Review

De kleine erflaters van onze beschaving

De achttiende eeuw staat niet bepaald te boek als het culturele hoogtepunt in de geschiedenis van Nederland. Op school leerde je al dat het eigenlijk één en al verval was, na de glorieuze zeventiende eeuw. Toch is het een van de boeiendste periodes als het gaat om de vorming van het Nederlandse burgerdom. Het zou me niet verbazen als de tegenwoordige Nederlander meer verwantschap aantrof bij die ietwat matige achttiende-eeuwers, met hun idealen van beschaving en verlichting, dan bij de getalenteerde zeventiende-eeuwers met al hun artistieke hoogtepunten.

Hoe het ook zij, de achttiende eeuw sprak tot voor kort weinig tot de verbeelding en het begip 'Pruikentijd' had voornamelijk een negatieve bijklank, 'van gebrek aan geestkracht, door vormelijkheid en onnatuur', zoals Van Dale het formuleert. Uit de literatuur van de tweede helft van de achttiende eeuw bleef slechts een handjevol namen over: Rhijnvis Feith, Hieronymus van Alphen, Betje Wolff en Aagje Deken; ook de onvergelijkelijke Willem Bilderdijk begon er zijn optreden. Misschien denken we over dit alles zo geringschattend, omdat er aan het eind van de achttiende eeuw om Nederland heen juist van alles aan de hand was, onder invloed van de Verlichting: Goethe begint te schrijven, Mozart en de jonge Beethoven vieren triomfen, Napoleon komt op, in Engeland dienen de eerste romantici zich aan. Vergeleken daarbij lijken wij nietige kruimelaars.

Toch verheugt juist dit vermeend middelmatige tijdperk zich in toenemende belangstelling, omdat er veel fundamenten van onze huidige beschaving in zichtbaar worden, tot uiting komend in bijvoorbeeld de oprichting van instituten als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (opgericht 1784), de Teylers Stichting (die het oudste museum van Nederland voortbracht) en de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1764) die nog altijd bestaat.

Het was de tijd van de genootschappen, algemene genootschappen en literaire genootschappen, waaraan een toenemend aantal burgers ging deelnemen en die in zekere zin de leerscholen vormden voor het collectieve democratische bewustzijn van tegenwoordig. Die suggestie althans proef je in 'Beschaven!', het proefschrift van de Amsterdamse neerlandica Marleen de Vries, die deze literaire genootschappen in de tweede helft van de achttiende eeuw onderzocht.

Denderende namen zul je in haar proefschrift niet tegenkomen, want de literaire verdiensten van al die ijverige burgers, die zich verenigden om gedichten voor te dragen en elkaars werk te beoordelen, houden niet over. Maar hun idealen spreken tot de verbeelding. Ze wilden 'beschaven', dat wil zeggen de mens verbeteren, en meenden dat de poëzie daar een grote rol in kon spelen; ze waren (vergeefs overigens) bezig woordenboeken samen te stellen en leverden nieuwe psalmberijmingen; ze schreven religieuze en politieke poëzie, waarin ze hun ideeën over de maatschappij uitdrukten, en emotionele stukken om het zedelijke peil van hun lezers te verhogen. Kortom, ze waren geëngageerd en in zekere zin utopistisch.

Er bestonden honderden van zulke gezelschappen in Nederland, met namen als 'Concordia et libertate', 'Felix meritis' (veel Latijnse namen ondanks hun geijver voor het Nederlands), of 'Hier na volmaakter' en 'Kunstliefde spaart geen vlijt'. De Vries onderzocht ze allemaal, voorzover ze in archieven hun sporen hebben nagelaten, en schetst zo het hele klimaat van deze kleine erflaters van onze beschaving. De schrijvers in deze genootschappen trof men aan onder alle gezindten en beroepen: er waren veel predikanten onder, stadsbestuurders, kooplui, ambtenaren. Ze schreven wedstrijden uit, die soms gewonnen werden door onbemiddelde buitenstaanders die zich op die manier ook tot de culturele elite wisten op te werken. Het waren, kortom, echte republiekjes der letteren.

Wie 'Beschaven!' leest merkt hoe consciëntieus de leden bezig waren de Verlichtingsidealen uit te dragen. Het klimaat in die genootschappen was gemiddeld verlicht en vrijzinnig; voor orthodoxie en steil conservatisme was geen plaats. Wel bekenden ze na 1787 politiek kleur, sindsdien was men er 'patriots' of oranjegezind. Bij elkaar leverden hun activiteiten het type van de actieve intellectueel op, die tot in onze tijd het aangezicht van de Nederlandse cultuur zal bepalen.

De Vries concentreerde zich bij haar onderzoek op twee grote onderwerpen waarover die genootschappers zich bogen, de religie en de politiek. Samen vormden ze bij uitstek het terrein waarop men zijn landgenoten kon vormen en beïnvloeden. De dichtkunst werd gezien als een uitnemend middel om de blijde boodschappen mee te verkondigen. Toch liepen de brave genootschapsschrijvers tegen problemen aan. Hoe verenigde je bijvoorbeeld een stichtelijk christelijk vers met het, toentertijd populaire, Franse, classicistische toneelideaal met alle bijbehorende mythologische helden? De mythologie, die voor het ware Verlichtingsideaal natuurlijk te onwaar en ook veel te heidens was, werd voortaan als een soort stijlmiddel beschouwd, en de Franse toneelwetten vonden een uitweg in het populaire genre van de bijbelse monologen: Een bijbelse held stortte, veelal onder het devies 'Gruwel wekt medeleven', zijn ziel uit.

Dat leverde bijvoorbeeld het volgende vers op van de bezige genootschapsschrijver J.G. Mohr, waarin Adam het op zijn vrouw Eva heeft voorzien: ,,Vervloekte vrouw! gaf God me een hulp in u? Neen! 't was uit haat, om mij ter dood te voeren; Had God u mij niet toegebragt, 'k zou nu Gelukkig zijn, en vrij van dit beroeren: Ga, ge ergert mij... weg, zielbetoovrend wijf.'

De dichtkunst in deze kringen stond bloot aan voortdurende kritiek en verbeterdrift. Zo wenste het medelid Backer bij het lezen van dit vers ,,gaarne eens te weeten, op wat gronden UWEd zulk eene taal met het caracter van den Aartsvader zoude over een brengen?'

Ook in de politieke gedichten werd de 'gruwel wekt medeleven'-strategie toegepast. Een veelgebruikte vorm was de lierzang, een soort wereldse psalm, vaak geschreven naar aanleiding van actuele gebeurtenissen, zoals de oorlog met Engeland. Johannes Henricus van der Palm jammerde bijvoorbeeld, uitzinnig van wanhoop: ,,Mijn vaderland! In welk een hagchelijke staet! In welk een' jammerpoel is uw geluk gezonken!' (...) Waer is uw vrije Zee?'

Wie al deze teksten leest kan niet onder de conclusie uit dat de eind-achttiende-eeuwse dichtgenootschappen voor de nodige tweede- en derderangs literatuur hebben gezorgd. De schrijvers die er werkelijk toe deden, Bilderdijk, de dames Wolff en Deken, Bellamy en Kinker bewogen zich, een lidmaatschapje her en der ten spijt, voornamelijk búiten die kringen. De conclusie dat het genootschapsleven onze literatuur niet op een veel hoger plan heeft gebracht, lijkt daarom gerechtvaardigd. Wat het allemaal wel opleverde: de mondige, democratische burger, die zijn zegje kon doen.

Overigens dient deze editie zich ten onrechte aan als een publieksonvriendelijk, academisch werkstuk: maar liefst een derde van het boek wordt in beslag genomen door noten, en ieder hoofdstuk wordt afgesloten door een samenvatting van het voorafgaande. Dat is allemaal voor de professoren. Voor de mondige burgerlezer, die hier zijn roots herkent, resten zeer leesbare essays.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden