De joodse wijk van Samarkand wordt steeds stiller en leger

De jood Sjlomo (29) woont op een steenworp afstand van de grote bazaar van Samarkand. De bazaar wordt bevolkt door Oezbeken, Tadzjieken, Iraniërs en Tataren die stoffen, gereedschap en watermeloenen aanbieden. Een voortdurend getik van de hamertjes van de blikslagers tegen hun pannen en potten verdooft het oor. Maar in de straat van Sjlomo heerst een veredige stilte en is niets te merken van het bruisende leven even verderop.

PAUL ALEXANDER

Het is sabbat en Sjlomo hangt ledig rond het huis. “Dit is onze rustdag en dat nemen we heel letterlijk”, vertelt Sjlomo. “Mij zul je vandaag geen licht zien aansteken. Er gaat een legende over een rijke joodse koopman die een eeuw geleden in Samarkand woonde. Deze koopman genoot zoveel aanzien dat hij een keer op sabbat een brief van de tsaar ontving. De koopman was onverstoorbaar en wachtte tot het einde van de sabbat met het openmaken van de brief. Toen de tsaar ter ore kwam dat hij de brief niet onmiddellijk had gelezen, moest de jood het met zijn leven bekopen.”

Even later zitten Sjlomo en zijn familie om de tafel waarop een grote schaal met overrijpe vruchten staat. Alleen moeder loopt af en aan met soep, schapevlees en gevulde paprika's met rijst. De vader van Sjlomo maakt kiddoesj, de zegening van de wijn. Hij draait de dop van een fles Oezbeekse likeur af en prevelt: 'Baroech Adonai . . .'

Sjlomo en zijn familie zijn Boechaarse joden. Boechaarse joden zijn van Perzische afkomst, spreken het aan het Perzisch verwante Tadzjieks en bewonen al van oudsher de steden van Centraal-Azië. Hier leven ze te midden van de islamitische volken als Tadzjieken en Oezbeken.

“Ik spreek vier talen”, lacht de vader van Sjlomo, “Tadzjieks, Oezbeeks, Russisch en een heel klein beetje, een heel heel klein beetje Hebreeuws.” Dan pakt hij zijn zoon bij de schouder en zegt: “Sjlomo wijdt al zijn tijd aan de studie van de Heilige Geschriften en beheerst het hebreeuws vlekkeloos.”

De joodse wijk waar Sjlomo woont ligt ingepakt tussen de moskeeën en medrasa's (islamitische leerscholen) van Samarkand. In deze historische stad aan de Zijderoute staan de graftomben van legendarische figuren als Tamerlan en zijn kleinzoon Oeloeg Beg. De joodse wijk lijkt sprekend op het islamitische deel van de oude stad. Van buiten zijn de huizen eender en niets wijst er op dat er joden wonen. Maar zet een stap over de drempel en het joodse karakter springt onmiddellijk in het oog. De bezoekers raken bij het betreden van de woning vluchtig de mezoeze aan. Het vaatwerk op de kast is versierd met Hebreeuwse inscripties, op de kachel staat een foto van een naar Israël geëmigreerd familielid en aan de wand hangt een portret van een voorouder met een keppeltje op zijn kruin.

Naar Israël

Sjlomo slaat geen dienst over. Elke ochtend maakt hij zijn gang naar de synagoge, twee straten verderop. De middagen brengt hij door op het kolel naast de synagoge, het leerhuis voor joodse mannen, waar hij de Tenach en de rabbijnse literatuur leest en bestudeert. Vandaag komt Sjlomo op weg naar de synagoge de oude Amnon tegen. “Al mijn papieren zijn in orde”, schalt Ammon door de straat, “volgende week vertrek ik naar Israël.”

Op straat is het rustig en de joodse wijk ligt er verlaten bij. Sjlomo: “Elke dag kom ik wel iemand tegen die zijn vertrek aankondigt. Vroeger krioelde het van de mensen in de straten. Het was moeilijk je een weg te banen door de horden spelende kinderen. Nu is de meerderheid vertrokken. en de rest volgt.”

Inderdaad dreigt de joodse gemeenschap in Centraal-Azië te verdwijnen. Vooral sinds de perestroika en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, toen de grenzen voor iedereen opengingen, trekken de joden, net als uit de andere voormalige Sovjetrepublieken, massaal naar Israël en de Verenigde Staten. In 1989 woonden er 65 duizend joden in Oezbekistan; daarvan is drie kwart al vertrokken. Van de ongeveer 13 duizend joden in Samarkand zijn er niet veel meer dan 2 duizend over.

Sjlomo stapt de binnenplaats van de synagoge op en gaat het kolel binnen. Over een paar maanden vertrekken hij en zijn familie naar New York om zich bij de rest van de familie te voegen die al eerder is geëmigreerd. Sjlomo is eigenlijk econoom, maar hij heeft geen werk, dus slijt hij zijn laatste dagen in Oezbekistan noodgedwongen in het kolel. Tot een jaar geleden was hij verbonden aan de economische faculteit van de Academie van Wetenschappen en werkte hij aan een proefschrift over de overgang van een centraalgeleide economie naar een markteconomie. Maar onder dwang van de autoriteiten heeft hij zijn onderzoek overgedragen aan een Taszjiek. Sjlomo: “Sinds Oezbekistan onafhankelijk is verkeert het land in een diepe economische crisis. De inflatie is enorm, de prijzen stijgen met de dag en de bevolking leeft in armoede. De autoriteiten hebben al twee keer getracht de financiële crisis te bezweren door een nieuwe munt in te voeren. Joden hebben door hun banden met Israël en met de joden in Amerika de mogelijkheid om weg te gaan. Het rijke Westen lokt.” Maar zijn kritiek op de economie van het land is niet de reden dat zijn onderzoek hem is ontnomen. Sjlomo: “Men wil geen nieuwe opgeleide kaders creëren van degenen die niet de Oezbeekse of Tadzjiekse nationaliteit hebben. Het is duidelijk dat de joden vandaag of morgen vertrekken en ons worden dan ook de hoge posities ontzegd. Ook joden, die aanvankelijk helemaal niet weg wilden vrezen voor hun positie en emigreren.”

Alleen op vrijdagochtend, voor dag en dauw, zijn de straten van de joodse wijk overladen met mensen. Het is vrijdagmarkt en de joden verkopen hun huisraad. In de straten hangen rookwalmen van de sjasjliek die Tadzjieken op elke hoek bereiden. Alles verkopen de joodse families, bankstellen, piano's, kasten, stoelen en zelfs hun huizen. Maar ze raken hun ruime woningen met enorme binnenplaatsen aan de straatstenen niet kwijt. Een marktkoopman schimpt: “Wat de joden in eeuwen bij elkaar hebben verzameld verpatsen ze hier in een mum van tijd voor een habbekrats.' Volgens sommige bronnen wonen er al meer dan tweeduizend jaar joden in Centraal-Azië. Voordat de islam in Centraal-Azië voet aan de grond kreeg, kende het gebied tal van godsdiensten. Boeddhisten, manicheeërs, zoroasters, sjamanisten, nestorianen en joden vormden een religieuze lappendeken. Zij waren veelal vluchtelingen en zochten in de oude handelssteden langs de Zijderoute een goed heenkomen. In de achtste eeuw werd Samarkand door moslims ingenomen en nam de islamisering van Centraal-Azië een aanvang. Van alle verschillende religieuze ordes overleefden alleen de joden de botsing met de Islam. Volgens de volkstelling van 1167 woonden er toen 50 duizend joden in Centraal-Azië. In Boechara woonde ooit het grootste deel van de Centraal-Azië. In Boechara woonde ooit het grootste deel van de Centraalaziatische joden, vandaar de naam Boechaarse joden. Naast de Boechaarse joden telt Centraal-Azië nog een handjevol Asjkenasische joden uit Oekraïne, Litouwen, Wit-Rusland en Rusland, die hoofdzakelijk tijdens en na WO-II naar de streek zijn gekomen.

Terwijl de vrijdagmarkt alweer op zijn einde loopt begint in de synagoge het ochtendgebed. De mannen leggen hun gebedsriemen om en de voorzanger heft het gebed aan. Rabbijn Immanuel Sjimonov, een in strak pak gestoken dertiger, komt juist de binnenplaats van de synagoge opgelopen. Sjimonov: “Pas de laatste jaren genieten de joden religieuze vrijheid. Nu kunnen we openlijk loofhutten op onze binnenplaatsen bouwen en in de wijk zijn zelfs enkele straten naar vooraanstaande joden vernoemd. Dat was in het verleden wel anders. Onder het communisme mochten we, althans op papier, vrijelijk ons geloof belijden. Maar het was bijvoorbeeld wel verboden te trouwen in de synagoge. Bruidsparen werden dan ook heimelijk op de sabbat, tijdens het ochtendgebed als iedereen zich in de synagoge bevond, in de echt verbonden.” Ook sloten de sovjetautoriteiten alle confessionele scholen en de nieuwe generaties werd zo de mogelijkheid Hebreeuws te leren ontnomen. Rabbijn Sjimonov: “Voor velen was dit aanleiding om in de jaren '70, toen op beperkte schaal emigratie naar Israël was toegestaan, de biezen te pakken.”

Religieuze onderdrukking kenmerkt de geschiedenis van de Boechaarse joden. Aan het einde van de zestiende eeuw werd het emiraat Boechara gesticht dat als centrum diende van de Islam in Centraal-Azië. Onder de emirs kregen de joden het zwaar te verduren. De poorten van de joodse huizen mochten niet boven de huizen van de moslims uitsteken. Bovendien waren zij verplicht een gesp als herkenningsteken te dragen en was het hen niet toegestaan op straat versierde gordels te dragen, zodat ze zich met een touw om hun middel moesten behelpen. Ook mochten joden maar een beperkt aantal beroepen uitoefenen. Bijgevolg werken de Boechaarse joden traditioneel als kapper en schoenmaker. De joden moesten jaarlijks een hoofdelijke belasting betalen aan een belastingophaler die bevoegd was om de joden grofheden toe te werpen en hen voor het hoofd te slaan. Vele joden bekeerden zich onder dwang tot de islam, maar bleven heimelijk hun oude geloof belijden. Deze bekeerlingen werden tsala genoemd, wat zoveel betekent als 'onvolmaakt'.

Hoewel de joden nu op religieus vlak volledige vrijheid genieten, spelen er op de achtergrond wel etnische kwesties, zegt rabbijn Sjimonov. “Er hebben als botsingen tussen de Oezbeken enerzijds en Azeri en Armeniërs anderzijds plaatsgehad, waarbij ook enkele joden het moesten ontgelden. Politiek is de situatie op het moment redelijk stabiel. Maar als het economisch slechter blijft gaan en er een politieke crisis uitbreekt kan het beste eens link worden.”

Waarnemers beschouwen Centraal-Azië als de Balkan van het Oosten. President Islam Karimov, een ex-communist van het oude kader, regeert het land met harde hand. De repressie is nodig om etnisch geweld te verhinderen, zo rechtvaardigt hij zijn autoritair regime. Inderdaad is Oezbekistan tot nog toe gevrijwaard gebleven van een burgeroorlog die een buurland als Tadzjikistan zo verscheurt. Ook in Oezbekistan vinden de fundamentalisten steeds meer aanhang en kan etnisch geweld elk moment de kop opsteken.

Rabbijn Sjimonov zelf is al geëmigreerd naar Queens, New York. Hij vliegt veelvuldig op en neer naar Samarkand om het vertrek van de joden in goede banen te leiden. De rabbijn betreurt het natuurlijk dat de joodse gemeenschap in Samarkand aan het verdwijnen is, maar de loop van de geschiedenis kan niemand veranderen. Rabbijn Sjimonov: “Op joodse feesten moeten minimaal tien mannen aanwezig zijn. In Samarkand blijkt het tegenwoordig een behoorlijke opgave om die tien bij elkaar te krijgen. Voor mannen is het hier ook moeilijk een joodse bruid te vinden. Die kunnen ze beter in Queens zoeken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden