DE JOURNALIST ALS PUTJESSCHEPPER Altijd maar krabben aan de schone schjn

De Californische krant 'The Orange County Register' is een succes: daar hebben ze het nieuws rond het winkelcentrum uitgevonden. Ze hebben er zelfs een speciale reporter voor: wie doen de boodschappen? Hoe zit het met de toiletten rond het winkelcentrum? Waarom hebben kinderen soms een hekel aan winkelen, althans aan winkelen in een mall of shopping centre? Van die dingen. Maar de uitgebreide serie in de zondagsbijlage van de serieuze 'Constitution', een krant uit Atlanta, over de gezondheidszorg is géén succes. Prachtige, intelligente onderzoeksjournalistiek, maar geen hond die het leest, klaagde de hoofdredacteur.

PETER SIERKSMA

De journalistiek is te braaf, te netjes, er worden geen standpunten meer ingenomen, het engagement is verdwenen en de lezer wordt meer en meer gekieteld in plaats van getart. Tijdens de jubileumbijeenkomst van het Genootschap van hoofdredacteuren klaagde Vrij Nederland-journalist Joop van Tijn onlangs over de 'vertrutting' en 'vervlakking' van de Nederlandse journalistiek. Dat moet anders. Want de lezer, zo betoogde Van Tijn, is er niet om behaagd maar om geprikkeld te worden. “De journalist moet er voor zorgen dat de lezer niet behaaglijk met zijn krantje achterover kan leunen, maar deze juist elke dag opnieuw weer kwaad in de hoek smijt 'omdat er zoveel mis is'.”

Marcel van Dam, ook uitgenodigd, voegde eraan toe dat de journalistiek tegenwoordig 'verhullend' is, waar zij 'onthullend' dient te zijn. En dus verlangde hij terug naar de tijd dat de verslaggeving, en dus de verslaggever, beter was.

De kritiek is niet nieuw en ook niet enkel tekenend voor de toestand in Nederland. Vorig jaar nog liet de mediaspecialist van The Washington Post, Howard Kurtz, in zijn boek 'Media Circus' eenzelfde geluid horen. Hij trok de vervlakking alleen niet direct in verband met de onkunde, onbevlogenheid of luiheid van de journalist, die zichzelf tegenwoordig volgens de uitkomsten van recent onderzoek het liefst vooral als een gewone bankklerk wenst te zien, maar legde de nadruk op de markt en het gedrag van de lezer en de krantenuitgever.

De lezer wil geen moeilijke verhalen lezen over sociaal onrecht, ziekte en ziektekostenverzekeraars. Hij wil verstrooid worden met herkenbare nieuwtjes van alledag en wat sensatie, om zich vervolgens lekker terug te kunnen trekken in zijn veilige huis.

Ziedaar het dilemma van de huidige journalistiek. En de enige manier om zowel zinvol als leesbaar te blijven is volgens Kurtz de terugkeer van een vorm van ouderwetse onthullingsjournalistiek. Wat wij nodig hebben, schrijft hij aan het slot van zijn boek, is fewer pink flamingos and more old-fashioned hell-raising.

Honderd jaar geleden klonk eenzelfde roep. Met dit verschil dat het rose van de flamingo's (Kurtz verwijst hiermee naar een krant uit Boca Raton, 'The News', vroeger een gewone, vrij kleurloze stadskrant, maar eind jaren tachtig omgetoverd tot een rose yuppenkrant met een bijzonder hoog 'behaaglijkheidsgehalte') toen geel was. Het geel van de zogenaamde yellow-papers van grote krantenmagnaten als Hearst, Scripps en Pulitzer, die elkaar op leven en dood beconcurreerden in een strijd om de gunst van de massa.

De 'gele pers' was een typisch produkt van de groei van de samenleving waarover zij berichtte. Waren de (zeer lokaal gebonden) kranten in het verleden vooral het produkt van politieke betrokkenheid (in praktijk meestal pro-Democratisch of pro-Republikeins) en dus van de mening van de uitgever of de hoofdredacteur, aan het eind van de eeuw - toen de krant zich meer en meer ontwikkelde tot een massaprodukt - veranderde dat en gingen andere zaken de inhoud bepalen. Het belangrijkste was niet langer een mening of een commentaar, maar het perspectief van de lezer. Die kocht het blaadje, dus zijn wil werd wet. En zo werden nieuws en advertentie belangrijker dan het hoofdartikel en zagen de reportages en de eerste human interest-verhalen het licht. Dat alles om de lezer eerst zo veel mogelijk te bekoren om hem vervolgens te vormen, naar zijn eigen verlangens. Want ook toen wist men al: de mens gaat steeds meer lijken op wat hij ziet en leest.

Dat de 'gele pers' de massa weinig verheffends te melden had, behoeft geen betoog. Presser haalt in zijn handboek over de Amerikaanse geschiedenis Charles A. Beard aan met de volgende woorden: 'Hij (Hearst, red.) heeft bij elke bedorven smaak in het gevlei willen komen en is de vijand geweest van wat ook maar het beste en nobelste in de Amerikaanse traditie is.' De socioloog A.N.J. den Hollander voegde er in zijn bekende studie over de Amerikaanse onthullingsjournalistiek rond de eeuwwisseling 'Het démasqué in de samenleving' enigszins cynisch aan toe, dat de kranten in hun zucht naar sensatie zo ver gingen, dat als er geen nieuws was zij het maar maakten; 'bijvoorbeeld door Stanley naar Afrika te sturen of een oorlog met Spanje te ontketenen'. Den Hollander doelde daarmee op de zogenoemde Little Splendid War die de Verenigde Staten in 1898 onder druk van de publieke opinie (lees de kranten van Pulitzer en Hearst) tegen Cuba begonnen, en wonnen.

VERBLIND

Kort en goed, terwijl er onder de inmense groei van de Amerikaanse samenleving aan het eind van de vorige eeuw van alles gebeurde dat de moeite van het onthullen waard was, zag de lezer daar aanvankelijk niets of weinig van terug in de kranten en magazines. Natuurlijk: nieuws was nieuws en als er sociale onrust was, zoals in 1886 bij de rellen van Haymarket tussen arbeiders en politie in Chicago of de Pullman-stakingen van 1894, eveneens in Chicago, dan werd dat uitvoerig gemeld. Maar het vreemde was dat zulk nieuws met politiek maar weinig te maken had - met economie des te meer.

Amerika was totaal verblind door de vooruitgang. Men keek omhoog, niet naar beneden. Na de Burgeroorlog (1861-1865) kwam het land in een ongekende stroomversnelling terecht. Nadat eerst het uitgebreide spoorwegnet de ene kust van het continent met de andere verbonden had, veranderden de Verenigde Staten onder invloed van technische uitvindingen als de telefoon, de gloeilamp en de schrijfmachine binnen enkele decennia van een typisch (ook internationaal gezien) gesloten agrarische samenleving tot een grote, machtige, geïndustrialiseerde wereldnatie, waar miljoenen mensen uit de Oude Wereld op af kwamen.

De bevolking nam toe, de industrie raakte op volle toeren, de grote steden groeiden onstuimig, kantoren verrezen en onder het motto van de pioniersleuze van het vrije ondernemerschap en het economisch individualisme van Herbert Spencer deed de dollar de rest. En Europa stond er vol bewondering naar te kijken, naar dat Wirtschaftswunder van de Nieuwe Wereld.

Toen Charles Boissevain in 1881 voor het Algemeen Handelsblad verslag deed van het leven in Chicago (dat, om iets van de onstuimigheid van de groei aan te geven, in 1860 110.000 inwoners telde en in 1900 1,7 miljoen) was hij totaal geïmponeerd door de kracht van de Amerikanen die deze stad op hun geweten hadden: “O! die parvenus van Chicago”, riep hij uit, “wat zijn dat een mannen, een wereldbouwers! Wat vormen ze een roemrijke, krachtige keurbende!” Over de stad zelf schreef hij al even bewonderend: “Ik overdrijf niet, als ik verklaar zulke tooverstad nooit gezien te hebben; zulke schitterende weelde, zulke rijkdom, zulke menigte van reusachtige paleizen nooit te hebben aanschouwd. Ik vraag ontzag voor de koningin van het Westen, die over de onmetelijke provinciën heerscht; die uit de 'gelukkige jachtgronden der Roodhuiden' langs twaalf verschillende spoorwegen graan en hout, vee en steenkool samengaart, die pakhuizen heeft, in elke waarvan ze 7400 miljoen engelsche ponden graan ophoopt; die de kinderen van een bevolking, welke een half millioen zielen telt, kosteloos voortreffelijk onderwijst; die een hoogeschool heeft gesticht en voorbeeldige boekenverzamelingen bijeenbrengt; die zich een stadhuis, een gerechtshof en een postkantoor bouwt welke van vier tot vijf millioen dollars per stuk kosten; die zich steeds blijft ontwikkelen en vergrooten en die langs hare parken en haar blauwe meer reeksen paleizen van zandsteen, graniet en marmer opricht, welke zich aan den horizon aan het oog onttrekken.”

Het hoogtepunt van de trots, van The Gilded Age, zoals de periode van de schone schijn aan het eind van de negentiende eeuw ook wel werd genoemd, was de wereldtentoonstelling van 1893, waar maar liefst 27 miljoen mensen op af kwamen. Chicago organiseerde haar en de bewondering rees, met de eerste wolkenkrabbers, bijna de hemel in. Niet voor niets werd de 'witte stad' dan ook vergeleken met een nieuw Jeruzalem. Chicago was de moderne versie van Bunyans 'Hemelse stad', schreef de ene bezoeker. 'Verkoop desnoods je fornuis, maar kom direct', schreef een ander aan zijn ouders in North-Dakota. Nee, het kon niet op met Chicago. Hier lag het paradijs op aarde.

Tot er een jaar later plotseling een boek verscheen met een heel ander geluid. Als Christus naar Chicago zou komen, vroeg de schrijver, de Engelse journalist en hoofdredacteur van de Review of Reviews William T. Stead, zich af, wat zou er dan gebeuren? Zou Hij dan ook zo lovend zijn over de prestaties van al die krachtige Amerikanen die Zijn hemel zo bestormden? Of zou Hij misschien ook achter het doek kijken, verder lopen dan de wereldtentoonstelling groot was?

'If Christ came to Chicago' (1894) sloeg in als een bom. Het boek, voor een deel voortgevloeid uit een al tijdens de wereldtentoonstelling gehouden mini-conferentie over de schaduwzijden van de schijn van het succes en het goud dat middels de vrijheid van het ongebreideld ondernemerschap gewonnen werd, behandelde vooral de waanzin van het overal gepredikte sociaal darwinisme (dat staat voor het idee dat iedereen gelijke kansen heeft en dus van krantenjongen ook miljonair kan worden) en economisch individualisme.

Zoals de Deense immigrant Jacob A. Riis vier jaar eerder in New York had gedaan met 'How the other half lives', liet Stead in Chicago zien waartoe het succes-denken ook leidde. Hij legde de corruptie van het stadsbestuur bloot, schreef over de woonomstandigheden in de krottenwijken, die de nieuwe hemel op aarde blijkbaar ook had. Stead sprak tijdens zijn bezoek aan Chicago niet alleen met de elite, die zich vergaapte aan de ideeën en bouwwerken van verheven lieden als Root en Sullivan. Hij sprak ook met kroegbazen en prostituées, met werkloze immigranten en oude mensen voor wie geen voorzieningen bestonden. Stead maakte een wereld zichtbaar die tot dan toe verborgen was.

MESTVORK

Met Riis en niet te vergeten Henry Demarest Lloyd, die in de jaren tachtig al met geruchtmakende artikelen en boeken over de uitwassen van trustvorming ('Lords of Industry', 1884) schreef, werd Stead een van de belangrijkste voorlopers van een generatie journalisten die aan de hand van zakelijk, maar goed geschreven artikelen allerlei uiteenlopende sociale kwesties aan de kaak stelde en zich daarom al snel de naam muckrakers (letterlijk: 'putjesscheppers' of 'strontgravers') op de hals haalde.

De naam werd geïntroduceerd door de journalist Ellery Sedgwick, onder meer hoofdredacteur van het gezaghebbende magazine The Atlantic Monthly, maar bleef pas hangen nadat president Theodore Roosevelt (1858-1919) de term in maart 1906 tijdens een van zijn vele speeches, thuis, bezigde.

De term was niet vriendelijk bedoeld. Roosevelt stoorde zich aan veel van het kwaadwillige geschrijf van de nieuwe journalisten. Vooral wanneer daarbij personen direct geschaad werden. De president ontleende de term muckraker op zijn beurt overigens weer aan John Bunyans (in de negentiende eeuw te pas en te onpas geciteerde) 'Pilgrim's Progress'. De man met de mestvork, schreef Bunyan, kijkt altijd maar omlaag en nooit eens omhoog, waardoor hij nooit de kroon op zijn werk zal kunnen aanschouwen. Wat een contrast met al die bezoekers van Chicago in 1893!

De artikelen van de muckrakers - het moeten er in een tijdsbestek van ongeveer tien jaar (1902-1912) volgens Den Hollander ongeveer 2000 geweest zijn - verschenen in populaire, soms half literaire magazines als 'Mc Clure's', 'Munsey's' en 'The Cosmopolitan'. De bladen werden vooral verkocht in de steden en kenden oplages die schommelden tussen de 300.000 en 700.000 exemplaren. De prijs bedroeg ongeveer 15 cent per nummer.

Vooral Mc Clure lukte het om een zware staf van nieuwe journalisten om zich heen te verzamelen. De bekendste waren Ida Tarbell, die in navolging van Lloyd verder ging met de publikatie van verhalen over de toestand bij Standard Oil, Lincoln Steffens (hij stelde de gemeentelijke corruptie aan de kaak in St. Louis, Minneapolis en Pittsburgh), Ray Stannard Baker (schreef over schandalen bij de spoorwegen en enkele vakbonden) en George Kibbe Turner (over de relaties tussen het stadsbestuur, de politie en de onderwereld in Chicago). Een buitenbeentje was David Graham Philips. Zijn sensationele onthullingen over de Senaat als rijkeluis-club en de krantenwereld zelf ('The Great God Succes', 1901), waren minder zorgvuldig geschreven dan die van de meeste andere muckrakers en dat leverde hem en 'The Cosmopolitan', waarvoor hij schreef, veel kritiek op.

Het onthullingsvirus bleef niet tot journalisten beperkt. Ook schrijvers bekeerden zich tot een krachtige, naturalistische manier van schrijven waarin niet een of andere vage negentiende-eeuwse droom, maar boven alles de twintigste-eeuwse daad centraal stond. Zo schreef Upton Sinclair in zijn roman 'The Jungle' zo beeldend over de praktijken in de slachthuizen van Chicago dat Theodore Roosevelt er volgens de humorist Mr. Dooley (eigenlijk: Finley Peter Dunne) op slag vegetariër van werd. Hoe het ook met de eetgewoonten van de president verder verliep, Amerika hield er in ieder geval de Pure Food and Drugs Act van 1906 aan over.

Het effect van al het geschrijf was verschillend. Upton Sinclair boekte er direct politiek succes mee, maar meestal was het effect vooral psychologisch. Er werd geappelleerd aan het geweten van de natie, en soms ook aan daadwerkelijke hulpvaardigheid. Steads boek gaf bijvoorbeeld het in 1889 door Jane Addams opgezette project voor armen en daklozen in 'Hull House' grote bekendheid, zodat het ook elders kon worden nagevolgd. En soms, zoals in het geval van de schandalen die Steffens oprakelde, leidde een artikel tot een (meestal maar tijdelijke) zuivering van een stadsbestuur.

Zo snel als zij kwamen, zo snel verdwenen ze ook weer van het toneel, de muckrakers. Toen de eerste schok verwerkt was, leerden bedrijven en instellingen zich te wapenen tegen de wapens van de kritische journalist. Ze werden al snel als ongewenst persoon beschouwd, hetgeen weer tot gevolg had dat ze nergens meer binnenkwamen en dus hun waarde voor de magazines verloren. Bovendien had het lezerspubliek de schandalen na een paar jaar wel gezien, waardoor de bladen, zoals 'Mc Clure's' langzamerhand verdwenen of gedwongen werden hun koers te wijzigen. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak publiceerde het blad dan ook ironisch genoeg alleen nog maar romantische verhalen.

ARROGANT

Steeds vaker als ik Amsterdam zie, moet ik aan Chicago denken. Het Chicago ten tijde van de wereldtentoonstelling van 1893 en het begin van deze eeuw. Het Chicago van de eerste wolkenkrabbers, het Chicago, kortom, dat New York naar de kroon stak en waar ook iedereen naar toe trok, omdat daar geld te verdienen was, omdat het daar in die witte en winderige stad aan het Michiganmeer allemaal gebeurde.

Hoe kom ik aan dat beeld? Want strik genomen klopt de vergelijking natuurlijk niet. Misshien komt het door al die torens die er de laatste tijd rond Sloterdijk en Amsterdam-Zuidoost uit de grond rijzen. Door de uit glas en metaal opgetrokken arrogante,hemelbestormende kantoren van managementbedrijven en adviesbureaus, mediaconsultants, projectontwikkelaars, banken en softwarebedrijven die voor je weet waar ze precies gevestigd zijn ook al weer failliet blijken.

Door de sfeer van lucht die in het laatste kwart van de vorige eeuw, in die Vergulde Eeuw, in Amerika wel getypeerd werd als 'That God Bitch Succes'. Door de drang om snel 'binnen' te raken en de schijn die die drang tot succes, tot scoren met zich mee brengt. Door een teveel aan BMW's en verhalen over mogelijke betrokkenheid van de onderwereld bij bijvoorbeeld de bouw van het stadion van nu juist precies het allersprekendste voorbeeld van succes, Ajax.

Misschien komt het ook door de toenemende armoede en criminaliteit, die zich onder de ogen van een vrij machteloos, in deelraden versnipperd stadsbestuur voltrekt, door de naar corruptie ruikende IRT-affaire of de bouw van een bank op de Vietnamweide. Door het verdwijnen van een solide middenstand en middenklasse in de oude buurten van oost- en west-Amsterdam, door de situatie rond het Centraal Station, de Nieuwmarkt en metrostation Wibautstraat.

En misschien komt het ook wel door de Amerikaanse film 'Pulp Fiction' van Tarrantino, waarin twee zware criminelen op weg naar een overval achteloos over Amsterdam keuvelen als het walhalla van de drugs en de vrijheid om alles te doen wat God verboden heeft. Amsterdam als het Sodom en Gomorra van de onderwereld. Was dat juist vroeger Chicago niet?

De vraag stellen is haar beantwoorden. Er zijn nieuwe journalisten nodig: nieuwe muckrakers, herrieschoppers, putjesscheppers, persmuskieten, vliegende verslaggevers met een neus voor scheve zaken, altijd maar krabbend aan de schone schijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden