De Kamer wil dat Hennis hulp krijgt, je moet het lef maar hebben

Volgens oud-staatssecretaris van economische zaken en huidig voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen Yvonne van Rooy heeft een bestuurder van een ziekenhuis het heel wat zwaarder dan een minister, laat staan een staatssecretaris. Voor Van Rooy is dat een reden waarom de bestuurder van een ziekenhuis wat salaris betreft niet gelijkgeschakeld kan worden met een bewindspersoon.

Van Rooy maakte de zeldzaam arrogante opmerking ('Ik kan het weten, want ik ben zelf staatssecretaris geweest') tijdens een hoorzitting van de Tweede Kamer over de kabinetsplannen de salarissen te verlagen voor topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector (inclusief ziekenhuisdirecteuren). De voormalige CDA-politica gaf vervolgens een merkwaardig inkijkje in haar ziel: er was een extra reden om het salaris van een minister niet als norm te stellen; voor ministers komt immers het verdienen ná de ambtsperiode.

Investeren om later te cashen. Zeker, het is velen gelukt. Maar het is evenzovelen pijnlijk duidelijk geworden dat een politieke loopbaan, zelfs wanneer die tot de top voerde, bepaald niet de investering bleek te zijn, die Van Rooy suggereert.

De minister is geen instituut meer met veel aanzien. Ministers en staatssecretarissen zijn eerder de voetveeg van een op hol geslagen Tweede Kamer. Ooit stelde de huidige vice-voorzitter van de Raad van State, Piet Hein Donner, dat hij beter een kampeerbed in de Kamer neer kon zetten. Als minister van justitie in het tweede kabinet-Balkenende werd hij om het minste of geringste door Kamerleden ter verantwoording geroepen. Ook nu nog is de kleinste éénkolommer in een krant of het miniemste berichtje op radio of televisie aanleiding voor een optreden in het zo hopeloos mislukte mondelinge vragenuurtje op dinsdagmiddag. Geen mens die het nog wil zien op televisie, maar voor het Kamerlid is het publiciteit. Na de vragen, hup een spoeddebat eroverheen. Iedereen houdt iedereen bezig op het Binnenhof met nutteloze navelstaarderij.

En als je dan niet meer weet waar je het zoeken moet om nog iets van je eigenlijke taken te maken, is het Kamerlid niet te beroerd je nog een mes in de rug te steken.

Minister Jeanine Hennis zou best de hulp van een staatssecretaris kunnen gebruiken, riepen verscheidene parlementariërs vorige week. Vredesmissies, gevechtsmissies en de internationale rol van Nederland zijn te belangrijk voor de minister om zich ook bezig te moeten houden met materieel en personeel.

Je moet het lef maar hebben. Een dergelijk pleidooi wordt aan het Binnenhof, die plek zo vol haat en nijd, nooit op zijn merites beoordeeld. Het is onmiddellijk een teken dat de Kamer oordeelt over een zwakke minister.

De opmerking is echter geheel terecht. En niet alleen in het geval van de minister van defensie. Het tweede kabinet Rutte omvat dertien ministers en zeven staatssecretarissen. Vergelijk dat eens met het (willekeurig gekozen voorbeeld) kabinet-Den Uyl: vijftien ministers en zestien staatssecretarissen. Die moeten, naar huidige maatstaven, de hele dag duimen hebben zitten draaien.

De overheid moet kleiner en de coalitie wil dat de politieke top het voorbeeld zou geven. Daarom lopen ministers en staatssecretarissen nu permanent achter de feiten aan. En wordt de Kamer met het jaar ongeduldiger.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden