De jeugd is te beklagen

Mijn dochter van 17 is terug van een trekkersvakantie. Slaapmatje, rugzak en stevige wandelboots. Vlekkeloos bij vertrek, nu smoezelig van ontbering. De schoenen inmiddels versierd met het vredessymbool en de woorden 'peace' en 'love', zie ik. En plots voel ik mij veertig jaar in de tijd teruggeslingerd. Uit arren moede zet ik 'Déjà Vu' van Crosby, Stills, Nash and Young nog maar eens op. Uitgebracht in 1970, is het nog altijd mooie muziek.

Gek genoeg vindt mijn dochter dat óók. Ik geloof zelfs dat nummers ervan op haar iPod staan. Net als veel andere muziek uit die tijd. 'Pap, ken jij de Moody Blues?' Natuurlijk kent pap de Moody Blues. En ook Gerry Rafferty - kennelijk geliefd bij een van haar klasgenoten. En Pink Floyd en Fleetwood Mac en zelfs Jethro Tull: wie herinnert zich nog de prachtige 'Bourée'? Hele hitlijsten uit mijn jonge jaren komen voorbij. Alleen Frank Zappa lijkt nog te hoog gegrepen. Waren wíj in onze jeugd veertig jaar teruggegaan, dan waren we rond 1930 aanbeland. Geen hond die de muziek uit die tijd zelfs wilde hóren. Laat staan de klanken uit de jaren '50: crooners en dansmuziek waarop onze ouders elkaar hadden leren kennen. Alleen de Andrew Sisters genoten begin jaren zeventig een kortstondige populariteit, als uitzondering die de regel bevestigde.

Is het waar dat er nooit meer zulke goede popmuziek gemaakt is als toen? Dat klinkt erger dan nostalgisch. Psycholoog Douwe Draaisma heeft laten zien dat de muzikale indrukken van onze puberteit ons hele leven maatgevend blijven. Maar waarom zou mijn dochter zich dan nog bekreunen om de Moody Blues? Niet alleen die duurzaamheid is verrassend. Ook de afwezigheid van elke jeugdige drang om oudere muziek te verwerpen omdát ze muziek van de ouders was.

Daarin zijn de huidige pubers ongetwijfeld aardiger dan wij. Of is het conformisme? De politieke voorkeuren van mijn dochters klasgenoten lopen perfect parallel met die van hun ouders, zegt zij. En wat - zo denk ik meteen - zegt dat over haar, over ons? 'Peace' en 'love'? Voor een echt geloof daarin was ik altijd al te sceptisch. Of te cynisch, zeiden sommigen.

Intussen waren de jaren zestig en zeventig wel naadloos toegesneden op de jeugd, zegt mijn vrouw. Daaruit welde een aanstekelijke opgetogenheid op die nu ondenkbaar lijkt. Vandaag worden eerstejaarsstudenten direct al met kracht geattendeerd op hun 'loopbaanplanning': de naargeestigste manier om het hele leven toe te snijden op het pensioen. Geen wonder dat zij de baby-boomers vooral willen afrekenen op de kosten dáárvan.

Ze zijn inderdaad te beklagen. Niet vanwege de veronderstelde rijkdom van de jongeren van toen. Die leefden rond 1970 in wat nu armoedigheid zou heten - en daarvóór was het nog veel erger. Maar het barstte wel van het vertrouwen in een wereld die alleen maar béter kon worden. Dat maakte het niet ongebruikelijke maal van rauwe bonen zoet en gaf ruimte voor wat terecht een jeugdcultuur heette.

Een lang leven was die laatste niet beschoren. Halverwege de jaren '70 zakte de economie in en werd alles grauw, de punkmuziek een toonloze muur van herrie. Daarna werd het beter en toen weer slechter. Ook onder de financiële, ecologische, politieke en ideologische doem van vandaag word je vroeg oud.

Maar plotseling zijn daar 'peace' en 'love'. Nostalgie voor de één en voor de ander - wat? Ik zou mijn dochter graag het gretige en zelfloze verlangen toewensen dat ik mij herinner. Een hoop die zichzelf geen rad voor de ogen draaide maar wel hoop durfde zijn. Al datgene, kortom, wat intussen alleen nog maar verdacht lijkt te zijn. En toch: een déjà-vu dat steeds weer terugkomt.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden