De islam-zuil in Nederland blijkt niet meer dan een baksteen

AMSTERDAM - De islam lijkt in Nederland bezig aan een niet te stuiten opmars. Althans dat is het beeld dat opiniemakers als Pim Fortuyn (essay: 'Tegen de islamisering van onze cultuur') en politici als VVD-leider Frits Bolkestein - “nog nooit heeft ons land zo'n (moslim)volksverhuizing moeten verwerken” - een verontruste goegemeente voorhouden. Zij voelen zich in hun mening gesterkt door het Sociaal en cultureel planbureau. Dat voorspelt dat de islam in 2020 de op één na grootste godsdienstige stroming van Nederland zal zijn. Blijft wel de vraag: klopt het?

“Nee”, antwoorden alle islamologen en andere deskundigen die Trouw de afgelopen weken raadpleegde. Volgens hen is er sprake van groot gezichtsbedrog. Neem het SCP. Dat neemt kennelijk aan dat het seculariseringsproces aan de moslims voorbijgaat. Als enige godsdienstige groepering in Nederland. De praktijk wijst anders uit.

Van de 673 000 moslims in ons land - onder hen 219 000 Turken, 184 000 Marokkanen, 145 000 Indonesiërs en 49 000 Surinamers - bezoekt naar schatting een derde van de mannen soms een moskee. Het percentage dat zich vijf keer per dag in gebed naar Mekka keert is nog veel lager. Het gehoorzamen aan de spijs- en drankwetten, geen alcohol consumeren bijvoorbeeld, blijkt ook aan erosie onderhevig. Wat de moslimvrouwen betreft, bidt veertig procent 'wel eens'. Nu zegt dit niet alles over de religiositeit onder moslims - zo wonen er 60 000 Turkse Alevieten in ons land voor wie het vijf keer per dag bidden en naar de moskee gaan sowieso niet hoeft - maar het is toch een teken aan de wand als het gaat om het meten van institutionele godsdienstigheid.

Bekijken we alleen de jongeren - zestig procent van alle moslims in Nederland is niet ouder dan 25 jaar - dan zijn de cijfers nog lager. Onder hen slaat de secularisering even hard toe als onder hun christelijke leeftijdgenoten. Het enige verschil is dat allochtone jongeren minder snel dan autochtone zullen toegeven dat ze niet meer geloven.

Vormt dan het aantal autochtonen dat de laatste jaren tot de islam is overgegaan, wellicht de verklaring? Weinig waarschijnlijk. Het gaat hier om vijftienhonderd mensen, van wie het grootste deel Nederlandse vrouwen die met een Turk, Marokkaan, Surinamer, Indonesiër of andere moslim-allochtoon zijn getrouwd. Van massale bekering tot de islam is dus evenmin sprake.

De constatering van het SCP dat in 2020 het percentage moslims in 'kerkelijk' Nederland zal zijn verdubbeld - van drie naar zeven - mede omdat het aantal bekeringen het aantal kerkverlaters in evenwicht zal houden, lijkt daarom niet reëel.

De verwarring heeft vooral te maken met het schaarse onderzoek dat naar secularisatie van de islam in Nederland is gedaan. De lacune lijkt te zijn ontstaan doordat islamologen en andere onderzoekers de neiging hebben op het religieuze te letten en het niet-meer-religieuze buiten beschouwing te laten.

Indien het allemaal berust op onjuiste indrukken, hoe zit het dan met die 380 moskeeën die Nederland telt, met de islamitische scholen, met de vele hoofddoeken, met het fundamentalisme?

Wasif Shadid, bijzonder hoogleraar interculturele communicatie aan de Katholieke universiteit Brabant en docent culturele antropologie aan de rijksuniversiteit Leiden, is een van Nederlands meest gezaghebbende experts als het gaat om de positie van de islam in ons land. Zijn conclusie: “Er wordt in dit land over moslims veel prietpraat verkondigd.”

Een goed voorbeeld is het fundamentalisme. Een Nos-enquête uit 1995 wees uit dat één op de drie Nederlanders denkt dat tenminste de helft van alle moslims in ons land fundamentalistisch is. Shadid: “Onderzoek laat zien dat in werkelijkheid zo'n vier procent van de moslims in ons land binnen die categorie valt. Bijna niemand van hen geeft daar een politieke of religieus-fanatieke invulling aan. Het zijn islamitische traditionalisten die je kunt vergelijken met de 'zware' gezindte onder het protestantisme. Vrome mensen die niemand kwaad doen.”

En over de hoofddoeken bevraagd: “Bij veel jonge vrouwen heeft het geen godsdienstige betekenis maar is het een onderdeel van hun sociaal-psychologische emancipatie.”

Het beeld dat sommige Nederlanders ophangen van moslims als een fundamentalistische 'vijfde colonne' die onze moderne, geseculariseerde en democratische samenleving bedreigt, klopt volgens Shadid van geen kant.

Typerend is het doemscenario van de Amsterdamse historicus Leo Biegel, tien jaar geleden geschetst in NRC Handelsblad. Biegel voorspelde dat steeds meer Turkse en Marokkaanse jongeren zich zouden aansluiten bij fundamentalistische bewegingen.

Shadid: “De grote criminaliteit onder Marokkaanse jongens - in een stad als Den Haag blijkt een forse meerderheid met de politie in aanraking te zijn geweest - duidt eerder op verval van religieuze normen en waarden dan op radicalisering ervan.”

En de vele moskeeën? Shadid: “Daarvan zijn er slechts 20 tot 25 die de naam moskee echt verdienen. De rest bestaat uit primitieve gebedsruimten, variërend van omgebouwde garages tot twee samengetrokken woonhuizen. Onze horizon wordt echt niet verduisterd door een woud van minaretten.”

En hoe zit het dan met de islamitische scholen? Shadid: “Het gaat uitsluitend om basisscholen en ze worden maar door vier procent van de moslimjeugd bezocht. De meeste Turkse en Marokkaanse ouders sturen hun kroost naar een openbare (60 procent) of bijzondere (36 procent) school. Net als autochtone ouders laten zij zich bij hun keuze meestal meer beïnvloeden door praktische factoren als de afstand van huis naar school en het niveau van de lessen dan door de juiste levensbeschouwelijke 'kleur' ervan.”

Shadid vindt het gepraat over een moslimzuil daarom onzin. “Tot nu toe is die zuil niet veel meer dan een baksteen.” Gewezen op het fenomeen van de islamitische omroep: “Een half uur per week zendtijd, dát zet zoden aan de dijk!”

Wat volgens hem het ontstaan van zo'n zuil ook verhindert is de grote heterogeniteit van de moslimgemeenschap in Nederland. In etnisch zowel als in religieus opzicht. “Er is een bonte verscheidenheid aan religieuze stromingen, rechtsscholen, mystieke ordes en politieke bewegingen die het ontstaan van een krachtige moslimzuil belemmert.”

“Wat de islam betreft is er in ons land sprake van een verschijnsel dat ik 'romantiseren van religie' noem.” Dit constateert Herman Beck, hoogleraar fenomenologie van de godsdiensten aan de theologische faculteit in Tilburg. Hij legt uit: “Enerzijds wordt de islam als de grote boeman afgeschilderd: 'Alle moslims zijn gelovig, onverdraagzaam en conservatief'. Anderzijds flirt men - in een land waar religie een marginaal gebeuren is geworden - met de prikkelende gedachte dat de islam een godsdienst is die het hele leven van zijn belijders domineert. Een idee dat al evenmin overeenstemt met de dagelijkse werkelijkheid.” Die is, aldus Beck, bonter en ingewikkelder dan het publiek denkt.

Toch durft Mirjam Lammers de stelling aan dat er onder veel jongeren van islamitische huize een levensbeschouwelijke crisis heerst. Lammers werkt als projectmedewerkster levensbeschouwelijke vorming bij het Brabants Steunpunt Jeugdwelzijn in Den Bosch. Binnen dat kader ontwikkelt zij activiteiten die aansluiten op de 'levensvragen' van Turkse en Marokkaanse jongeren. Haar voornaamste verklaring voor de geloofscrisis: “Hun geloofsopvoeding thuis en in de moskee beperkt zich tot geboden en verboden.”

Uit gesprekken met honderden beter opgeleide moslimjongeren proefde Lammers een grote behoefte aan praten over levensbeschouwelijke onderwerpen. Kernvragen als 'hoe moet je als moslim in een niet-islamitische samenleving staan?' en zaken die zijdelings met geloof van doen hebben: partnerkeuze, opvoeding van eventuele kinderen. Kwesties waarmee ze bij pa en ma niet hoeven aan te komen. En nog minder bij het seculiere club- en buurthuiswerk. Daar is men bang voor de reacties van ouders en moskee.

Die behoefte van moslimjongeren aan meer inzicht in en eigentijdse interpretatie van de islam herkent ook de Nederlandse moslim Abdulwahid van Bommel. Net als Lammers gaat hij veel met jongens en meiden van islamitische huize om. Daarbij heeft hij dezelfde ervaring: “Jongere moslims krijgen geen of volstrekt onvoldoende antwoorden op vragen van existentiële en levensbeschouwelijke aard. Toch worden ze daarmee door autochtone leeftijdgenoten geconfronteerd: 'Hoe denkt jullie geloof over homoseksualiteit, euthanasie, mensenrechten, de verhouding geloof-wetenschap?' Op dat soort vragen, vaak nogal agressief geuit, hebben de meeste jonge moslims geen geloofwaardige antwoorden.”

Gevraagd naar de gelovigheid en de geloofspraktijk van Turkse en Marokkaanse jongeren in Nederland geeft Van Bommel - imam en publicist- een “zeer globale indeling”, die in gesprekken met wetenschappers ook regelmatig opduikt. Het gaat om de volgende categorieën:

a) Jongeren van wie het gelovig denken en doen even traditioneel is als dat van hun ouders. Naast hen die van kindsaf gelovig zijn, bestaat deze groep voornamelijk uit degenen die op latere leeftijd - na maatschappelijk gesetteld te zijn of juist na teleurstellende ervaringen met de Nederlandse samenleving - de islam weer actief belijden. In tegenstelling tot hun ouders, voor wie de islam een sociale gewoonte is, hebben zij er echt voor gekozen. Vijf tot tien procent van de moslimjeugd behoort tot deze, groeiende categorie.

b) Existentieel en religieus stuurloze jongeren die zich hun stuurloosheid bewust zijn. De meerderheid bestaat uit studenten en maatschappelijk geslaagden. Ze voelen zich moslim - al bidden ze niet regelmatig en gaan ze zelden naar de moskee - maar weten niet hoe ze daar een moderne invulling aan moeten geven. Het zijn mondige jongens en (onder Marokkanen vooral) meiden, op zoek naar een manier om geestelijk te overleven in een geïndividualiseerde en geseculariseerde samenleving. Dat kan uiteindelijk resulteren in een aangepaste, 'moderne' manier van hun geloof beleven of juist in het afwijzen van de islam. Hun percentage ligt tussen de twintig en dertig procent.

c) Voortijdige schoolverlaters, jonge werklozen en andere maatschappelijk mislukten. Ze staan sociaal zwak en hopen via aanpassing hun weg te vinden in de samenleving. Deze groep zou in het thuisland meestal boer zijn geworden.

Ze noemen zich desgevraagd nog steeds moslim, maar doen er in de praktijk niets meer aan. Ze bidden nooit, gaan nimmer naar de moskee, roken, drinken alcohol. Als ze al vasten met ramadan, dan alleen omdat ze zich niet van ouders en familie willen vervreemden. De kans dat ze definitief van hun geloof afvallen is groot. Vijftig tot zestig procent van de moslim-jongeren in ons land behoort tot deze categorie.

Moslimvrouwen staan vaker sceptisch tegenover bepaalde geloofsdogma's dan mannen, blijkt uit onderzoek. Nico Landman, als islamoloog verbonden aan de universiteit van Utrecht, verbaast zich er niet over. “De islam legt meer beperkingen op aan vrouwen dan aan mannen. En in de migratie-context komen hun problemen nog veel sterker tot uiting: mag een meisje wel of niet alleen naar de disco?”

Tenzij je een traditionele moslima bent heeft, zo blijkt uit gesprekken met islamologen, de moderne omgeving een grensverleggende invloed op veel moslimmeiden. Als je iedereen in mini ziet rondlopen wil je ook wel wat anders aan dan een lange rok en een vormeloze mantel. Dat leidt tot conflicten thuis, maar soms ook tot opmerkelijke voorbeelden van moslim-emancipatie.

Het resultaat valt met name steeds vaker in Marokkaanse kring te zien. Daar stappen goed geklede en opgeleide, ambitieuze jonge vrouwen rond. Ze noemen zich moslim, maar halen de schouders op als ze de imam horen beweren dat de enige juiste werkplek voor een moslimvrouw haar huis is, dat ze zich moet schikken naar de wensen van haar man en alleen mag studeren om later de kinderen beter te kunnen opvoeden.

En dan zijn er de ouderen. Onder hen lijkt de band met het geloof der vaderen nog sterk. Deze eerste generatie praktiseert hier de islam precies zoals ze dat in het geboorteland deed: een vast ritueel zonder veel vragen.

Cultureel antropoloog Thijl Sunier: “Het is vaak meer een psychologische overlevingsstrategie dan echte overtuiging. Het geloof fungeert als punt van houvast temidden van een verwarrende wereld. Laag opgeleid als men is heeft men weinig of geen inzicht in de islam.”

Sunier, werkzaam bij de onderzoeksgroep godsdienst en maatschappij van de Universiteit van Amsterdam stelt: “Zelfs de eerste generatie is geen statisch, monoliet blok, als het gaat om culturele en religieuze gewoontes en gebruiken. Ook zij blijkt niet imuum voor de invloed van de nieuwe, geseculariseerde omgeving.”

Onderzoeken lijken Sunier gelijk te geven. Uit een enquête onder Marokkanen in Nederland bleek van de 61,8 procent die zei niet dagelijks te bidden 16,4 procent dit in het moederland nog wel te hebben gedaan. Men mag aannemen dat dit laatste percentage hoofdzakelijk ouderen betrof. Zelfs onder hen beginnen de panelen langzaam te verschuiven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden