Review

De jongeling droomde van Hellas, opium en absint

Benno Barnard: De schipbreukeling. Atlas, Amsterdam/ Antwerpen; 64 blz. - ¿ 25.

Zijn overstap naar het langere gedicht hangt wellicht samen met het feit dat hij allengs ook proza begon te schrijven. Een tijdlang zag het er zelfs naar uit dat het proza de poëzie voorgoed verdrongen had. Tussen zijn derde bundel en het al genoemde 'Tijdgenoten' ligt een periode van acht jaar, waarin hij zijn autobiografische boeken 'Uitgesteld paradijs' en 'Het gat in de wereld' publiceerde. Beide boeken behoren tot het beste wat er in dit genre in ons land is geschreven. De bij uitstek verbaal ingestelde Barnard leek zich definitief het proza in en de poëzie uit geschreven te hebben.

Maar als gezegd, de poëzie hernam haar rechten. 'Tijdgenoten' verscheen, en inmiddels is er alweer een nieuwe bundel met langere gedichten van hem: 'De schipbreukeling'. Deze gedichten hebben ten opzichte van die van vroeger wel een paar veren gelaten. De pregnantie, virtuositeit en esthetische flair zijn verdwenen of op het tweede plan geraakt. Barnard is directer en sentimenteler geworden, - 'prozaïscher' zo men wil. De prismatische brille heeft plaatsgemaakt voor een ruim en ongehinderd stromen van de gevoelens, ideeën en herinneringen. Niet dat hij er nu maar vrijuit en in tongen sprekend op los dicht, maar dat hij binnen een gegeven stramien spontaner durft te zijn dan voorheen is een ding dat zeker is.

'De schipbreukeling' bevat vier afdelingen waarvan de titelafdeling uit één episodisch gedicht van ruim twintig bladzijden bestaat. De kleine slotafdeling 'Autobiografie van een dorpsjongen' is qua sfeer nog het meest verwant aan het vroegere werk. Het dorp van zijn jeugd, de onrust van zijn kindertijd, het zich geestelijk afsluiten van de wereld rondom hem: we kennen dit al uit zijn misschien wel mooiste bundel tot nu toe: 'Klein Rozendaal'.

De grote breuk in zijn leven, zijn vertrek in 1976 naar België, vindt hier opnieuw haar weerslag. De jongeling droomde van Hellas, opium en absint, en de veertigjarige dichter vindt zichzelf terug in de realiteit van België, Gauloises en bier. Scherper dan vroeger doorziet hij dat zijn vlucht uit het dorp van zijn jeugd een fictie is. Hij is er nooit echt van losgekomen: 'Ik ben niet weggeweest! / Ik ben niet teruggekomen! / Dit is het dorp // waar de nachtwind mij aanvliegt en in mijn strot bijt'.

België krijgt in de openingsafdeling 'Een zuiden' meer contour. Het bevat onder meer een aardig gedicht over poëziedorp Watou, voorts een illusieloze herinnering aan zijn Brusselse periode ('Niet Brussel is lelijk geworden, ik ben lelijk geworden / in deze decennia') en een sterk gedicht over het bij hem zelden ontbrekende aspect van ontworteling (wonen, en zich geestelijk thuis weten, in België, wortelen, en zich geestelijk gevormd weten, in Nederland). Zo peinst de dichter op zijn werkkamer: 'Ik schrijf dit in een witte zomernacht naar huis, / hoewel ik thuis ben, als een inheemse slak / ben blijven plakken in de warmte van mijn draai'.

De afdeling 'De schipbreukeling' is de meest problematische van de bundel. Het is geschreven naar aanleiding van schilderijen die de Antwerpse schilder Jan Vanriet maakte bij versregels uit het evangelie van Johannes. Het is ondoenlijk dit meanderende gedicht in kort bestek samen te vatten. Het bevat bewogen scènes uit het Antwerpse (uitgaans-)leven, handelt over liefde, dood, Europa en de dichtkunst, en beschrijft in een soort eigentijds 'evangelie' fragmenten uit het leven en sterven van 'de gelukkige schipbreukeling' en 'Canarische matroos' García. Dit alles gezien door de ogen van een ik-figuur die, zelf dichter, een perfecte dubbelganger van Barnard lijkt.

Er zijn nogal wat toespelingen uiteraard op het Johannesevangelie - die genezing van de blindgeborene, het in doeken wikkelen van het dode lichaam van Christus, enzovoorts -, maar die zijn toch te accidenteel om als bindmiddel te fungeren. Het gedicht als geheel overtuigt dan ook niet. Maar er staan meesterlijke fragmenten in. Prachtig is vooral de bijna lijfelijke passie voor de taal waarvan Barnard keer op keer getuigt. In de portrettering van García bijvoorbeeld:

Hij proefde wijn in alle talen van de wereld. Hij sprak het gebroken Latijn van de havensteden en verstond het Hebreeuws van het hart, en zijn gezouten Vlaamse tong prees het gerief dat onder het vele zoet van zijn buik hing.

Zo hitsig en openhartig heeft Barnard zijn woordverliefdheid niet eerder onder woorden gebracht. Intussen is hier en in soortgelijke passages allang geen sprake meer van woordverliefdheid, maar veeleer van woordbehoefte. Hij die in 'Het gat in de wereld al poneerde: 'Mijn identiteit is mijn taal', wéét dat er buiten de taal helemaal geen eigen identiteit bestaat. Vandaar die intieme, inderdaad lijfelijke betrokkenheid op het woord; hij schept er zijn eigen ik mee. En vandaar ook wellicht Barnards fascinatie voor juist het Johannesevangelie, dat in tegenstelling tot de drie synoptische evangeliën immers met de logosproloog over het vlees geworden woord begint!

Op ontroerende en indrukwekkende wijze komt het levensbelang van de taal ook tot uiting in het aan zijn moeder gewijde in-memoriam-gedicht uit de derde afdeling. Het heet 'Moedertaal'. Het is te lang om te citeren, maar zelden heb ik de liefde voor de taal en voor de moeder zo fraai dooreengevlochten gezien. Vanaf de eerste regel worden over de grens van de dood heen de noties 'moedermelk' en 'moedertaal' met elkaar verbonden, uitmondend in de regels:

En nog altijd zuigt mijn grote mond op de consonant die ik zo lekker vond, nog altijd is mijn oudste klinker een en al verbazing over mijn gulzigheid en mijn verzadiging. Ik zal mijn hele leven melk hebben gegeten.

Dit gedicht brengt de moeder op sensuele maar volstrekt zuivere wijze weer tot leven om ten slotte afscheid van haar te nemen met de onthullende woorden: 'O dode moeder,/ morgen is er weer een nacht waarin ik opschrijf:// ik ben niet alleen van mijzelf'.

'Niet alleen van mijzelf' had het motto kunnen zijn van de hele derde afdeling, waarin het isolement dreigt, maar waar mogelijk bezworen wordt met de taal en de vriendschap. De melancholie, vroeger bij hem nooit geheel vrij van pronkzucht, staat er nu als een naakte waarheid bij: 'Ik weet niet wat het is nu ik met niemand praat.' Barnard laat zich kortom meer kennen dan vroeger en dat is pure winst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden