen), ongeveer, niet meer dan vluchtig aangeduid, als volgt: 'Altijd zijn de Duitsers hier wat mij betreft welkom geweest, tussen de wereldoorlogen, en zelfs daarna toen, en nu zijn ze onze kwaadaardigste vijanden, zo'n klein volk als wij zijn, en de hele wereld (wijzende vinger naar de hemel, de 'wereld' daar als eskader NATO-bommenwerpers) tegen ons - zeg aan Duitsland dat het zich moet schamen! Geen vreugde zullen wij ooit meer kennen, geen feest meer vieren. De enige plaats waar wij met elkaar nog samenkomen is het kerkhof, en er liggen nog meer van zulke kerkhoven om Visegrad. De kerk, naar de kerk gaan, ja, maar slechts voor de vorm, de religie is dood, het enige leven, het enige gemeenschapsleven vindt plaats op onze kerkhoven. De sport, wel: de beste spelers zijn dood, bij voetbal zowel als bij basketbal - een heel goed basketbalteam hadden we voor de oorlog! De machthebbers ginds in Belgrado hebben ons verraden, maar wat moesten ze anders, kleine volken zoals het onze kunnen allang niet meer zelf beschikken. En wie beschikt er over hen? Beschikt? Wie heeft ze in de hand? In de vuist? Onder de duim? En volgens zo een macht en willekeur, en niet volgens het recht gaat het nu ook bij het door de oppermachtigen ingestelde gerechtshof.

Processen, ja! maar dan tegen mensen uit alledrie de oorlogvoerende volken tegelijkertijd, en niet eerst tegen een Serviër - de aandacht van de wereld is op een heel andere manier sterk gericht op zo'n beschuldigde, die daarbij nog de eerste is, en dat zal het beeld bepalen en de geschiedenis nog verder krombuigen! Niet maar één keer in mijn leven ben ik aan een fusillering ontsnapt, door de nazi's, door de ustasja, bijna tachtig ben ik, en uiteindelijk zal ik mezelf ombrengen (slag van de oude man, een veteraan, met zijn vuist tegen zijn eigen hoofd, zo hard, dat hij ervan achteruittuimelt). Alleen als dode zal ik van deze plek wijken. Nooit meer samenleven met de moslims, hoewel ik, natuurlijk, vrienden onder ze had.' (Zo terloops werd dit bijzinnetje door een jonge spreker gezegd, dat pas nu met het opschrijven de overweging zich aandient of hij het met het 'Nooit meer' inderdaad zo meende, gezien het feit dat hij nu op dit moment toch overduidelijk geen enkele vriend meer had: de volgende keer, op het juiste ogenblik, navragen! Want die uitspraak was niet echt geloofwaardig.)

Een blijvender indruk dan wat er gezegd werd evenwel de manier waarop deze mensen tegen ons vreemden waren: verward door elkaar, lang de dingen ingeslikt, opgewonden, bevrijd; argeloos, kinderlijk, de woorden er als eindelijk uitgeschreeuwd - meer nog uit een isoleerafdeling dan uit een reservaat. En geen woord van haat jegens de westerse wereld daarbij, hoogstens een zekere woede, en als er al sprake was van volkswoede, dan (misschien ook vanwege het feit dat hij zich eindelijk een keer kon uiten) een welhaast vrolijke of geamuseerde, en tegelijkertijd een treurige, bedaarde (ja, zoiets bestond er), een speelse: een volkswoede met haast alleen maar enkelingen als deelnemers.

En hoezeer hadden deze, deze verenkelde Bosnische Serviërs, ons toehoorders nodig! Deze en gene van ons hier, zo dacht ik later, zou daar weer en weer naartoe moeten afreizen en de eerste tijd niets anders doen dan luisteren.

En nog iets begon me achteraf te dagen, al ver weg van Visegrad en Bosnië, in gedachten aan het weeklagen, niet alleen maar van de moeders, daar achter de zeven maal zeven bergen: dat de beweenden dus niet al heel lang dood en weg waren, maar voor de nabestaanden en getroffenen nu net pas stierven, ogenblik voor ogenblik, nu, en nu, en nu, en zo voort. Het sterven gebeurde daar op de kerkhoven aan één stuk door. Er telde daarbij geen begrip, begrip?, of begrijpen, van onze, onze? kant, van het verleden, niet eens wat het sterven in het Bosnië van ruim vijftig jaar geleden, in de Tweede Wereldoorlog, betrof, indertijd. Indertijd? Voor de achtergeblevenen vond het nu en nu plaats. En nodig wellicht weer om eraan toe te voegen dat zo'n andere tijdzin voor mij niet enkel als een uitvloeisel van de bijzondere Slavische of Servische dodencultus verscheen - hij kon eveneens en precies zo vermoed worden bij de andere getroffenen daar, ook al mocht er dan een horen zeggen de ronde doen dat bijvoorbeeld voor de moslims hun grafvelden geen bezoekplaatsen waren: ik vertrouwde zo'n horen zeggen niet.

Op die namiddag nog als toeschouwer bij de zondagse voetbalmatch, op een hogergelegen terras al een tamelijk eind buiten het kleine Visegrad; een wedstrijd in de tweede Bosno-Servische divisie, tegen het elftal van Trebinje dicht bij de Adriatische Zee, in de bergen boven Dubrovnik. De bus met de spelers van daar had, doordat er omgereden moest worden om de enclave van Gorazde heen, in plaats van de gebruikelijke drie vooroorlogse uren in het vroegere Bosnië-Hercegowina, zeven uur nodig gehad. Loom baltrappen in de warmte, en zo hadden de ogen de tijd om de Visegradse heuvels af te tasten - terwijl, zoals denkelijk in heel Europa bij dergelijke bescheiden wedstrijden, een van de toeschouwers terreinbestrijkend het aanvuren, uitfoeteren en grappenmaken voor zijn rekening nam en de medetoeschouwers, ook dat zoals overal, meer aandacht hadden voor zijn gezegden dan voor de gebeurtenissen beneden op de grasmat (ja, zelfs in dit door de oorlog geravageerde Bosnië straalde er nog zoiets als een grasgroen). Op een van de steile heuvelhellingen de witte, paalvormige grafstenen van een islamitisch kerkhof, en vervolgens de indruk dat zich daar een vrouwengestalte bergop bewoog, een chadordoek om haar hoofd gewikkeld. Was dat een dagdroom? Maar waren er inderdaad niet nog enkele 'mohammedaansen' in Visegrad, getrouwd in een 'gemengd huwelijk' met een 'orthodox'? En even later voegde zich overwachts een vroegere bewoner van de plaats bij het publiek op de betonnen tribunetrappen, een fez op zijn kruin, begroet van alle kanten met Hallo! Nee, dit nu was onmiskenbaar een luchtspiegeling...

En één vraag heb ik dan toch nog gesteld: die naar de verwoesting van de beide plaatselijke moskeeën. Antwoord: Het had niet anders gekund. In de ene waren de zware wapens opgeslagen, in de andere de munitie. Gezien de gebruikelijke leegheid van de moskeeën leek dat zo onwaarschijnlijk niet. En toch... Zoals het in het reeds genoemde, niet-journalistieke verslag van de situatie in het Visegrad van twee jaar geleden heette: de plaatselijke bewoners leken ondanks al hun openhartigheid nog een geheim te hebben, en een geheim dat voor niemand fraai was.

Maar het was denkelijk niet alleen maar om die reden dat de laatste indruk voor onze afreis uit de stad er een was van doodlopendheid, van doelloosheid, van niet-weten-waarheen, drukkend, zwaarmoedig, een gewelduitbarsting nabij - ook de vroege zondagavond droeg daar toe bij, weer zoals allerwegen in Europa, en misschien niet alleen maar daar.

In dit vooravondlicht nu terug over de grens naar Servië, omhoog en omhoog het Tara-gebergte in, en daar langs de in de hele botanische wereld zo genoemde 'Servische sparren', de overlevenden van de ijstijd, inlands smal en kliphoog, en daarbij de paddestoelengeur uit de plateaubossen, en daarna, al diep in de zondagschemering, bochten en bochten draaiend omlaag en omlaag weer naar Bajina Basta, nu een nauwelijks te beschrijven tegenstelling met de Bosnische nabuurstad voorheen, de elegantie 'in persoon' (terwijl het voor de oorlog toch eerder omgekeerd geweest moet zijn). En niemand van de voormalige Servische liefhebbers van Visegrad was sedert het einde van de oorlog vanuit Bajina Basta in zijn vroegere bedevaart- en uitgaansplaats een kijkje gaan nemen. Waarom niet? Schouderophalen. En uit de rest van Servië, uit Belgrado, Novi Sad, Nis, zo vernamen we bij onze terugkeer, al helemaal niemand; het was alsof de Servërs in Bosnië voor de meeste Serviërs in Servië vreemdelingen waren, en dat misschien niet pas sinds de oorlog.

En wij, na onze lange zondag in wijlen de Ivo Andric-stad, overstemden tot laat in de zomerse avond wat we hadden beleefd of eerder wat er op ons afgestormd of losgebeukt was met van geen ophouden weten willende onzinpraat, met grofheden, met pas geleerde Bosnische vloeken, 'jebo te mis', dat de muis je mag naaien, 'je moeder is uit de perenboom gevallen en als je haar naait, zal ze het niet overleven!', 'dat je huis op CNN te zien mag zijn!' (dat wil zeggen: afbranden, de lucht in vliegen, enz.). En dat ook omdat er voor de volgende dag het plan bestond om terug de grens over te rijden naar Bosnië, naar een andere plaats, verder stroomnafwaarts aan de Drina, naar Srebrenica - welk een klankvol woord, naar het 'Zilverstadje', naar 'Argentaria'. En toch wilde dit 'Srebrenica' ons ternauwernood over de lippen komen, en het was te merken dat het mijn beide Servische vrienden absoluut niet trok om daar naartoe te gaan; maar het moest nu eenmaal. Wie zei dat? Uiteindelijk ieder van ons.

En weer een zomerhemelmorgen, met de knikvluchten van de zwaluwen hoog en tot ver in het blauw. Laat vertrek uit Bajina Basta, noordwaarts, over de weg langs de Drina-oever. Het watergroen van de rivier tussen de oeverstruiken; en weer de nu al weken durende peppel- en wilgepluisdrift; en de geleidelijk grauwer wordende acaciabloesembossen, nog steeds lichte banen bergop tot de naaldboomzomen, de bijbehorende nectargeur in vlagen door de helemaal opengedraaide autoraampjes komend: het diepste binnenland van Servië.

En intussen toch de rivier al die tijd als grens en staatsgrens. En dan daar de overgang naar Bratunac, terug in de Servische Republiek van Bosnië, de ene grensslagboom hier aan deze kant massief, representatief, om zo te zeggen Joegoslavisch, de andere ginds slechts aangeduid, niets compleets, en niet eens iets half compleets. En daar opnieuw: Voornaam van de vader? Van de moeder? En voor het overige de bijna al vertrouwde grenswachten-laconiekheid, in woorden, gezichtsuitdrukkingen en blikken, inmiddels waargenomen als zoiets als de poëzie van sommige van deze berglandschapsgestalten. Een gebaar van een van de grenswachten om gedurende de documenten-controleertijd plaats te nemen op de stoel naast hem, de zitting daarvan met een deken bedekt, buiten in de open lucht op de rand van de brug: me naast hem gezet, achterovergeleund en - ontbrekende leuning - op het nippertje niet ruggelings het talud af geduikeld. De manier waarop de grensbewaker dat opmerkte en tegelijkertijd deed alsof hij het niet zag.

De zomermiddagzwoelte vervolgens weer, weg-op het Drina-zijdal in, waarvan het boveneinde dan door Srebrenica wordt ingenomen; daarbij nu de warme windstoten. Het dal aanvankelijk breed, bijna een vlakte, geleed door lichtglooiende terreinverhogingen - wat de geografen een 'dalstelsel' noemen. De oorlog van april 1992 tot juli 1995 pas gaandeweg in het oog lopend, met het aanvankelijk nauwelijks merkbare omhoogrijden in het maar heel geleidelijk zich vernauwende dal, bij een hoogteverschil van toch bijna vierhonderd meter op die paar Bosnische mijlen: slechts hier en daar een paar kogelgaten en geblakerde muren, dan, met de van beide kanten naderschuivende bergen, de eerste regelrechte verwoestingen, eerst meer bij de landbouwschuren, de loodsen en bedrijfshallen, de transformatorstations, de fabrieken, daarna ook bij de woonhuizen in de buitenwijken, eerder de buiten-buurtschappen, de kleinere inslaggaten overgaand in grotere doorboringsgaten, en hele huismuren nu al één groot gat in het landschap, het geweervuur granaatvuur geworden, daarmee zich uitbreidend het roetzwart en, hoe meer het dal zich nu tot een kloof vernauwt en de bebouwing daarbij een meer stedelijk, opgaand, op het laatst hoogbouw-achtig aanzien krijgt, ten slotte beeldbeheersend wordend, geen plekje, geen gevel, geen muur overslaand.

Als er al andere auto's reden, dan haast alleen maar tegemoetkomende. Uitgestapt waar eens denkelijk het centrum van Srebrenica was geweest: nu een centrum alleen nog maar van het roetzwart, het stof en de as, bij een steeds heftiger blazende hete wind, waarin zich niettemin dat landelijk-Sloveense gezegde aan me opdrong: 'Bij jullie is het zo koud als op de plaats van een brand.'

En nu een probleem met het verdervertellen, het beeldenbeschrijven, het schilderen, de beeldvolgorde: alsof op plaatsen als S. navoelbaar wordt zoiets als het islamitische of in het algemeen oriëntaalse verbod op beelden, of tenminste een van zekere uiterlijke verschijningsvormen uitgaand beelden-weren, een afwijzen in elk geval van de grote, de uitgeschilderde, de ten einde geschilderde, de monumentale en panoramische beelden, een afwijzen dat daarvoor in de plaats echter ruimte gaf of ruimte liet voor een hele menigte miniaturen, als beelden ternauwernood nog te ontcijferen, ook ternauwernood nog iets betekenend - een zo'n miniatuurbeeldje bovendien verknoopt met het andere tot enkel, enkel?, als geheel genomen misschien toch wel het een en ander te zeggen hebbende 'arabeske'. Ja, arabeske.

En zo S.-centrum daar als in het dalboveneinde van een hooggebergte, tussen de ravijnsteile hellingen, deze waarschijnlijk eens dichtbebost, tegenwoordig echter hemelop kaalgeslagen, om te stoken gedurende de jarenlange omsingeling(?); nog slechts hier en daar een enkel boompje op de hoogten. En van deze alleenstaande boomgewassen, op hoe grote afstand ook, nu een constant opruisen, of liever opbruisen.

Het zich op de voorgrond dringende geluid echter in de voor de rest eerder stille, niettemin door talloze mensen, meestal, net als de dag daarvoor in Visegrad al, met niets omhanden kriskras heen en weer lopend, bevolkte(?) plaats(?) is het klatsen, het flappen, het kraken, het geklapper van de lappen plastic voor de bijna zonder uitzondering ontglaasde, roetzwartomrande duizend en nog eens duizend vensteropeningen.

En door de reten en scheuren daar in de onderkomens - dat is het woord - te zien deze en gene die daar onbeweeglijk staat of zit, ook paren en hele(?) families, na de oorlog in hun(?) stad teruggekeerden zo goed als van elders hier naartoe gevluchten.

En weer bij een van de geschroeide gevels - niet een ziet er ook maar in de verte gaaf uit - net zoals de vorige dag in Visegrad de wachtenden op de bus, zij het ook in een veelvoud daarvan, en niet weinigen met grote koffers.

Woordeloos hadden wij drie S.-bezoekers elkaar allang alleengelaten, uit een soort van overprikkeldheid bij het zien van de kapotgeschoten en uitgerookte omgeving; waren onsociaal geworden; stonden onder in de ruïnekloof net zo verenkeld als die paar boompjes boven op de bergkam; ieder op zijn eigen struikelweg tussen de puinhopen. Behoorden de schoenen en de flarden stof tussen de muurbrokken tot de 'arabeske'?

En weer de Servisch-orthodoxe kerk bijna ongeschonden hoog op een hellingterras, met een splinternieuwe, maar heel dunne houten deur, en beneden, in de diepte aan haar voeten, de resten van de moskee, een stuk koepeldak nog herkenbaar, zij het ook, zoals alle andere delen van het gebouw, tegen de grond gegaan, laatste vormfragment in de verder volkomen vormloze verwoestingsbrokken er rondom; en het was het namiddaguur van het muezzin-roepen, en dat klonk nu op uit de ondergrond, tussen de koepelbrokstukken, door het kapotgebarstene heen, waarbij zich dan ook nog de bergbeek van S. liet horen. Nee, en nog eens nee, noch het roepen, noch de beek, die hier vroeger toch heeft gestroomd?, was er meer. Was de beek door puin gestremd? stroomde zij onderaards? had zij zich een andere weg gebaand? een ander dal? - terwijl zij toch, verder bergopwaarts, eens als geneeskrachtige bron moet zijn ontsprongen? - in elk geval, viel later te vernemen, was er voor de bewoners van S. slechts om de andere dag water, en dat werd aangevoerd, kwam niet uit de beek. Niets anders dan het kloofvullende plastic-geflapper.

En met mijn hand vol in de brandnetels bij de kerk gegrepen, net bloeiend en dan juist heel erg brandend, en nog een keer.

En op de ene steile helling, daarboven in de kaalte, nu een paar harkende mensen, op zulke smalle, nu en dan slechts één-vorige bedden, dat deze samen nog lang geen tuin opleverden, en deze harkers in vergelijking tot de beneden op de provinciestad-kloofbodem honderdvoudig lediggaanden of her en der ronddolenden niet alleen in de minderheid, maar als daartegen geheel wegvallend, en ook zonder ritme werkend, in tegenstelling tot de gedurende deze hele reis overal in Servië buiten op de velden bezige scharen harkenden, en dat niet alleen maar vanwege de steilte van de werkplek hier en het vlakke en zachtgolvende van de grond daar.

En op de ene van de steile hellingen ertegenover, op de andere kloofschuinte, uit een minuscuul restbos oplichtend, weer de wittige slanke islamitische kerkhofstele's.

En dan in het puinland, tijdens het lopen en glijden van de kerk heuvelaf, naast het voormalige kuurhotel - me inbeeldend dat het 'Europa' heette - van het kuurbad- en zilvermijnstadje het bijenhuis, nee, alleen maar een kastje daar tussen de muurbrokstukken, maar dit dan wel degelijk echt omvlogen en omzoemd door een paar spaarzame honingverzamelaarsters, nauwelijks talrijker dan de harkenden boven in de wildernis.

En het wenken ten slotte van een al oudere man (van wie dan bleek dat hij jonger was dan ik) uit een van de centrale roetvlaggenflats, uit een raamgat daar op halverhoogte.

En het samen onthaald worden van de door het wenken weer teruggevonden drie metgezellen in zijn 'vertrekken' (ik heb vergeten de vierde te vermelden, onze begeleider uit Bajina Basta, laten we hem hier 'kloosterbibliothecaris' noemen, de enige die zich sinds het einde van de oorlog uit zijn Servië naar het voordien toch niet zo verafgelegen S. had gewaagd, meteen de afgelopen winter, en het verschil met nu in mei? 'Geen - er is in S. niets veranderd het afgelopen halfjaar, behalve dat er toen sneeuw lag, veel sneeuw, en de stad een vrediger indruk maakte').

Onze gastheer een sinds vele jaren ingezetene, tijdens de oorlog uit het overwegend islamitische S. 'weggegaan' en nu in zijn vroegere woning teruggekeerd, een van de helemaal niet zo veel nog bewoonbare in het grote huis; de namen op de niet meer in gebruik zijnde brievenbussen beneden in de entreehal in meerderheid 'Turks', sporadisch het overgeplakt zijn met een 'zuiver Servische' (izbeglice, vluchtelingen, ingekwartierden).

Onthaald op je-mag-één-keer-raden-brandewijn, aan een tafel met een tamelijk middeneuropees gehaakt kleed, terwijl de niet-drinkende, suikerzieke (geen medicamenten) woningbezitter erbijzat en met zwakke stem - maar welk een vertrouwen in zijn ogen, tegelijkertijd hulpeloosheid - over zijn vrouw vertelde, die juist op kinderbezoek was in het nabije en tegelijk heel verre Servië, op een toon alsof hij nauwelijks aan haar terugkeer geloofde; als wandversiering daarbij een prent van een reuzenhert daar in deze half heel gebleven hoek midden in het uitgerookte flatgebouw, het gewei gericht op het voor het raam vastgespijkerde plastic, terwijl in het vertrek ernaast het water voor de koffie warm werd - er was dus toch weer stroom hier, zij het ook zo zwak, dat we toen, nog lang voordat het kookte, weg moesten, voor de ontmoeting met de man uit S. die, volgens de bibliothecaris, als vermoedelijke oorlogsmisdadiger op de lijst van het internationale gerechtshof stond.

Daarvoor nog beneden, op een door egalisering ontstaan hobbellandje, de omweg naar een van de houten winkeltjes daar, voor een kleine plicht-boodschap: scheermesjes uit China, alsmede een zakje spinaziezaad, als soortnaam daarvan tot mijn verbazing met grote letters de naam van mijn naburige Parijse voorstad - ik hoefde daar anders alleen maar mijn huis voor uit en de weg over te lopen -, VIROFLAY (het zaad verpakt in Novi Sad in Vojvodina; en de verkoper daar op het puinplein van S. in de voorgeschiedenis arbeider bij Mercedes in Zwabenland).

En het bijeenzitten vervolgens met een helemaal niet zo kleine groep mensen van daar, leraren, ingenieurs, bestuurders, in het, vergeleken met de grauwzwarte, heetwindige naoorlogswoestenij meteen voor de deur, welhaast luisterrijke, ook als airconditioned zij- of achterzaaltje van een etablissement, tussen ons in de eigenaar daarvan, degene van de Haagse lijst dus, die, behalve dat hij ons naarmate we daar langer zaten des te dringender vroeg om te blijven en aan één stuk door de wijn liet inschenken, tamelijk zwijgzaam was, terwijl de anderen van deze Serviërs uit het beruchte S. weer veelstemmig en ongelovig op Amerika en vooral op Groot-Duitsland scholden - en van het laatstgenoemde land, uitsluitend daarvan!, toch allergelovigst een soort heil leken te verwachten. Het feit dat de Duitse minister van buitenlandse zaken juist een bezoek bracht aan Servië kon toch niet anders betekenen dan dat nu ook voor hen daar in Bosnië, de Serviërs van Srebrenica, de ommekeer in zicht was, vooral op economisch gebied; Duitsland zou hun hulp verlenen bij het weer opstarten van de mijnen, evenzo van het kuurwezen - had S. voor de oorlog dan niet vele gasten uit dat land, en vanuit heel Europa, getrokken, vanwege het geneeskrachtige water, en ook om te jagen, grof wild en beren, Duitsers, Oostenrijkers, Italianen. En als kinderen zochten de mannen naar een gunstig teken, naar instemming op de gezichten van de bezoekers, maar waren dan, toen ze daar eerder het tegendeel aantroffen, in elk geval zo vrij dat ze om zichzelf lachten.

En op het laatst toch nog het vragen, aan de eigenaar van het etablissement, voor de oorlog naar werd beweerd een groot jager: Waarom? Waarom op de lijst? En als antwoord alleen maar: Het was oorlog geweest. En merkwaardig: het leek alsof de man daarmee geen ontwijkend antwoord gaf, maar of zijn zwijgzaamheid veeleer daaruit voortkwam, dat hij in de grond van de zaak nauwelijks iets te zeggen had, dat het zelfs een soort van afblufferij was, of misschien ook alleen maar gastheer-beleefdheid: 'Denk maar wat jullie hiervoor al dachten!' - terwijl op hetzelfde tijdstip nu in de vooravond voor ons raam op jeeps en tanks het internationale vredesverdraghandhavingsbataljon aan kwam rijden, begeleid door het geluidsbarrièredoorbreken van hun gevechtsvliegtuigen boven in het firmament: voor het merendeel zwarte US-soldaten, die vervolgens een goed half uur lang hun machinegeweren en wat dies meer zij op de verkoolde gebouwen en de geplunderde heuvels van de Zilverstad gericht hielden, en op en neer en in de rondte zwenkten, door de nog steeds hete stofwolken heen zo de duizenden van de plaatselijke barbaren, misdadigers, vijanden der mensheid in de peiling houdend, controlerend, aan de kaak stellend, en hun wapens eindelijk weer wegstaken en inpakten, de tankluiken dichtgeklapt en dalafwaarts gereden, en binnen in het achterzaaltje dan weer, steeds dringender, het: 'Blijf toch hier, blijf met het avondeten! Er komt anders verder niemand naar ons in S., of er komen er heel veel, maar altijd alleen maar voor heel iets anders!' - 'Helaas, er is een tijdslimiet voor de grensovergang.'

En zo dan weggegaan, en buiten voor we vertrokken, bij een nog blinkend lichte hemel, een vale schemeringsatmosfeer, die denkelijk ook kwam doordat in het kloofdal de zon al vroeg was ondergegaan.

En in dit tweespaltige licht een man die, niet jong meer, in zijn oogbespringende wilde vertwijfeling nu echter een jonge indruk makend, op de voormalige hoofdstraat, de huidige puinbrokkenpiste, langs ons heen trok, met het hoofd achterover en wijd geopende ogen, als verblind.

En we hoorden hem praten en zeggen, tegen ons en over onze hoofden heen, zijn armen geheven: 'Ik ben geen Serviër meer, ik ben niets meer, wil geen Serviër meer zijn, wil helemaal niets meer zijn. Geen appel zal meer rijp worden in dit dal. Geen dauw zal meer vallen op Srebrenica. Geen bal zal hier meer het doel treffen. Ik ben geen Serviër meer, ik weet niet wie ik ben, en jullie zouden niet naar me moeten kijken. Luister niet naar wat ik zeg, hoepel op, ga ergens anders heen, ga iemand anders vragen. De wereld heeft ons vergeten. De wereld moet ons vergeten. Het is afgelopen, voor het hele leven. Ik ben geen Serviër meer.'

En wat zegt de herinnering nu, achteraf, van de uren in S.? - Vast en zeker hebben zich daar ook kinderen laten zien, maar de herinnering heeft beelden noch woorden voor ze. En vast en zeker, zoals daarvoor en daarna door heel het meilandschap van Servië aan de ene kant en Bosnië aan de andere kant, heeft het ook in S. peppel- en wilgevlokken door de lucht gesneeuwd en hebben de acaciabloesems met hun wit en later parelgrijs de heuvels gespikkeld, maar de herinnering heeft er beelden noch woorden voor. En geen beelden zo ook van de vermoedelijke massamoordplekken verder omlaag in het dal en in de zijdalen (maar daarvan bestaan er niet al te weinig andere en andersoortige beelden, die doodshoofden buiten op een veld, met door oog-, neus- en mondholten heel schilderachtig bloemen bloeiend - terwijl er voor de rest op het hele veld geen bloem te zien is! -, met de passende struikgewastwijgen gecombineerd, in beeld genomen vanaf een goed gekozen hoog camerastandpunt, dito gekadreerd en nog trefzekerder belicht, hoogglansgereed en in geraffineerde kleurstelling voor de door het Interplanetaire Verbond van Fotografen iedere zondag toegekende Goya-, Wurlitzer- of 'Beelden-zonder-Grenzen'-prijs.

En in de herinnering niet eens een spoor van een vlucht van een vogel boven S. - ook als daar in werkelijkheid vogels bij de vleet vlogen, en daaronder zeer beslist niet alleen maar de omineuze kraaien, roeken en kauwen; en in de herinnering lopen er geen kippen, huppelen er geen konijnen, balken er geen ezels - ook als er in werkelijkheid...

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden