De kiemziekte slaat weer toe

Jeroen Thijssen is culinair journalist en schrijver. mail@jeroenthijssen.nl

Ik heb jaren geleden aan de kiemziekte. Niet iedere dag, maar toch zeker iedere week strooide ik zaadjes op een vochtig stukje papier en liet ze in een week, soms tien dagen, uitgroeien tot piepkleine plantjes, vol smaak en sap. Tuinkers, natuurlijk, maar ook daikon, ofwel de Japanse mosterd, en broccoli, zonnebloemen en basilicum.

Maar iedere ziekte gaat over en ook die van het kiemen verliest zijn virulentie. Tot een restaurant een groen pluisje bij het ijs stopt. Geen muntblaadjes maar wat dan wel? Zoet in elk geval, en kruidig, en het past heel goed bij het nagerecht.

"Anijs", zegt de serveerster desgevraagd. Wat een geweldig idee: een zaadje uit de kruidenkast. Diep in mij voel ik de kiemziekte-kiemen uit hun rust ontwaken. Wat zou er nog meer mogelijk zijn?

Voor bijzondere zaden ga ik altijd naar Vreeken in Dordrecht, waar het winkeltje aan de Voorstraat zo met zaden is volgestampt dat zelfs speurhonden er zullen verdwalen. Gelukkig heb ik een lijstje keukenkruiden: karwij, venkel, koriander.

Maar al zoekend stuit ik op nog veel interessantere plantjes dan ik in gedachten had, en veel voor de hand liggender. Sesam, bijvoorbeeld, en boekweit - een bemestingsplant, volgens het zakje van Vreeken, maar ongetwijfeld krijg je er heerlijke kiempjes van. Daarnaast, of in de buurt, staat jute. 'In Egypte en Sudan de belangrijkste bladgroente', zegt het zakje.

Uiteindelijk gaan, behalve genoemde soorten, ook nog wilde rucola, zuring en teunisbloemen mee naar huis.

Daar gaat alles uit de kast wat er aan plastic bakjes in staat. Ieder bakje, klein of groot, krijgt zijn eigen laagje papier, waarop de zaadjes gaan, soort bij soort. De meeste zaadjes lijken op elkaar, grijze, beige of antracietkleurige korrels, fijn als paneermeel. Alleen de boekweit heeft een soort kleine beukenootjes als zaad. Dan komt de plantenspuit om ze nat te maken en kan het wachten beginnen.

Het wachten duurt lang. Niet op de teunisbloemen, die in een paar dagen al tot vingernagelhoogte zijn uitgelopen, iele draadjes in een witte bak . Hij smaakt helemaal niet bijzonder, ook niet naar tuinkers of zo. Eigenlijk smaakt hij nergens naar, en er zijn ook maar heel weinig zaadjes uitgelopen. Dat valt tegen. De boekweit groeit explosief tot lange, stevige stengels waar blaadjes zich ontvouwen als groene vlindertjes. Ze smaken naar zure spinazie, met een pittige haakje dat kerft in de tong. Deze mag blijven. De volgende opschieter komt van de wilde rucola, een paar dagen later, iele stengeltjes die op de teunisbloem lijken, maar niet qua smaak: alles wat rucola lekker maakt zit ook in zijn voorlopers.

Weer duurt het lang. In het zuringbakje gebeurt niets. En de sesam? Gedurende de eerste week gebeurt er niets. Dan komt het laagje bruine zaadjes in zijn geheel omhoog; daaronder schuilen witte stengels die al snel in bruine stengels veranderen en gaan stinken. Dat moet nog maar een keertje over. De karwij of kummel, daarentegen, groeit na een aarzelend begin bijna zijn bakje uit. De smaak van de groenige draadjes is moeilijk te omschrijven - iets van kummel, natuurlijk, maar ook van rucola en nootjes. Het meest nieuwsgierig ben ik naar de jute. Die duurt ook bijna het langst. Maar op een mooie dag, na twee weken wachten, verschijnen ook in die bruine massa de eerste groene blaadjes. Ik bewaar mijn geduld. Maar dan, wanneer het kiempje bijna een gewas is, dan proef ik. Ik proef geen twee keer. Jutekiemen behoren tot het bitterste voedsel dat ik ooit heb geproefd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden