De kerk ging, het bidden bleef

Nederland wijkt af van alle andere geseculariseerde landen want het bleef bidden. Buitenlandse onderzoekers kunnen dat totaal niet plaatsen, zo merkte Sarah Bünziger, die woensdag in Nijmegen, die een dissertatie schreef over bidden in Nederland.

Godsdienstpsychologe Sarah Bünziger (42) had als praktiserend zenboeddhiste geen persoonlijke ervaring of speciale affiniteit met het onderwerp bidden. Maar de Wellerlooise is goed in methodiek en statistiek en daarom vroeg de Nijmeegse hoogleraar Jacques Janssen haar als aio (assistent in opleiding) een empirisch onderzoek uit te voeren naar bidgedrag in Nederland. Overmorgen promoveert zij daarop in Nijmegen.

Leuk onderwerp, vindt ze, omdat „bidden heel goed past in een moderne geseculariseerde samenleving zoals de Nederlandse. Je hoeft er niet voor naar de kerk en je hoeft er geen vaste formules voor uit te spreken. Bidden kan ook op de fiets, spontaan, met eigen woorden. Het zit dicht op de huid, je doet even je ogen dicht en met een heel kleine handeling beland je van het profane in het sacrale.”

Niets is eigenlijk zo laagdrempelig als bidden, meent Bünziger. „En het is vrij, je kunt bidden tot iets of tot een niet nader genoemde hogere macht. Dat heeft weinig te maken met dogma’s en kerkelijke instituten. Tegelijkertijd wortelt bidden ook in een eeuwenoude traditie. Bidden is een universeel religieus fenomeen, een rituele praktijk die in alle culturen bestaat.”

Vanuit hedendaagse vormen van bidden loopt, aldus Bünziger, een directe lijn naar die oude traditie, die ver voor de jaartelling begon met magische riten in antieke primitieve beschavingen. „Oude stammen, zoals de Pygmeeën, Masai, Hopi, Aboriginals kennen vooral gezongen gebeden uit de mondelinge overlevering.

Ook vanuit de antieke Chinese en hindoecultuur en vanuit de Egyptische, Grieks-Romeinse en Babylonische culturen zijn oude gebeden bewaard gebleven. In hellenistisch Griekenland en het oude Israël van rond 1000 voor Christus ontstonden nieuwe vormen van religie en gebeden, die de basis vormen van de hedendaagse joodse en christelijke gebedsvormen.”

Uit eerder Nijmeegs onderzoek, naar bidgedrag van jongeren, bleek dat ondanks de sterke secularisatie in Nederland ongeveer de helft van de Nederlandse jongeren wel eens bidt.

Bünziger breidde dit onderzoek uit naar de gehele bevolking. Zij ontdekte dat zestig procent van de Nederlanders bidt, terwijl maar 35 procent wel eens een kerk bezoekt en slechts 20 procent lid is van een kerk. Een kwart van de Nederlanders bidt dus wel, zonder ooit naar de kerk te gaan: voorbeeld van de verregaande privatisering van religie in Nederland.

Deze relatief grote groep niet-kerkelijke bidders is uniek voor Europa, zegt Bünziger. „In landen als Tsjechië en Estland bijvoorbeeld, die net als Nederland verregaand geseculariseerd zijn, gaat nauwelijks meer iemand naar de kerk maar bidt ook bijna niemand. Het normale beeld is: óf een land is geseculariseerd en de mensen zijn in het geheel niet meer religieus actief, óf een land is overwegend religieus, zoals het rooms-katholieke Italië, en heeft een bevolking die overeenkomstig religieus gedrag vertoont, zoals kerkgang en bidden.”

Nederland past niet in dit schema want hoewel er steeds minder mensen lid zijn van een kerk en naar de kerk gaan, wordt er toch veel gebeden. Het was al een land van believing without belonging, geloven zonder bij een geloofsgemeenschap te horen. Nu blijkt uit Bünzigers onderzoek ’zonder ergens bij te horen’ óók op te gaan voor het Nederlandse bidgedrag: veel Nederlanders doen aan ’praying without belonging’.

De promovenda merkt het wel vaker, wanneer ze op congressen in de VS onderzoekers spreekt, dat Nederland een atypische, haast paradoxale positie inneemt. „Nogal wat collega-wetenschappers doen onderzoek in Europa. Die snappen niets van Nederland. Zij stuiten op rare elementen die strijdig zijn met de vergaande secularisatie.”

Uit haar onderzoek destilleerde Bünziger vier hedendaagse bidvarianten: het religieuze gebed (contact zoeken met God en bedanken), het vraaggebed (hulp vragen aan God), het meditatieve gebed (denken, reflecteren, vooral gericht op innerlijke rust; niet per se direct gericht tot God) en het impulsieve gebed (lijkt op vraaggebed maar dan gericht op een hogere macht of ’iets’. Wordt vaak gebruikt in moeilijke situaties om het hart te luchten).

De eerste twee bidstijlen komen vooral bij kerkgangers voor, de laatste twee zijn bij uitstek de gebeden van de niet-kerkelijke bidders. Hun bidvormen zijn meer geïndividualiseerd en/of spiritueler dan de traditionelere vormen, en niet gerelateerd aan kerkbezoek of -lidmaatschap. In de dagelijkse praktijk, zegt Bünziger, is bidden trouwens altijd een combinatie van verschillende typen. Een puur religieus of puur meditatief gebed bestaat niet. Wel blijkt uit haar onderzoek dat het meditatieve en impulsieve gebed in Nederland meer voorkomen dan het kerkelijk gebonden religieuze gebed en vraaggebed.

„Eigenlijk”, concludeert Bünziger, „is het persoonlijke gebed, in welke stijl dan ook, in Nederland tegenwoordig heel egocentrisch.

De aanleidingen om te bidden kunnen verschillen. Mensen bidden bij ziekte of de naderende dood van zichzelf of anderen, bij moeilijke momenten in het leven, bij existentiële problemen. Maar zelfs als ze voor een ander bidden, hebben ze daarvan vooral zelf profijt.

De psychologische effecten zijn in alle gevallen dezelfde: degene die bidt, ontleent daar voornamelijk zélf steun, kracht en innerlijke rust aan, waardoor zij of hij beter kan omgaan met de eigen problemen of die van een ander. Bij een levensbedreigende ziekte bidden mensen niet in de eerste plaats om genezing, maar vooral om kracht zodat ze hun situatie aankunnen.”

Bünziger vergelijkt bidden met schrijven in een dagboek. „Je schrijft of bidt je problemen van je af – en dat geeft opluchting. Een traditioneel biddend persoon heeft dan ook nog het gevoel dat God naar zijn gebed luistert en voor hem zorgt. Dat is natuurlijk wel een verschil met een dagboek.”

Bünziger stelde zich tevens de vraag waaróm er nog zoveel mensen bidden in een zo geseculariseerd land als Nederland. Bij de bidders die teruggrijpen naar traditionele bidvormen is religieuze socialisatie een verklaring: zij hebben deze manieren van bidden vroeger geleerd, van hun ouders en in de kerk. Maar bij de buitenkerkelijke bidders die meer eigentijdse vormen van bidden beoefenen, zoals het meditatieve en impulsieve gebed, is ’het vroeger gezien of geleerd hebben’ geen verklarende factor. Blijkbaar moet het hedendaagse geïndividualiseerde, niet-institutionele bidgedrag anders worden begrepen. En dan komen we terug bij de psychologische functie die het gebed volgens Bünziger in hedendaags Nederland voor de meeste bidders heeft. Bidden als ’religieus copingproces’, noemt zij dat. „Als je partner overlijdt, helpt het niet om de ANWB te bellen of de dokter de schuld te geven. Alle gangbare technieken om met problemen om te gaan (to cope with), vallen weg als iemand doodgaat.”

Omdat religie een belangrijke rol speelt bij existentiële problemen, kun je daartoe wél je toevlucht zoeken, zegt Bünziger, bijvoorbeeld door te gaan bidden.

Bidden lijkt, zo valt uit haar onderzoek op te maken, vooral een manier om het onvermijdelijke te accepteren. „Daarom functioneert bidden meestal als ’coping’-mechanisme. Daar zijn genoeg voorbeelden van, zoals een onderzoek onder kankerpatiënten in het Nijmeegse Radboudziekenhuis, Velen grijpen het gebed aan als een manier om met hun situatie om te gaan.”

Bünziger hoopt dat het onderzoek naar bidgedrag in Nederland na haar promotie niet komt stil te liggen. „Het zou reuze interessant zijn een vergelijkend onderzoek te doen naar de verschillende culturen en religies binnen Nederland.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden