De Karaïm van Litouwen: stuiptrekkingen van een cultuur

Onwaarschijnlijk klein als ze mag zijn, de gemeenschap blijft nooit lang onopgemerkt. Geen vreemdeling in Litouwen met toeristische bedoelingen zal zich de burcht van Trakai laten ontgaan. Op een eilandje in een merengebied op maar een half uur rijden van de hoofdstad Vilnius, ligt in volle gerestaureerde glorie het centrum van het middeleeuwse Groothertogdom Litouwen. Eens reikte dat van de Oostzee tot de Zwarte Zee, en kon het Odessa zijn voornaamste havenstad noemen.

Een weg leidt er door het dorpje Trakai naar de lange toegangsbrug, en in de bocht valt de stijl van de houten huisjes uit de toon. Geen gids laat onvermeld, dat hier al zes eeuwen Karaïm leven, en dat zij om hun militaire kwaliteiten hierheen zijn gehaald in de tijd dat het Litouwse rijk strijd leverde tegen de Mongoolse ruiters van de Gouden Horde.

In 1397-'98 kwam de eerste groep van 380 gezinnen. Vytautas de Grote, de onbetwiste held van de Litouwse geschiedenis, zorgde er wel voor dat ze zich vestigden langs de toegangsweg naar zijn hoofdburcht die tegenwoordig Karaïmstraat heet. Vytautas veroverde zich spoedig een bijzondere plaats in de Karaïmse harten en legenden.

Volgens de Karaïmse overlevering zou zelfs Vytautas' schimmel voor hen in de bres zijn gesprongen, toen hij een dreigende vloed keerde door het meer leeg te drinken, en tot de dag van vandaag siert Vytautas' portret iedere Karaïmse huiskamer. In elk geval konden de Karaïm eeuwenlang prat gaan op hun bijzondere privileges, die hen vrijstelden van belasting en hun zelfs hun eigen rechtspraak toestonden.

Ooit moeten er enkele duizenden Karaïm - of Karaieten, waarover zo meer - in Litouwen hebben geleefd, maar vandaag de dag is de gemeenschap tot beneden het kritische punt gedaald. Zelfs in Trakai, waar pal tegenover de brug de Kenesa staat, het voornaamste heiligdom van de Europese Karaïm, telt de gemeenschap nog maar 65 zielen. Nog in de jaren dertig kon een bezoeker, de bekende Turkse politicus Reshid Saffet Bey, babbelend met de Karaïmse vissers en komkommerverkopers, in een romantische opwelling verklaren dat hij het gevoel had aan de Bosporus te staan in plaats van aan het Galvemeer.

Voor me op tafel liggen, nog vers van de pers, een jubileumboek Lietuvos Karaimai (De Karaïm van Litouwen), een bloemlezing Karaïmse poëzie met vertalingen door vooraanstaande Litouwse dichters, en een leerboek Karaïms voor beginners. Het zijn de tastbare bewijzen van wat welhaast de laatste stuiptrekken moeten zijn van een eens bloeiende cultuur.

De sovjettijd, waarin minderheden niet bepaald gekoesterd werden, is nog voelbaar in de argwaan waarmee Mykolas Firkovicius, de enig overgebleven religieus leider, ofwel Ullu Hazzan, ons ontvangt. Voor dat er ook maar van enige gedachtewisseling sprake kan zijn, wil hij tot in de finesses weten wat er met de ingewonnen informatie gaat gebeuren. Kennis is hier nog steeds een bedreigende macht, en je begint je af te vragen hoe de statistici aan hun gegevens zijn gekomen.

De fragiele, 72-jarige Firkovicius, wacht ons op in de Kenesa in Vilnius, die bij gebrek aan beter vergelijkingsmateriaal oogt als een mengvorm tussen een moskee en een 19de-eeuwse synagoge in oriëntaalse stijl. Staar je daar niet blind op, waarschuwt hij keer op keer, “de Karaïm zijn niet enkel een religieuze groepering, maar bovenal een cultuur, een volk met een eigen taal en een lange traditie”. Om die reden heeft hij geen hoge dunk van de studie die vooral vanuit het Zweedse Uppsala aan de Karaïm is gewijd: “Die wetenschappers bestuderen ons helaas alleen van een afstandje als een exotische godsdienst, van onze cultuur en etnische identiteit hebben ze niets begrepen.”

Zweden heeft overigens een reputatie te verliezen als het gaat om de studie van de Karaïm. Al in 1691 constateerde Gustav Peringer, speciaal door de Zweedse koning naar Litouwen op onderzoek uitgezonden, dat de Karaïm behoorden tot de Turkse taalgroep. Firkovicius hecht veel meer belang aan het werk van taalgeleerden uit het begin van deze eeuw. “Vooral twee beroemde oriëntalisten, Zajaczkowski in Krakau en Dubinski in Warschau, beiden zelf Karaïm, hebben de studie van het Karaïms op een hoog niveau gebracht. We hebben nu een goed beeld van de verhouding tot andere talen uit de Kiptsjak-taalfamilie. Dankzij hun werk is de taal inmiddels het best bestudeerde onderdeel van onze cultuur.”

Karaïms wordt tegenwoordig in drie dialecten gesproken: een in Litouwen, een in twee dorpen in Oekraïne en een meer afwijkende variant door de nog altijd bestaande Krim-Karaïm. De nauwst verwante moderne taal is die van de Koemejk in Dagestan, en ze staat in het ruimer verband van de Balkaren, Karatsjai, Krim-Tataren en de uitgestorven Polowetsen.

Van alle Turkse volkeren zijn de Karaïm waarschijnlijk de enigen die hun moedertaal ook in de cultus gebruiken. De naam zelf is echter niet van Turkse, maar van Hebreeuwse oorsprong. 'Karaïm' staat voor 'lezers', afgeleid van de semitische stam voor lezen, 'kara', die ook in de naam Koran voortleeft. Firkovicius: “Zelf noemen we ons Karaïm, hoewel in veel Europese talen de naam Karaieten in zwang is geraakt. In de sovjettijd wilden ze daarmee een kunstmatig onderscheid maken tussen onze etniciteit en onze religie, maar dat is allemaal onzin.”

In de ogen van de oppervlakkige buitenstaander hangen de Karaïm een religie aan, die ergens halverwege jodendom en islam zweeft. Ze zijn dan ook de geestelijke nazaten van een afsplitsing van het jodendom in het Mesopotamië van de achtste eeuw, ontstaan uit verzet tegen de talmoedtraditie. Je zou ze de calvinisten van het jodendom kunnen noemen. Zoals de protestanten de hele katholieke traditie ter zijde schoven om terug te keren naar de 'bronnen', zo wensten de Karaïm geen andere geschriften te erkennen dan de eerste 24 boeken van het Oude Testament. De joodse Karaïmse godsdienst werd vervolgens verspreid onder andere volkeren, totdat ze in de negende eeuw de steppen van Zuid-Rusland bereikte en de hogere kringen van het Khanaat van de Chazaren voor zich won. Via de Chazaren gingen andere Turkse volkeren ertoe over, hoewel de meerderheid op den duur moslim werd. In de loop van de Middeleeuwen en daarna werden de meeste heilige boeken in het Karaïms vertaald, tot en met de psalmen Davids die als zingbare liederen pas in 1994 in het Karaïms verschenen.

Een rondgang door de kenesa's van Vilnius en Trakai - 'onze grootste staat in Eupatoria op de Krim, maar 70 jaar communisme heeft daar nog meer kwaad aangericht dan de 50 jaar sovjetbezetting hier' - laat zien dat de uiterlijke vormen vooral aan het jodendom herinneren. Voorin hangt de Dekaloog in zijn Karaïmse versie, gericht op het zuiden, zoals ook altijd richting het zuiden wordt gebeden. De mannen bidden beneden, de vrouwen op het balkon. Tijdens de rondgang draagt de priester een fez als teken van zijn ambt.

“Onze eigen gemeenschap kon pas weer worden hersteld in 1992. Mijn oom, hogepriester Simonas Firkovicius, de enig overgebleven geestelijke, hield zo goed en zo kwaad als het ging de religieuze rituelen in ere. Direct na de oorlog waren mensen nog niet bang, maar later konden ze aangegeven worden wegens 'religieus activisme' en hun baan verliezen. Na zijn dood in 1982 heb ik zijn taken overgenomen.”

“In de sovjettijd waren onze beide kenesa's gesloten. Deze, gebouwd in het begin van deze eeuw, was in gebruik als kantoor en totaal verwaarloosd. God zij dank hebben we haar in 1989 teruggekregen en stukje bij beetje gerestaureerd, en in 1993 heb ik haar weer kunnen inwijden.”

De toekomst van de Litouwse Karaïm ziet Firkovicius somber in. “In de sovjettijd zijn veel gemengde gezinnen ontstaan en in de praktijk verdwijnt daarmee onze identiteit: we verlitouwiseren in snel tempo. Wel onderhouden we nauwe banden met onze verwanten in Polen, Oekraïne en op de Krim, en in Trakai hebben we een paar keer honderden Karaïm uit alle landen bij elkaar gehad. Maar zelf heb ik geen opvolger, ondanks al mijn inspanningen om er een op te leiden. Vaak kost het al moeite om mensen te doordringen van het belang van hun eigen taal. In veel gezinnen spreekt de jongste generatie amper Karaïms.”

De gemiddelde ontwikkelingsgraad van de Litouwse Karaïm is desondanks opvallend hoog, en de prominente maatschappelijke positie van een aantal leden van de gemeenschap vormen het bewijs dat Litouwen nog steeds zijn Karaïm koestert. Zo zijn Halina Kobeckaite en Romualdas Kozirovicius beiden ambassadeur namens Litouwen, de eerste in Tallinn en de tweede in Moskou. “We maken daar onder elkaar wel eens grapjes over: als twee Karaïm elkaar tegenkomen, is er altijd wel een van beiden ambassadeur of ten minste hoogleraar.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden