De keerzij van de neutraliteit

Nederland bleef buiten de Eerste Wereldoorlog. Dat kwam ons land goed uit, maar zeker ook de oorlogvoerende partijen. Met de jaren verdampte het voordeel.

Vanaf eind juli 1914 regende het oorlogsverklaringen in Europa, en steeds kwam de Staatscourant met een extra editie waarin de Nederlandse regering nadrukkelijk verklaarde dat ze 'volstrekte onzijdigheid' in acht zou nemen. In Nederland en de kolonies 'worden generlei vijandelijkheden toegelaten', was de waarschuwing. Bezetting zou niet worden getolereerd, 'noch het doortrekken van dit gebied' door troepen of konvooien munitie en levensmiddelen. En oorlogsschepen waren evenzeer taboe.

Nederland liet de wereld weten dat het hoe dan ook neutraal wilde blijven in het conflict dat uit zou groeien tot de Eerste Wereldoorlog. Neutraliteit was al sinds mensenheugenis de kern van de buitenlandse politiek, en Den Haag wilde dat graag zo houden. Om de 'onzijdigheid' te verdedigen werden op 1 augustus de strijdkrachten gemobiliseerd.

Ook onze zuiderburen gaven aan dat ze koste wat kost afzijdig wilden blijven. Maar toen Brussel niet inging op de eis van Berlijn dat Duitse militairen door België konden trekken op doortocht naar het vijandige Frankrijk, moest het de neutraliteit noodgedwongen opgeven. Op 4 augustus viel Duitsland België binnen, bij Gemmenich, vlak onder Vaals.

In een oud aanvalsplan van de Duitsers was Nederland wel degelijk opgenomen. Militairen zouden eventueel door Zuid-Limburg en Noord-Brabant trekken, op weg naar Frankrijk. Maar die optie werd uiteindelijk toch geschrapt. Was het aan slimme en doeltreffende diplomatie te danken dat Nederland buiten de oorlog bleef? Waren we misschien te sterk? Of niet interessant genoeg voor de oorlogvoerende landen?

Volgens historica Ismee Tames, die gepromoveerd is op het publieke debat over de Nederlandse neutraliteit tussen 1914 en 1918, komt die laatste verklaring het dichtst in de buurt van de werkelijkheid. "Voor onze buurlanden Duitsland en Groot-Brittannië is er nooit genoeg te winnen geweest om Nederland in de oorlog te betrekken. De nadelen waren groter dan de voordelen. Omgekeerd had ons land er niets bij te winnen om de kant van een van de oorlogvoerende landen te kiezen."

Op voorhand verontschuldigde de Duitse legerleiding zich bij Nederland voor mogelijke schendingen van de neutraliteit: dat kon per ongeluk gebeuren, de inval in België vond zo dichtbij de grens plaats. Er waren ook wel verhalen dat Duitse militairen toch stiekem door Zuid-Limburg waren getrokken. En er waren oplopende spanningen rond vervoer van Duitse goederen over Nederlandse rivieren. Wat gingen de Duitsers daarmee doen? Was dat geen militair transport? Maar nooit dreef Den Haag de zaak op de spits, ook niet later bij zwaardere incidenten zoals het tot zinken brengen van koopvaardijschepen. Aan de andere kant was er zware druk van Groot-Brittannië om een ongestoorde doorgang van materieel en troepen via de Schelde naar Antwerpen te krijgen. Maar ook Londen zag steeds in dat een neutraal Holland verre te verkiezen was.

Buffer
Nederland beschouwde zijn neutraliteit als een uitgesproken voordeel. Het leed niet direct onder de gevechten tussen Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en België. Bovendien kon het door zijn opstelling zaken blijven doen met Duitsland, een belangrijke handelspartner - omgekeerd was het voor Berlijn ook gunstig dat de goederenstroom uit de Rotterdamse haven niet stokte. 'Holland ist in Ruhe zu lassen', was de bekende uitspraak van keizer Wilhelm II. Die handelsrelaties met Nederland speelden - in mindere mate - ook voor Groot-Brittannië. En Londen vond het wel prettig dat er een neutrale buffer was tussen de Lage Landen en de grote vijand Duitsland en dat de Hollandse kust geen uitvalsbasis was voor een Duitse aanval op Brits grondgebied. Voor Nederland gold dat bij Groot-Brittannië, een wereldrijk met een sterke zeevloot, de koloniën het veiligst waren. Anders gezegd: bij een oorlog met dat land zou het bezit van bijvoorbeeld Nederlands-Indië wel eens op het spel kunnen komen te staan.

Bij alle politieke en economische overwegingen speelde er ook een licht gevoel van morele superioriteit mee. Nederland was in het recente verleden tot twee keer toe gastheer geweest van een internationale vredesconferentie. Als gevolg daarvan was Den Haag in 1913 de zetel geworden van het Vredespaleis dat het Permanent Hof van Arbitrage huisvestte: dat moest bemiddelen bij conflicten tussen staten. Nederland voelde zich zo'n beetje de hoeder van het internationaal recht. Deelname aan een oorlog stond daar haaks op. "De neutraliteit had in die zin iets verhevens", zegt Ismee Tames, verbonden aan het Niod- instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies. "Het was een meerwaarde. Terwijl landen om ons heen naar de wapens grepen, hielden wij ons hoofd koel, zo voelden velen dat tenminste."

Maar naarmate de oorlog voortduurde en er steeds meer slachtoffers vielen, verdampte dat voordeel van de neutraliteit. Oorlogvoerende landen als Groot-Brittannië en Frankrijk begonnen zich boos te maken over de afhoudende opstelling van Nederland. Tames: "Het werd steeds ongeloofwaardiger om vol te houden dat wij het internationale recht vertegenwoordigden. Nederland deed niets, terwijl Engeland en vanaf 1917 ook de Verenigde Staten de kastanjes uit het vuur haalden. Zij konden met recht zeggen dat zij met hun oorlogsinspanning en hun opofferingen, het recht, de vrijheid en de democratie verdedigden. Zij zorgden ervoor dat het militaristische Duitsland niet heel Europa ging overheersen, zo zagen zij dat zelf. En dat was voor velen overtuigend."

Opstand
De regering van minister-president Cort van der Linden kwam er door schade en schande achter dat neutraliteit iets anders is dan zelfstandigheid. 'Nederland had misschien de oorlog wel willen negeren, maar de oorlog negeerde Nederland niet', schrijft Paul Moeyes in zijn standaardwerk 'Buiten schot'. Ons land mocht dan gedurende de hele Eerste Wereldoorlog buiten de gevechtshandelingen blijven, het ondervond er wel degelijk de gevolgen van.

Zo begon de economie steeds stroever te draaien, de werkloosheid liep op, de aanvoer van goederen stokte, er ontstond schaarste, ook aan de eerste levensbehoeften, waarvan sommige op de bon gingen - zwarthandelaren en smokkelaars profiteerden volop. Militairen bleven gemobiliseerd, dat werkte ook ontwrichtend. De bevolking kwam in opstand, in enkele steden waren er voedselrellen. In Amsterdam was er het beruchte aardappeloproer waarbij in de zomer van 1917 negen doden vielen en ruim honderd mensen gewond raakten.

Ondertussen kwamen de voornaamste politieke stromingen onder leiding van premier Van der Linden tot een vergelijk over grote kwesties waardoor een eind kwam aan de schoolstrijd en het algemeen kiesrecht werd ingevoerd. Dat was zeker een verdienste, zegt Tames: "Het gebeurde ook onder druk van de oorlog. De stemming was: we moeten als land een eenheid blijven vormen om de uitdagingen uit het buitenland het hoofd te kunnen bieden, laten we de twistpunten uit de weg ruimen."

Maar het verbaast de historica dat de liberaal Van der Linden een eeuw later zo populair is en door sommigen als een van de beste premiers uit de parlementaire geschiedenis wordt gezien - Mark Rutte ziet hem als een groot voorbeeld. "In het publieke debat in die tijd is hij heftig bekritiseerd als een hopeloos ouderwets politicus die bezig was de problemen van de negentiende eeuw op te lossen, niet die van de twintigste eeuw. Hem werd verweten dat hij geen toekomstvisie had, dat hij niet begreep dat de wereld er door de oorlog anders uit zou komen te zien en dat Nederland daar een antwoord op moest hebben."

In het laatste oorlogsjaar kwam de neutraliteit steeds verder onder druk te staan. De geallieerden confisqueerden Nederlandse schepen - die in hun havens lagen - voor het vervoer van troepen en materieel. Duitsland op zijn beurt verlangde een doortocht voor militaire goederen. Den Haag had niet veel meer te zeggen, de zelfstandigheid waar Nederland ruim vier jaar lang zo trots op was geweest, werd een wassen neus; de beslissingen vielen in Londen, Washington en Berlijn.

Pro-Duits of niet?
Zijn kabinet hield krampachtig vast aan de neutraliteit, maar algemeen was bekend dat minister-president Cort van der Linden pro-Duits was: zijn bijnaam was niet voor niets Caught unter den Linden, naar de beroemde boulevard in het hart van Berlijn. Maar, anders dan vaak wordt gedacht: de Nederlandse bevolking was helemaal niet zo op de hand van Duitsland. Dat kwam voor een deel door berichten over wreedheden die Duitse militairen direct na de inval in België begingen jegens de burgerbevolking.

Bij een kleine minderheid was er wel een pro-Duitse stemming, zegt Ismee Tames van het Niod. Voor sommigen speelde daarbij de stamverwantschap met het Germaanse volk. Maar er waren ook economische motieven. "De Rotterdamse havenbaronnen waren sterk pro-Duits."

Uitgesproken pro-Brits waren de Nederlanders aanvankelijk ook niet. "Engeland had bij het uitbreken van de oorlog niet zo'n goede pers", zegt Tames. "Dat kwam onder meer door het optreden in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika aan het begin van de eeuw."

Naarmate de oorlogsjaren verstreken, begon het beeld te kantelen, zeker bij de opiniemakers in Nederland. "Bij hen was de stemming: met een internationale orde waar de geallieerden voor staan, zijn we beter af." De Britten en Amerikanen stonden immers op de bres voor een vrije vaart over de zeeën en oceanen - essentieel voor Nederland met zijn koloniën - en voor vrijhandel en democratie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden