De jaren vijftig

'Wanneer hij volkomen gebroken door de hevigheid en het genot naast u ligt neergezogen, weest dan verdraagzaam, want gij zelve waart immers de aanstichtster van deze 'dronkenschap'. En mocht hij soms inslapen? Weet dan te zwijgen. Sluit uw ogen. Beweegt u vooral niet. Hij slaapt, volmaakt gelukkig en tevreden.' Deze seksuele raad kregen vrouwen in een voorlichtingsbrochure uit 1951. Maar toch verschenen in de tweede helft van de jaren vijftig de eerste signalen van een proces van politieke, sociale, artistieke en levensbeschouwelijke veranderingen dat in de late jaren zestig zou uitmonden in ontzuiling, democratisering en secularisatie.

In 1959 werd het veertigjarig bestaan van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) gevierd met een eenpansmaaltijd van boerenkool met worst. Voor wie nu, ruim een halve eeuw later, terugkijkt, lijkt dit detail het heersende beeld te bevestigen van Nederland in de jaren vijftig: een kneuterige, diep burgerlijke samenleving. Een land waar de melkbussen keurig langs de weg stonden, de bakker nog aan huis kwam en de treinen op tijd reden. Maar ook een maatschappij waarin matigheid en vlijt hoog in het vaandel stonden, waarin men weet had van vaste normen en waarden, en gezagsgetrouwheid hoog in het vaandel voerde.

Het was de tijd - met name die tussen 1949 en 1955 - waarin de mannen elke morgen op de fiets naar het werk vertrokken; gekleed in overall of antracietgrijs pak, een pet of hoed op het hoofd, broodtrommeltje of aktetas onder de arm. Intussen stond hun vrouw - strak gepermanent, in zwarte plissérok of deux-pièces - in de rij voor de toonbank van 'Meneer De Gruyter' ('én 10 procent én betere waar') om er 'het snoepje van de week' te incasseren.

's Avonds luisterden beide echtgenoten naar programma's als 'Negen heit de klok' van de KRO, lazen een boek uit de christelijke of gemeentebibliotheek, speelden met de kinderen een bordspelletje of gingen naar de bios om er kaskrakers te zien als 'De dijk is dicht' (1950) en 'Ciske de Rat' (1955). En op zondag wachtte de kerkdienst.

Geld voor vakantie of luxe artikelen was er niet. Daar zorgden de miljarden kostende nationale wederopbouw, een geleide loonpolitiek en langdurige bestedingsbeperking wel voor. Het loon was laag, de arbeidsproductiviteit hoog. Soberheid en zuinigheid waren allerwegen troef en werden als nationale deugden beschouwd. Nederland lag immers in puin en moest snel worden opgebouwd. Al werkende verdrong men de oorlogsmisère en het daarbij behorend schuldgevoel, en negeerde de trauma's van de overlevenden uit de nazi- en jappenkampen. Hetzelfde overkwam de 300.000 Indische Nederlanders die tussen 1949 en 1957 ons land binnenkwamen.

De kerk bekleedde in de jaren vijftig, naast het gezin, nog altijd een centrale plaats in het leven van de meeste Nederlanders. Opvoeding en onderricht binnen kerkelijk verband vulden de inspanningen van ouders en school niet alleen aan, maar reguleerden ze ook. In dorp en kleine stad maakte de dominee of pastoor deel uit van de lokale elite en ontleende hier mede zijn gezagspositie aan. Wee de 'gewone' gelovige die zo driest was dat gezag te trotseren! Wie homoseksualiteit geen 'perversiteit' noemde, stemmen op de PvdA niet als 'antichristelijk' beschouwde en het tolereerde dat zoon of dochter verkering had met een partner van het 'verkeerde' geloof, was al snel een outcast. Op het Brabantse en Limburgse platteland liep hij zelfs het risico zijn baan te verliezen. De meerderheid van de gelovigen stelde dat gezag niet ter discussie. Tot ver in de jaren vijftig steeg de verzuilingsgraad nog.

Op nationaal niveau hadden de grote kerkgemeenschappen via KVP, ARP en CHU veel invloed. Maar ook de PvdA kon het zich electoraal niet permitteren hun wensen te negeren. Nog steeds bekende de meerderheid van de kiezers zich tot het christendom. Wetten en regels weerspiegelden daardoor een christelijk-ethisch denken waarvan Jan Peter Balkenende slechts kan dromen. Niet-kerkelijken voelden zich in hun vrijheden beperkt als het ging om levensbeschouwelijke keuzes of regelingen rond de verplichte zondagsrust.

Het adagium van wat men toen - en zeker niet alleen in confessionele kring - 'harmonieuze ongelijkheid' noemde, bepaalde het verschil in opvoeding en onderwijs tussen jongens en meisjes. De ene groep werd opgeleid voor een beroep, de andere was bestemd voor het moederschap en de huishouding.

Meisjes hoorden van alle kanten dat ze als maagd de huwelijksboot dienden in te stappen, en hun moeders dat ze het eventueel 'vreemd gaan' van hun man geduldig moesten uitzweten. Dat zeiden niet alleen de dominee en de pastoor, maar ook de huisarts en 'Margriet weet raad'. Damesbladen als Libelle en Beatrijs portretteerden de 'ware vrouw' als een zorgzame fee, permanent in de weer voor man en kroost.

Die zorgzame ondergeschiktheid diende zich ook tot de echtelijke sponde uit te strekken. Zo werd in een voorlichtingsbrochure uit 1951 over seksualiteit binnen het huwelijk aan vrouwen de volgende raad gegeven: 'Wanneer hij volkomen gebroken door de hevigheid en het genot zelf naast u ligt neergezogen, weest dan verdraagzaam, want gij zelve waart immers de aanstichtster van deze 'dronkenschap'. En mocht hij soms inslapen? Weet dan te zwijgen. Sluit uw ogen. Beweegt u vooral niet. Hij slaapt, volmaakt gelukkig en tevreden.'

In het publieke domein waarborgden politieke partijen en sociale organisaties dat ieder van de vele zuilen die de vaderlandse samenleving schraagden, naar evenredigheid aan zijn trekken kwam. Want het aanvankelijke enthousiasme voor de politieke en maatschappelijke 'doorbraak' was na 1945 snel weggeëbd. Al werd er wel voor het eerst in de vaderlandse geschiedenis een rooms-rode coalitie gesmeed die, onder de strakke regie van Drees (PvdA) en Romme (KVP), tot 1958 het politieke speelveld zou domineren.

Ogenschijnlijk leek alles strikt gescheiden naar geloofsovertuiging en sociale klasse, ageerde men luidruchtig tegen de politieke opvattingen buiten de eigen zuil. Kenmerkend voor die houding was het oordeel dat Trouw in 1950 over de PvdA velde: 'Ze is objectief onbetrouwbaar en daarom een gevaar voor ons land.' Maar aan de top van de veelgelaagde politiek-maatschappelijke piramide werd door de diverse stromingen met grote vaardigheid en zeer effectief een poldermodel avant la lettre in praktijk gebracht. Via informeel overleg achter de schermen vijlde men eventuele scherpe kantjes weg.

De jaren vijftig waren ook het tijdperk van de Koude Oorlog; de strijd in Korea (1950-'53), de opstanden in de DDR (1953), Polen en Hongarije (1956). Een tijd waarin iedereen nog precies wist - of dacht te weten - wie de vriend en wie de vijand was.

En dan was er de emigratie: naar Noord-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika. De top werd bereikt in 1958 toen bijna 50.000 Nederlanders hun heil elders zochten. Drees noemde de uittocht 'een zegen voor ons volk', omdat het wat remmemd werkte op de naoorlogse bevolkingsexplosie -tussen 1950 en 1970 steeg de bevolking met drie miljoen - die extra drukte op de wederopbouw.

De overheid ontplooide een ongekende voorlichtingsdrift. Met films als 'Naar wijder horizon' en 'Sterren stralen overal' trokken de emigratieverleiders door het land en wisten soms hele straten tot vertrek te bewegen. Waarschuwingen dat de realiteit in de emigratielanden minder rooskleurig was dan de regering de mensen voorspiegelde, gingen ten onder in het propagandageweld.

'Emigratie is moderne slavenhandel', schreef Elsevier in 1950. 'Emigranten zijn welkom als goedkope arbeidskrachten voor zwaar en smerig werk', meldde het weekblad. Later zou blijken dat de critici gelijk hadden. Het leven van veel emigranten was aanvankelijk zwaar en soms ronduit ellendig.

De redenen waarom mensen vijftig jaar geleden hun heil elders zochten bleken zeer divers: angst voor honger en armoede, voor overbevolking en de komst van de Russen, maar ook zin in avontuur, afkeer van het als verstikkend ervaren verzuilde klimaat, behoefte aan meer fysieke ruimte. Op grond van dit soort motieven vertrokken alleen al 160.000 Nederlanders naar Australië.

In tegenstelling tot het beeld dat later van de jaren vijftig zou ontstaan, als een periode van braafheid, saaiheid en preutsheid, keken tijdgenoten zelf er heel anders tegenaan. Zij klaagden over sociale ontreddering, morele verwildering en - ook toen al - over gebrek aan nationaal bewustzijn en compassie met de medemens.

Zo kon men eind 1950 in de populaire vraagbaak 'Margriet weet Raad' lezen dat 'de morele inzinking die de wereld thans meemaakt te wijten (is) aan de bandeloosheid, door oorlog en bezetting veroorzaakt'.

Daar zat een kern van waarheid in. Men was gewend geraakt aan liegen, frauderen, saboteren, en die gewoontes had niet iedereen na mei 1945 een, twee, drie afgeleerd. En dan was er de promiscuïteit. 'Alles zoop en naaide', vatte Remco Campert met gevoel voor overdrijving de situatie kort na de oorlog samen. Maar al had zeker niet iedere Trees haar Canadees en elke Sjaan haar Amerikaan, toch waren bij sommigen de zeden losser dan voorheen. Dat gold ook voor nogal wat gefrustreerde militairen tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië. Condooms kregen ze niet.

Een en ander werkte door in de morele opvattingen van grote groepen jongeren. Niet dat die zich massaal overgaven aan decadent gedrag, maar menigeen ging over bepaalde zaken toch wat liberaler denken dan de oudere generatie. Zo bracht een onderzoek in 1947 aan het licht dat opvallend veel meisjes voorechtelijk geslachtsverkeer als een logisch gevolg van verloofd zijn zagen. En dat terwijl de pil nog niet bestond, andere contraceptiva moeilijk te krijgen waren en 'sociale' abortus nog tot drie jaar cel voor de betrokken arts leidde. Het veroorzaakte menig 'moetje'.

Tegen deze achtergrond toonden de autoriteiten zich bezorgd over de 'morele verwording van de jeugd'. In opdracht van de regering stelden zeven sociologische en pedagogische instituten een onderzoek in. Begin 1953 lag er een dik rapport op tafel dat er niet om loog: 'De jongeren blijken verwilderd als gevolg van de teloorgang van elke vorm van traditie, sociale conventie, moraliteit en geloof. Ze houden er een banale, materialistische moraal op na, terwijl vulgair hedonisme hun hoogste levensdoel vormt. Gezin, school noch jeugdorganisatie hebben hier een afdoend antwoord.'

Het rapport leidde merkwaardigerwijs niet tot enig overheidsingrijpen. In de woorden van de Nijmeegse historicus Paul Luykx: ,,Hoe luid zelfs ook de confessionele parlementariërs om actie riepen, de kabinetten, met de (katholieke) KVP in een hoofdrol, bleven gereserveerd.'' Zag de regering er het nut niet van in? Of woog het feit mee dat twee jaar later Leidse onderzoekers, na gesprekken met jongeren zelf, lieten zien dat het in werkelijkheid allemaal zo'n vaart niet liep?

Het enige dat Den Haag deed was de stripcensuur verscherpen - het ministerie van onderwijs had in 1948 reeds alle schoolbesturen opgeroepen om de verspreiding van 'amorele' strips à la Dick Bos, Charlie Chan en Lex Brandt op hun scholen te verbieden - en (nog) meer aandacht te besteden aan een actieve gezins- en huwelijkspolitiek. In de hoop het gezin als kerneenheid voor de samenleving te behouden. Want de echtscheidingscurve kroop langzaam omhoog en onderzoek toonde aan dat het onder de vasthouders (de overgrote meerderheid) bepaald niet overal goud was wat er blonk.

Al viel 's lands morele en maatschappelijke situatie in de praktijk dus mee, toch verschenen in de tweede helft van het decennium de eerste signalen van een proces van politieke, sociale, artistieke en levensbeschouwelijke veranderingen, dat in de late jaren zestig en daarna zou uitmonden in ontzuiling, democratisering en secularisatie.

Het maakte de besturende elite onrustig, al roeide ze - in tegenstelling tot de latere beeldvorming - niet uitsluitend tegen de stroom in. Op sommige punten ging het 'regentendom' wel degelijk over tot aanpassingen. Zo werd de positie van de gehuwde vrouw verbeterd (1956) en kwam er voor het eerst een vrouw aan het hoofd van een ministerie te staan (Marga Klompé op maatschappelijk werk).

Ofschoon al in de jaren dertig de eerste, onderhuidse tekenen van secularisatie en verzet tegen het kerkelijk absolutisme te zien waren geweest, begon de omslag op levensbeschouwelijk gebied pas in de jaren vijftig echt op gang te komen. Na 1950 liep, om maar iets te noemen, het aantal seminaristen ineens sterk terug en nam de kerkgang ook onder 'gewone' roomse gelovigen af. Niet alleen de katholieke elite, maar ook veel gewone parochiepriesters kregen het gevoel dat een traditioneel, gesloten katholicisme tekort schoot in de moderne samenleving. Dat leidde in 1950 tot de bundel 'Onrust in de zielzorg'.

In 1953 vierde rooms-katholiek Nederland weliswaar op triomfalistische wijze het feit dat hier honderd jaar geleden de bisschoppelijke hiërarchie werd hersteld, maar veel feestelijke toespraken hadden een bezwerende ondertoon, culminerend in de oproep van de oude, doodzieke kardinaal De Jong, tijdens de grote slotviering in het Utrechtse stadion de Galgenwaard: 'Blijft één, één!'

Het bisschoppelijk Mandement uit 1954, dat het kerkvolk verbood lid te zijn of te worden van het socialistische NVV of de Vara, en het lidmaatschap van de PvdA ontraadde, leek het autoritaire gezag van de kerkleiding te bevestigen. In werkelijkheid was het een wanhopige, tot mislukken gedoemde poging de ingezette ontzuiling een halt toe te roepen. De autoriteit van de bisschoppen werd er eerder door verzwakt dan versterkt. In elk geval bracht het de katholieke werkgemeenschap binnen de PvdA er niet toe zichzelf op te heffen. En in de 'eigen' KVP en onder katholieke intellectuelen was men er verre van gelukkig mee.

Binnen de confessionele blokken - in het roomse kamp het meest zichtbaar - begon de achterban zich te ontworstelen aan de houdgreep van de kerk. Pogingen van Rome om het getij onder dwang te keren, werkten averechts. In 1955 liet men de jezuïet Sebastiaan Tromp een onderzoek instellen naar 'nieuwlichterij' op Nederlandse seminaries en de Nijmeegse universiteit; er vielen ontslagen.

De kerkelijke disciplinering, die zich sterk fixeerde op de (seksuele) moraal, werd binnen de opkomende geestelijke gezondheidszorg ter discussie gesteld door mannen als de psychiater-seksuoloog C. Trimbos, A. Bartels, directeur van het Katholiek nationaal bureau voor geestelijke gezondheidszorg, en psycholoog Han Fortmann, aalmoezenier van de Katholieke Jeugdraad. Hun invloed liep via tijdschriften als Ruimte, Te Elfder Ure, Dux en G 3.

Kenmerkend was ook de kritiek die eind jaren vijftig losbarstte op de godsdienstige uitzendingen van de KRO, zoals de elke morgen terugkerende bede 'Reinig onze nieren'. Een ingezonden briefschrijver hoonde: 'In onze gebedsnood verlos ons, bidden wij U, van ons zogeheten geestelijk voedsel: het eeuwige griesmeel van de morgenwijding.' Enkele jaren eerder zou dit soort kritiek niet in het katholieke omroepblad zijn afgedrukt.

In protestantse kring stond de klok evenmin stil. Ook daar daalde, zoals de gereformeerde synode in 1955 constateerde, het kerkbezoek in rap tempo. Het schudde de protestantse kerkleiders wakker. Onder de van oudsher behoudende gereformeerden voltrok zich in die jaren een 'stille omwenteling', met name binnen de Vrije Universiteit, de ARP en vanaf 1960 ook bij Trouw. Onder de hervormden sloegen theologen als Hendrik Kraemer, Noordmans, Miskotte, Van Niftrik en J. de Graaf nieuwe, progressievere wegen in.

En dan was er nog de Leidse hoogleraar P. Smits. Deze liet op Goede Vrijdag 1959 het hervormde kerkvolk in het blad Kerk en Wereld weten dat hij geen trek meer had in de 'bloedtheologie', waarmee Smits de centrale christelijke leer bedoelde dat Jezus aan het kruis is gestorven ter delging van onze zonden. Zijn uitspraak - bekend geworden als 'geef mijn portie maar aan fikkie', dat wil zeggen ik heb geen verzoening door een ander nodig, ik kan en moet het zelf doen - veroorzaakte een enorme deining binnen de volkskerk.

Diezelfde kerk had overigens bij monde van haar generale synode, met slechts één stem tegen, op 1 juli 1952 het gebruik van voorbehoedmiddelen aanbevolen om het kindertal te beperken ('Het rapport over het huwelijk').

Ook buiten de kerken viel er veel interessants waar te nemen. Zo begon de man-vrouwverhouding te veranderen. Dat bleek onder meer uit de cultfilm 'Les Tricheurs' (1959), in ons land uitgebracht onder de titel 'Zondaars in spijkerbroek' en door menig geestelijk voorganger verketterd. Weliswaar fungeerden de meisjes er nog steeds als lustobject, maar ze namen nu ook zelf initiatief tot vrijen en speelden binnen de groep niet langer uitsluitend een ondergeschikte rol.

De uit Amerika overgewaaide danscultuur, veel lijflijker dan vroeger, hielp mee de relatie tussen de seksen te ontspannen.

Naarmate het opleidingsniveau van jongeren verder toenam, veranderden ook de gezagsverhoudingen binnen het gezin, waar ouders vaak een lagere opleiding hadden genoten dan hun kinderen. De formeel beleden bevelsstructuur werd in de dagelijkse werkelijkheid geleidelijk een onderhandelingsrelatie.

De jaren vijftig waren niet alleen het tijdperk van 'De Familie Doorsnee' (Vara), de film 'Fanfare' en de zoetige romantiek van Pat Boone, maar ook dat van de revolutionaire jazzsaxofonist Charlie Parker, Fellini's 'La strada' en de rock 'n roll van Elvis Presley en Little Richard. Naast de brave Doris Day en de zoetige Romy Schneider (Sissi) manifesteerden zich rebellen als James Dean en natuurlijk het sekssymbool Brigitte Bardot. Zij werden ook in ons land door grote groepen jongeren vereerd. Die hunkerden, net als Frits van Egters, de hoofdpersoon in Reve's psychologische tijdschildering, naar verandering in een naoorlogse samenleving die ze zagen als 'een gaskamer van verveling'. Gretig omarmde men het Franse existentialisme, zonder precies te weten wat het inhield, kleedde zich (wat de meisjes betreft) à la Juliette Greco en citeerde te pas en te onpas Sartre's 'De hel dat zijn de anderen'.

In de poëzie maakten de Vijftigers - Hans Andreus, Remco Campert, Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Sybren Polet, Bert Schierbeek, Simon Vinkenoog - met hun rijm- en metrumloze gedichten, vrije strofebouw en losse syntaxis korte metten met traditionele vormen en semantische samenhangen. Jan Hanlo's experimentele gedicht 'Oote oote boe' uit 1954 leidde zelfs tot kamervragen.

Ditzelfde afzetten tegen het 'oude' viel ook waar te nemen bij de Nederlandse schilders die toetraden tot de internationale Cobra-groep: Karel Appel, Corneille, Constant, Jan Nieuwenhuis. Hun ruw-directe, anti-esthetische en abstract-expressionistische manier van werken schokte de vaderlandse goegemeente. Dat bleek in november 1949 tijdens de tentoonstelling die de groep in het Amsterdams Stedelijk Museum hield, samen met Vijftigers als Elburg, Kouwenaar, Lucebert en Schierbeek. Er brak een storm van verontwaardiging los, mede veroorzaakt door het provocerend optreden van de betrokken kunstenaars. De pers trok alle registers open, met koppen als 'Waanzin tot kunst verheven' en 'Geklad, geklets, geklodder'.

Rond 1958-'59 kreeg ook in Nederland een (beperkt) deel van de jeugd in de gaten dat het leven heel wat meer inhield dan wat thuis werd voorgeleefd. Zo ontstonden de 'dijkers' en de 'pleiners', werkende jongeren, respectievelijk middelbare scholieren en studenten die zich in houding en gedrag afzetten tegen de squares, de 'vierkante' lieden van het kleinburgerdom, met wie ze hun eigen pa en ma bedoelden. Behalve in Amsterdam ook in Rotterdam en Den Haag geconcentreerd, trokken deze 'nozems' met hun afwijkende levensstijl de aandacht van de gevestigde media. Die spraken over 'straat- en pleinvuil', maakten afkeurend gewag van hedonisme en het eerste illegale drugsgebruik, en van provocerende botsingen met de politie (de 'dijkers').

De pers liep in die jaren überhaupt niet erg voorop. Zo schreef De Groene Amsterdammer, toch niet bepaald 's lands meest conservatieve blad, in 1956 over Bill Haley's film 'Rock around the clock' dat het hier ging om muziek 'even primitief als een stier in paringstijd'. Terwijl het in werkelijkheid de geboorte betrof van een van de belangrijkste muzikale stromingen van onze tijd. De jeugd had dat veel eerder in de gaten en bestormde de bioscopen, om vervolgens tot de ontdekking te komen dat de film in verschillende gemeenten verboden was.

Wat zich afspeelde in de relatieve beslotenheid van het Leidse Plein vond, in afgezwakte vorm, navolging bij een breed en jong publiek. Uit gingen de veterdasjes, slipovers en houtje-touwtje-jassen, en aan de blauwe blazers, sweaters, lange blokdassen, groene parka's en suède bordeelsluipers. En wie als jongen echt wilde 'blitzen' droeg een broek met strakke pijpen, reed op een Berini, liep met een caesarkop rond, liet zich bebop knippen of had een vetkuif met 'kippekont'.

Meisjes verruilden permanent en watergolf voor rattenkop of getoupeerd haar, trokken vijf petticoats over elkaar aan, kochten strakke truitjes en voorgevormde puntbeha's. Of ze droegen, nog ergere schande, een strakke lange broek. In alle gevallen leidde het thuis tot felle ruzies.

De platenspeler en radio Luxemburg hielpen het conservatieve monopolie van de verzuilde omroepen doorbreken en brachten Connie Francis, de Everly Brothers en Paul Anka onder ieders gehoor.

De televisie kwam in ons land pas laat op gang. Drees voelde niet veel voor invoering ervan, bang als hij was dat het nieuwe medium mensen op het verkeerde spoor zou zetten. De premier vond dat het volk zijn schaarse geld beter aan zinvoller dingen kon besteden dan aan de aanschaf van een tv-toestel. Het baatte niet. De commercie (lees: Philips) trok aan het langste eind. Op 2 oktober 1951 vond de eerste tv-uitzending plaats. Pas begin jaren zestig zou het nieuwe medium echt (en snel) doorbreken.

De consumptiemaatschappij kwam aarzelend om de hoek kijken. Stijgende lonen, toenemende arbeidsproductiviteit, verregaande industrialisatie en een sterke groei van de export leidden na 1955 tot meer welvaart en daardoor tot grotere consumptie. De fiets werd vervangen door de brommer en bij een enkeling zelfs al door de auto. In steeds meer huishoudens deden stofzuiger, wasmachine en ijskast hun intrede. Gevolgd door meer eigentijds meubilair. Het Amerikaanse fenomeen van de supermarkt werd geïntroduceerd, wat zorgde voor een goedkoper en pluriformer levensmiddelenaanbod.

Terwijl in 1950 slechts achttien procent van alle Nederlanders op vakantie ging - hoofdzakelijk in eigen land - lag dat percentage tien jaar later op zes en twintig. Tussen 1958 en '62 voerde men de vrije zaterdag in. Toen werd ook het sociale vangnet geknoopt dat, hoewel met meer gaten dan voorheen, ook nu nog bestaat.

Deze vernieuwingen en veranderingen stimuleerden het loslaten van tradities. Al ging dat bij menigeen heel wat langzamer dan bovengenoemde ontwikkelingen suggereren. Zeker bij de volwassenen, van wie velen tot in de jaren zeventig vasthielden aan de vertrouwde normen en waarden. Hun kinderen hadden toen hun heil allang bij de 'kabouters' van Roel van Duyn, bij rookmagiër Jasper Grootveld of het neomarxisme van Lukacs en Marcuse gevonden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden