Column

De jongen wil bidden voor mijn vader. ‘Vooruit dan maar’

Beeld Trea van Vliet

Mijn vaders hoorapparaat hapert en we zijn op weg om de boel ­opnieuw af te laten stellen. Daarna willen we een borrel.

We, dat zijn mijn vader, Wim en ik. Wim is een gepensioneerde boer uit Zeeland. Hij is ook de mentor van mijn vader, dat is een officiële juridische positie: mensen als mijn vader moeten verplicht een mentor hebben die hun belangen behartigt. Wim herhaalt vaak wat hij zei toen ik hem voor het eerst ontmoette: “Ik heb heel mijn leven in mijn eentje met koeien gewerkt, en toen moest ik met jouw vader gaan werken. Dat was wel even wennen.”

Inmiddels is Wim een soort oudere broer voor mijn vader en vandaag zijn we dus met z’n drieën op pad. Wim loopt aan de straatkant, mijn vader strompelt gearmd tussen ons in. Het is guur op de boulevard, rechts van ons kolkt de Westerschelde. Een jongen komt aanfietsen, stapt vlak voor ons af en vraagt iets aan Wim. Die kijkt mij aan, maar ik heb niets verstaan door de wind.

‘Wat?’, gebaar ik. De jongen richt zich nu tot mij en roept dat hij graag wil bidden voor mijn vader.
“Wat?”, vraagt mijn vader aan mij. Ik brul in zijn oor dat deze jongen voor hem wil bidden.
“Moet dat?” vraagt mijn vader.
Of dat moet”, roep ik naar de jongen.
Het moet niet, maar hij ziet dat mijn vader pijn heeft en Jezus heeft hem op pad gestuurd om mensen te genezen, roept hij terug. Zestien, zeventien, schat ik hem, met zachte wangen en zachte ogen.
Ik brul dit weer in het oor van mijn vader.
“Vooruit dan maar”, knikt die welwillend.

De jongen knielt neer terwijl hij met één hand zijn fiets vasthoudt en begint te bidden. Ik durf niet naar Wim te kijken omdat ik niet wil gaan lachen. Mijn vader kijkt geïnteresseerd toe.

Als de jongen zijn ogen weer opendoet en overeind komt, kijkt hij verwachtingsvol naar mijn vader. Wim en ik volgen en mijn vader ­beseft dat er iets van hem gevraagd wordt. Hij pakt mij steviger vast en begint beurtelings zijn knieën tot borsthoogte op te trekken, iets ­waardoor ik meteen alsnog enorm ga giechelen. Hij schudt zijn hoofd, knieën en rug doen nog steeds pijn. De jongen wil verder bidden, maar dat wil mijn vader niet. We bedanken de jongen voor zijn goede intenties en lopen door en als ik omkijk, zie ik hoe hij ons beteuterd nakijkt.

Bij de gehoorzaak krijg ik alsnog de slappe lach. Niet om die jongen, maar om hoe gortdroog mijn vader dit onderging! Ik steek Wim aan, maar mijn vader blijft onverstoorbaar. “Me dunkt dat we toe zijn aan die borrel”, zegt hij als hij weer kan horen. En als we even later proosten: “Halleluja”.

Journalist en schrijfster Trea van Vliet schrijft over haar vader, die verblijft in een woonvorm voor psychiatrisch patiënten in Zeeland. Lees meer in het dossier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden