De kleine oorlog van de Prinses Irene Brigade

Tijdens de Duitse bezetting ontstond in Engeland een klein Nederlands leger: de Prinses Irene Brigade, in het leven geroepen om te helpen bij de bevrijding van Nederland. Ongeveer honderd oud-brigadiers kunnen nu, 66 jaar na D-Day, nog navertellen wat die groep strijders heeft betekend. „We waren klein, maar dat maakt niet uit.”

Ruim drieduizend man sterk moest de brigade worden. Op 11 januari 1941 werd de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene in het leven geroepen, om te dienen onder Brits bevel. Er werd flink geworven onder Nederlanders die al in het buitenland verbleven, maar het overgrote deel van de dienstplichtigen in vooral Canada, Amerika en Zuid-Afrika had helemaal geen zin om voor Nederland te vechten. Uiteindelijk vertrokken zo’n 1200 mannen richting Normandië. Volgens militair historicus Christ Klep bestond ongeveer de helft daarvan uit Engelandvaarders, de rest was ’een mengelmoes van Nederlanders vanuit de hele wereld die wel wilden dienen in de brigade’.

Rudi Hemmes (87) behoorde tot die club van Engelandvaarders, type Soldaat van Oranje, die tijdens de bezetting naar Engeland wilde om te vechten voor het vaderland. Hij had er een maandenlange reis voor over. „Ik wilde er koste wat het kost naartoe”, vertelt Hemmes. „Van daaruit kon je de Duitsers het leven pas echt zuur maken.” Ook de nu 87-jarige marinier Anton Loontjes had zijn zinnen op Engeland gezet. Met een vriend maakte hij plannen om weg te komen. „Als we de kans krijgen gaan we, zeiden we tegen elkaar. Ik wilde heel graag weg, om terug te komen en tegen de moffen te vechten.”

Anton Loontjes wachtte tot het donker werd voordat hij in november 1941 met een klein groepje in een bootje de haven van Hoek van Holland uitdreef. „Toen we eenmaal op zee waren, durfden we pas de motor aan te zetten, maar we kregen hem niet aan de praat. De Duitsers hadden de bougies verstopt. Ik werd doodnerveus.” De bougies vond hij terug, maar Loontjes had al snel spijt van zijn actie. Hoewel hij marinier was, had de Maastrichtenaar nog nooit de zee gezien, hij was pas drie maanden in dienst. „Ik lag constant te braken, mijn hart kwam er bijna uit.” De derde dag op zee was de paniek compleet. „We waren bang dat we misschien richting Atlantische Oceaan waren gedreven.” Loontjes probeerde de aandacht van vliegtuigen te trekken. „Desnoods van Duitsers, want alles leek beter dan zo rond te drijven en om te komen van de dorst.” Na 68 uur bereikten de groep de zuidkust van Engeland.

In Engeland werden de Nederlanders klaargestoomd voor de invasie, hoewel vechten niet hun belangrijkste taak zou worden. Tenminste, als het aan de Britten lag. Die wilden alleen dat de Nederlanders hun gezicht lieten zien bij de bevrijding. „De Britten vonden de symbolische waarde belangrijker”, zegt historicus Christ Klep. „De bedoeling was dat de Nederlanders in de achterhoede zouden blijven. Pas in Amsterdam mochten ze in de frontlinie.” En hoewel koningin Wilhelmina de brigade wel zag als vechtende eenheid, stond ook zij erop dat er Nederlanders bij waren als de geallieerde troepen eenmaal de Nederlandse grens zouden overschrijden.

Dus bleven de brigadeleden aan wal tijdens D-Day. Twee maanden later, in augustus 1944, zette de brigade pas koers richting Normandië waar ze de geallieerden moesten helpen verdedigen. „We kwamen voor het eerst onder vuur te liggen’, vertelt Hemmes. „Vreselijk. Ik kneep ’m als een ouwe dief.”

De brigade trok met de geallieerde legers mee noordwaarts. Sommige gebeurtenissen hebben pelotonscommandant Ton Herbrink (92) nog lang achtervolgd, zoals die keer dat hij alleen op patrouille ging en een kogel vlak langs zijn hoofd vloog. „Ik ben gelijk plat gaan liggen en blijven liggen. Het duurde wel een kwartier, in mijn ogen een halve eeuw, voordat de andere kant zich liet zien.” Herbrink heeft nog steeds moeite om over het voorval te praten. „Ik heb het overleefd, hij niet.”

Een ding is duidelijk: de leden van de Irene Brigade waren bereid om hun leven te geven en hadden er dikwijls een lange en gevaarlijke reis voor over om mee te kunnen vechten. Maar hun invloed op de bevrijding van West-Europa was klein. Na afloop werd gesteggeld over de Nederlandse bijdrage. Herbrink: „We hebben Pont-Audemer bevrijd en Beringen en Tilburg helpen bevrijden, een bruggenhoofd gevormd in Hedel, dan vind ik dat we wel een steentje hebben bijgedragen.”

De Prinses Irene Brigade verloor uiteindelijk bij de bevrijding van Nederland ongeveer 45 van haar jonge leden. „De brigade heeft aangetoond dat ze mee konden doen”, vindt Klep. Ze hebben misschien niet heel veel betekend, maar wat ze hebben gedaan is goed. En dat ze zich onder de bevrijders van Nederland scharen is volkomen terecht.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden