De kerkmusicus knokt voor zijn boterham

Ergens zijn ze gek dat ze het doen, zeggen studenten kerkmuziek aan het conservatorium. Maar ze volgen hun hart. „Muziek bindt. Dat zie je van danceparty tot kerkkoor.” Dat mag de kerk wel wat meer waarderen.

Op zijn twaalfde kreeg hij zijn eerste orgellessen, als middelbare scholier was hij koorbegeleider in de kathedraal van Dunblane, en als 22-jarige studeerde hij met de hoogst mogelijke lof af aan de Royal Scottish Academy of Music and Drama in Glasgow. En toch, zegt Chris Bragg (26). Wie een écht goed kerkmusicus wil worden, moet in Nederland zijn.

Daar staat hij nu, in een bovenzaaltje van het Utrechts Conservatorium. Voor het practicum cantoraat moet hij als dirigent zijn medestudenten een meerstemmig lied laten zingen.

„Hebben we al een stemverdeling?”, vraagt docent Mark Lippe.

Bragg: „Laten we het vierstemmig doen. In A.”

Hij slaat de toon aan op de piano en zingt eenmaal voor: ’Wat vlied’ of bezwijk’, getrouw is mijn God’ – met een onmiskenbaar Brits accent.

Met zijn zevenen zijn ze vandaag, de studenten kerkmuziek in Utrecht. Aan de tien andere opleidingen, onder meer in Enschede en Maastricht, studeren nog zo’n veertig musici. Over de inhoud van hun studie hebben ook de kerken wat te zeggen, via de Interkerkelijke Stichting Opleiding Kerkmuziek (ISOK). Die moet zorgen voor voldoende geschoolde kerkmusici, door opleidingseisen te formuleren en op te treden als ’gesprekspartner’ voor de kerken en de conservatoria. Geld om dat te doen komt onder meer uit de jaarlijkse collecte voor ’eredienst en kerkmuziek’, die zondag wordt gehouden.

Niet dat de musici zich daarvan bewust zijn. Zij verdiepen zich vandaag in liedteksten van Valerius, Revius en Bredero. Hoewel, een collecte per jaar vinden ze wat mager, gezien het belang van goede kerkmusici.

„Muziek bindt”, zegt docent Mark Lippe (38). „Dat merk je van danceparty tot kerkkoor.”

Maar, zegt hij, een musicus wordt vaak niet voor vol aangezien. „Mensen denken dat muziek mijn hobby is, en niet mijn werk.”

Ook de kerk waardeert musici te weinig, vindt Lippe. „Als de organist om een vergoeding vraagt, wordt er raar gekeken. Je doet het toch tot lof en eer van God? Dat een dominee betaalt krijgt, spreekt vanzelf, maar als musicus moet je echt onderhandelen met kerkbesturen. Knokken voor je boterham.”

Bij bezuinigingen, zegt Lippe, is de kerkmuziek als eerste de klos. „Als men geen professional kan betalen, komt de bakker of de slager wel orgelspelen.”

Wat daar mis mee is? „Met de vingers over een klavier gaan, kan een aap ook”, zegt student IJsbrand ter Haar (24). „Terwijl een geschoold kerkmusicus zo’n tekst van Revius tenminste kan duiden. In een gesprek met de predikant heb je heel wat liturgische bagage.”

Dat kan Helen Gaasbeek bevestigen. De studente theologie (25) doet kerkmuziek als bijvak. Aan het conservatorium, zegt ze, leert ze méér over liturgie dan bij godgeleerdheid.

„Een amateur kan gemeentezang vaak heel degelijk begeleiden”, zegt Matthijs Kraan, student orgel in Enschede. „Maar zo iemand mist improvisatietalent. Terwijl je daarmee ook echt een boodschap kunt overbrengen.”

Voor een improvisatieles zitten Kraan (23) en zijn docent Gijs van Schoonhoven (53) hoog in de Enschedese Grote Kerk aan het driemanualige Van Damorgel uit 1892. Af en toe stommelt Van Schoonhoven de trap af om in de kerkzaal naar het orgel te luisteren. „Leuk, Matthijs, die plotselinge kwint”, zegt de docent. „Buit dat maar wat meer uit, met een echootje ofzo.”

Alle kerkelijke beroepsmusici, rijp of groen, verzeilen vroeg of laat in een discussie met kerkgangers over liederenkeuze.

„Dat is praten op verschillende niveaus”, zegt docent Mark Lippe in Utrecht. „Je bent als musicus de enige professional tussen vrijwilligers, die allemaal wat willen zeggen. Maar een conservatoriumstudie of een jaar blokfluitles, dat scheelt nogal in kennis.”

Matthijs Kraan knikt. „Er zijn liederen waarvan ik denk: moet dat nou? Dan ga je overleggen. Maar op een bepaald moment ben je uitgepraat.”

Van Schoonhoven: „Een schilderij van Karel Appel ga je meer waarderen als je de context kent, en de traditie waarin je het moet zien. Voor kerkmuziek geldt hetzelfde. Maar bij veel kerkgangers mis ik de bereidheid om zich er in te verdiepen.”

Is die houding niet elitair? Zouden de musici niet gewoon moeten spelen wat de gemeente mooi vindt?

„Ik respecteer ieders smaak”, zegt Van Schoonhoven. „Maar de vraag is of die smaak geschikt is voor de gemeente Gods.”

De muzikale smaak van kerkgangers, zegt hij, weerspiegelt de tijdgeest. „Het is allemaal zo gemakkelijk. Als je een kind laat kiezen tussen een bruine boterham of een Big Mac, weet je ook wel wat het wordt.”

Mark Lippe: „Jongeren worden niet meer in de kerk opgevoed. Zij brengen hun tijd door op de zondagsschool, in bijzaaltjes. Ze komen nauwelijks in aanraking met de schoonheid van kerkmuziek en het orgel.”

Van een nieuw Liedboek voor de Kerken, waartoe de synode van de protestantse kerk onlangs opdracht gaf, verwacht Lippe weinig. „De goede kerkmuziek is wel zo’n beetje op. Hedendaagse liederen vind ik vaak moeilijk zingbaar.”

„Het huidige liedboek is behoorlijk oudbakken”, zegt Gijs van Schoonhoven in Enschede. Hij bladert door een voorbeeldbundeltje met nieuwe liederen dat vorige maand op de synodevergadering werd gepresenteerd. „Ziet er nog steeds behoorlijk klassiek uit”, zegt hij. „Ik mis aandacht voor jazz. Dat vind ik heel diepe muziek, een fundamentele vorm van kunst, die je op geen enkele wijze terugziet in kerkmuziek.”

De studenten lijken in zulke discussies niet zo geïnteresseerd. Zij zijn met hun hoofd en hart bij hun studie en de muziek.

„Ik ben begonnen als pianist”, zegt Matthijs Kraan. „Daar ben ik met enige walging mee opgehouden. Al die Romantiek. Ik speel liever oude muziek voor orgel. Dat raakt me tenminste écht.”

„Voor mij betekent het orgel alles”, zegt Chris Bragg. „In Nederland voel ik mij als een kind in een snoepwinkel. De orgels in Kampen, of Alkmaar, of Den Bosch, die zijn allemaal van internationale faam. Dat beseffen mensen te weinig. Van een Stradivariusviool kent iedereen de waarde, maar Nederland heeft orgels die net zoveel waard zijn als een paar Stradivariussen bij elkaar.”

Gijs van Schoonhoven: „Als er in Groningse kerken geen Schnitgerorgels hingen, maar Stradivariusviolen lagen, zouden er zóveel toeristen komen dat alle werkloosheid in de provincie meteen verdwenen was.”

Kerkmuziek of orgel studeren aan het conservatorium is een keuze van het hart, zeggen de studenten. Maar soms wint het verstand even.

„Ik maak me vaak zorgen”, bekent IJsbrand ter Haar. „Elke dag denk ik: ik wil straks ook trouwen, een huis, kinderen. Waar moet ik dat van betalen?”

Om meer mogelijkheden te hebben, is Ter Haar inmiddels ook begonnen aan een studie klavecimbel. „En misschien komt er een keer een leuk orkestje langs.”

„Enig zakelijk instinct is zeker van belang”, zegt Matthijs Kraan. „Ik hoop op een goed koor dat me redelijk wil betalen.”

In het klasje in Utrecht valt een stilte. „Eigenlijk moet je knettergek zijn om dit te doen”, zegt IJsbrand ter Haar. „Maar ja, het is nu eenmaal mijn passie.”

In Enschede relativeert docent Gijs van Schoonhoven de geldzorgen. „In mijn tijd werd ook al gezegd dat je met kerkmuziek geen droog brood kunt verdienen. Dat zal wel zo blijven. Kerkmusici zijn een soort gekken. Die heb je ook nodig. Anders wordt de wereld wel héél zakelijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden