De kleine alledaagse heiligheid

Wim Boevink (1954) is antropoloog en Trouw-columnist ('Klein verslag').

Voor het schrijven van deze serie verbleef hij twee maanden in Griekenland.

Anastassios Kavassis, de fotograaf, pikte me op bij mijn logeeradres in Athene. Hij nam me mee de parkachtige heuvel over, de Filipappou, liet me de overwoekerde, in de rots uitgehakte resten zien van de huizen waar de oude Atheners woonden, wees me op achtergelaten papiertjes met telefoonnummers van prostituees, en daalde aan de andere zijde af naar Petralona, het wijkje dat goed passen zou in een kleine provinciestad, met lage huizen waar arbeiders wonen met steegjes en voortuinen.

Hij wilde me zijn studio laten zien, een studio die eigenlijk geen studio was, maar deel van zijn kleine woning, die uit drie geschakelde kamertjes bestond - in een van de kamers een bed op een verhoging - en een kleine keuken.

Het was er schemerig.

In het voorste kamertje, aan de straatkant, stond zijn camera; hij had hem in de hoek gerold. Het was een antiek houten gevaarte, zo groot als een wandkast, honderd jaar oud. Hij was in een Atheense kelder gevonden.

Anastassios was er portretten mee gaan maken van mensen die hij op straat tegenkwam, om er de diversiteit van de Atheense inwoners mee te documenteren. Maar wat een procedé: eerst het vertrouwen van de mensen winnen, ze naar je huis brengen, een uurtje praten, en dan naar die tussenkamer, waar de camera nu tussen de deuren was gerold en drie felle spots voor de belichting moesten zorgen, want de camera werkte zonder negatief, het licht viel direct op speciaal, nu nergens meer geproduceerd fotopapier, van 16 bij 20 centimeter, zodat de hoofden straks in de doka - de keuken - bijna levensgroot uit het chemiebad zouden opdoemen. Ieder blad uniek en niet reproduceerbaar. De fotografie van zijn wezenskenmerk ontdaan, om een ander wezen bloot te leggen.

Zeven seconden moesten ze stilzitten, roerloos, een eeuwigheid, en daartoe zette hij ze op een stoel met een beugel in hun nek, om het hoofd te stabiliseren. En dan was er de warmte in dat kamertje, de lampen, de zenuwen.

Wat wilde Anastassios precies met die portretten van die tientallen mensen die hij vroeg? Hij opende een koffer die met een cijfercode was afgesloten. Daarin bewaarde hij de hoofden. Ze waren hem zeer dierbaar. Hij had enkelen ervan slechts een keer tentoongesteld, in een galerie in Londen, de stad waar hij ook de kunstacademie had bezocht, voor hij uitzwierf naar Hong Kong en Amsterdam.

Een voor een haalde hij ze tevoorschijn, uit hun zuurvrije papier, en spreidde ze behoedzaam uit - vier bij vier - over een bank in de achterste kamer. Het was er donker, slechts een schemerlamp brandde en hij lichtte de foto's bij met het licht van zijn mobiel. Ze keken ernstig, de mannen en de vrouwen, heel verstild en mysterieus, in diep zwart en wit. In hun pupillen drie witte stipjes van de spots, die aan het mysterie leken bij te dragen. Anastassios zei met zachte stem dat hij niet wilde dat ze werkelijk zouden poseren, hij had hun ziel willen vangen.

Ik keek ernaar, terwijl hij omzichtig nieuwe portretten uitpakte en op de vier stapels legde. Het was als een gewijd ritueel, plechtig, eenvoudig en schitterend. Toen daagde het me. "Het zijn iconen", zei ik. Iconen zoals ik ze in talloze kerken had gezien, op hout, op muren.

Hij sprak me niet tegen. Borg zijn hoofden weer op, zorgvuldig, sloot de koffer af.

En ik, ik was opnieuw getroffen door iets dat ik in dit Griekenland vaker had ervaren en dat ik 'de kleine alledaagse heiligheid' zou willen noemen.

Op een oktoberavond wandelde ik langs de oude Agora, in Athene, waar laika-muziek en gezang uit restaurantjes de passanten bereikte. Maar er mengde zich ook een ander gezang tussen dat van de laika, veel ouder, het liturgische gezang van een hymne of een psalm. De kerk waaruit het gezang kwam, half verscholen tussen de caféterrassen, oogde 'modern' aan de buitenkant, maar dat was betrekkelijk, want hij was weliswaar gebouwd in 1866, maar dan toch op de overblijfselen van een negende-eeuwse kerk - zoals zoveel in dit land laag op laag op laag verbergt.

Ik stapte door de deur naar binnen. Onder donkere koepels lichtte kaarslicht iconen aan, twee flakkerende kroonluchters leken heiligen en engelen in beweging te brengen op de duistere wanden. Passanten wandelden binnen, jong en oud, sloegen kruisen, drukten zoenen op glas, waarachter een onaangedane Maria haar blik op ons wierp zonder ons te zien. In hun hoek, onder het zachtste licht, zongen drie mannen de psalmen en beurtzangen van de vespers. Niets was hier van nu of van gisteren, hierbuiten was geen stad, de tijd stond stil, er was iets dat zich om je sloot.

De rooms-katholieke kerk was te modern, zei theoloog Erik Borgman in zijn onlangs verschenen boek. Hier is die kerk oeroud. De regels van de liturgie, de gezangen, de figuren aan de wanden, ze overspannen vijftien eeuwen.

In het eerste deel van deze verkenningen schreef ik over verbleekte fresco's: "Diep in de bodem stroomt een onderaardse rivier, vanaf het begin der tijden, met ragfijne kanaaltjes naar het licht, waaraan die religieuze figuren zich voeden, in myriaden van intieme kerkjes gekoesterd door een bijna terloopse spiritualiteit."

Er zijn moderne Griekse theologen (die in Duitsland hebben gestudeerd) die zich sterk maken voor een liturgie in een eigentijdse, verstaanbare taal, maar de kerk zal zich verzetten, zoals alles in de liturgie niet gericht is om te verstaan, maar om te ondergaan. Niet om te zien (de iconostase verhindert een blik op het altaar), maar om te beschouwen. Niet om te spreken of te zingen (dat doet de lector met zijn koor) maar om innerlijke stilte op te doen. Ikzelf, met mijn jongensgeschiedenis als misdienaar, voel me in die kerk naast de Agora teruggeworpen naar de mystiek van wierook, van Latijn, et cum spiritu tuo, van gregoriaans. En het roert me, zoveel alledaagse, onopgesmukte devotie te zien in die warme donkere kerk.

Zoveel Kyrie eleison.

Terloopse spiritualiteit. Kleine alledaagse heiligheid.

Die onzichtbare grens daartussen; tussen het heilige en het alledaagse. Ik zie een non met een fles Glassex een ikoon schoonmaken, als een gewoon object. Even later wordt hij weer door een gelovige gekust. Alsof je het heilige kan aan- en uitzetten.

In de stadsbus in Thessaloniki zie ik hoe medepassagiers, jong en oud, kruisen slaan bij het passeren van kerken. Die religiositeit is overal, in de steden, op het land, langs de wegen. Vooral daar. Talloos is het aantal schrijnen langs de landwegen, op punten waar iemand verongelukte of bijna verongelukte. Ze hebben de vorm van Byzantijnse kerkjes, vastgemaakt op een paal. Op een nachtelijke autorit door het verlaten zuiden van de Peloponnesus zag ik ze opdoemen in het licht van de koplampen, en steevast flakkerde in de kerkjes een olielampje, dat aan het eind van elke dag door iemand

werd aangestoken, hoe ver ook van de bewoonde wereld. Er lag zoveel troost in dat spoor van wakend licht.

Kleine alledaagse heiligheid.

Van Alexandros Papadiamandis, al eens omschreven als de Griekse Dostojevski, las ik een vertelling uit 1902 , die zich afspeelt op zijn eiland van herkomst, Skiathos. De vertelling handelt over een godvruchtig en eenvoudig gezin dat buiten het dorp in een beboste vallei woont. Het is donker en koud, het is Kerstavond, op de paden liggen resten sneeuw. Men waant het nu eens paradijselijke, dan weer harde landschap nog vol geesten, en je moet niet het woord tot ze richten want dan slaan ze je met stomheid. Zo is het geloof van de mensen. In het gezin heerst die avond ongerustheid, want de man des huizes is in het donker nog niet teruggekeerd uit het dorp; naar later blijkt is hij een lang verlaten kerkje binnengegaan, omdat hij er licht zag branden. Het bleek in bezit genomen door een groepje monniken, ze hadden voor de ikonen kaarsen aangestoken en olielampen, en zongen er hymnen. Ze waren afkomstig van een van de Cycladische eilanden, waar ze als asceten hadden geleefd. Mannen van een puur geloof, schrijft Papadiamandis, niet zoals zij die de hoofdleer van de kerk aanhangen waar 'mensen en beesten' uit troebele bronnen dronken.

In de vertelling komt veel samen: oude tradities, een betoverend landschap, overgeleverd heidens geloof in geesten, en een krachtige, pure godsdienst die zich met het heidendom heeft verzoend en die kaarsen opsteekt bij een plaatselijke heilige om onheil te bezweren.

Ook voor de moderne Griek ligt hierin een magische verbondenheid besloten van geloof en traditie, het rust in hem als de muziek. Dit is de Romaios in de Griek, de Byzantijnse Griek waarover ik in het tweede deel van de verkenningen sprak. Byzantium, die christelijke voorzetting van het Romeinse Rijk. Het was duizend jaar doordrenkt van religie geweest.

"Byzantinologen vragen zich af of er ooit zo'n lange periode in de wereldgeschiedenis is geweest waarin zoveel mannen en vrouwen zich zo oprecht bezorgd bezig hielden met hun verhouding tot hun God", noteerde Victoria Clark in 'Waarom engelen vallen', haar meesterlijke portret van orthodox Europa. In de negende eeuw telde Byzantium honderdduizend monniken.

Ik vloog naar het eiland Skyros (bij deze vlucht leerde ik Anastassios kennen), behorend tot dezelfde groep als Skiathos. Een eiland met 2500 inwoners en 200 kerken en kerkjes - bijna elke familie bouwt er zijn eigen kapel of kerkje, die opgaan in de bebouwing van het dorp. Het hoofddorp - de chora - ligt tegen een helling aan gebouwd als een witte schimmel. Op de top ligt een oud Byzantijns fort met een kerk; een monnik, een forse man met een baard, houdt er zondagsmorgens om half acht een eucharistieviering die drie uur duurt, omdat hij een monnik is die van Athos komt, de monnikenrepubliek. Ik was erbij op een grijze zondagmorgen, in die kerk boven op de berg. Ik was de eerste bezoeker. Alleen een cantor was er, met een mooie stem, die psalmen zong. In de loop van de eucharistie druppelden wat dorpelingen binnen, tot er misschien twintig waren. Kerkelijke leegloop is er ook in Griekenland. De eucharistie sleepte zich voort, achter de iconostase verrichtte de monnik allerlei rituele handelingen, ik zag hem zelfs even met een gasbrander in de weer. Tegen het eind ging alleen een kind ter communie.

Nauwelijks was de laatste zegen gegeven en werd gewijd brood uitgedeeld of de monnik riep een paar mannen bij elkaar, nam ze mee door een achterdeur van de kerk, beklom het dak en wees naar een touw dat om een steen in de rotswand was gebonden. De steen dreigde los te raken en dus moesten de mannen hem verwijderen. Ik was verbluft door de abrupte overgang van het sacrale naar het profane: na drie uur gewijde bijeenkomst stonden we pardoes in de wind op het dak, de monnik nog in wapperend misgewaad, aan een touw te trekken. Onder ons het dorp, het eiland, de zee.

Er is een schitterend kort verhaal van Marguerite Yourcenar, opgenomen in haar 'Vertellingen uit het Oosten'. Ze verhaalt van een Byzantijnse monnik uit Egypte, een gelovige discipel van de Heilige Athanasius, die in het oude Griekenland de invloed van Pan, de heidense godheid, komt bestrijden. Bij een grot, in een verlaten vallei waar herders en boeren elke avond een schotel melk neerzetten voor de nimfen, bouwt hij een kapel met een grote Christus.

De nimfen, verjaagd door de kruisbeelden en waakbedes van de monnik, trekken zich angstig in de grot terug, men ziet hun tranen van het gesteente druppen en hoort hun hese klaagzangen als van gewonde dieren. Hun gebroken lichamen zouden tot mist ontbinden of tot stof vervallen als de vleugels van een dode vlinder.

Op een avond verschijnt bij de biddende monnik een heel jonge vrouw. Ze is gekleed in het zwart, maar het is alsof ze van binnen licht geeft. Ze komt uit het Oosten, zegt ze, als de morgenstond. De monnik legt uit dat hij bezig is nimfen uit te roeien. De vrouw vraagt hoe zeker hij ervan is dat Gods vrede niet ook de nimfen bereikt, zoals die vrede herten bereikt en kuddes met geiten, en of hij weet dat God bij de Schepping aan bepaalde engelen vergat vleugels te geven, engelen die naar de aarde vielen en zich in de bossen vestigden waar ze de voorouders werden van de nimfen en van Pan? De monnik stamelt wat en laat de vrouw op haar verzoek toe tot de grot, waaruit ze naar enige tijd terugkeert.

Luister, zegt ze tegen de biddende monnik, en hij hoort kleine geluidjes uit haar mantel komen. Als ze haar mantel opent, vliegen daaruit honderden jonge zwaluwen. 'Ze keren elk jaar terug, en je zult ze beschutting geven in mijn kerk.'

De novelle is van een ontroerende schoonheid, geweven rond een oud kapelletje dat zich nu in de rijke Atheense voorstad van Kifisia bevindt en dat, net als de novelle, Onze Lieve Vrouw van de Zwaluwen heet. Opnieuw die verzoening tussen kerk en heidendom, misschien ook tussen Klassieke Oudheid en orthodoxie; een orthodoxie die volgens sommigen de Oudheid heeft vernietigd. De Britse Griekenlandkenner Patrick Leigh Fermor zag de kerk juist op de schouders van de Hellenistische wereld ontstaan: "De kerk is de laatste grote prestatie van de Klassieke Oudheid..

De Grieken zijn Europeanen. Maar Europeanen die iets hebben behouden dat elders - in Renaissance en Verlichting - verloren ging; een mystieke goddelijke orde, vastgehouden in tradities van familie en geloof, in heiligen en hun ikonen, en geschraagd door een verstokte, maar taaie kerk, die zich als een bruidssluier om keizers en presidenten slingerde, zelfs om sultans. De plaats waar die orde het zuiverst bewaard bleef is Athos, het schiereiland van monniken, dat ik nog niet bezoeken kon. Daar leeft Byzantium nog voort, in een laatste wakend licht.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en het Nederlands Instituut Athene. www.fondsbjp.nl; www.nia.gr

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden