De islam kan eigen Dode-Zeerollen goed gebruiken

Dissidente islamologen stellen spectaculaire vragen over de begintijd van de islam. Deel 7 van een serie: de oudste koranfragmenten op tegeltjes in het middelpunt van de wereld.

Dissidente islamonderzoekers moeten tegen een stootje kunnen. Het valt op hoeveel emoties alternatief islamonderzoek kan oproepen, juist bij westerse islamgeleerden die zelf geen moslim zijn.

De in 1992 overleden Israëlische archeoloog Yehuda Nevo kon zichzelf niet meer verdedigen, toen een recensent van zijn in 2003 uitgekomen boek 'Crossroads to Islam' (zie Trouw-site en vorige aflevering) hem en co-auteur Judith Koren, beiden Joden, op een lijn stelde met ontkenners van de holocaust.

Ook andere kritieken zijn opvallend vaak tegen de persoon gericht. Tegenstanders van de Hamburgse taalkundige Christoph Luxenberg zoeken het vooral in neerbuigendheid.

Luxenberg denkt dat duistere gedeelten van de Koran niet vanuit het Arabisch, maar vanuit het verwante Aramees, destijds de cultuurtaal van het Midden-Oosten, kunnen worden opgehelderd. Bij de uitwerking van die gedachte sloopt hij de nodige heilige huisjes en dat doet pijn, schijnbaar ook en misschien wel juist bij niet-islamitische wetenschappers.

Zo denkt hij dat de oudste delen van de Koran stammen uit de eerste helft van de zesde of misschien zelfs de tweede helft van de vijfde eeuw. Dat is ongeveer honderd jaar, voordat volgens biografen Mohammed geboren is, aan wie die teksten zouden zijn geopenbaard.

Hij schat het tijdsverschil tussen de oudste en jongste korangedeelten op minstens een eeuw, zodat ze moeilijk afkomstig kunnen zijn van één profeet of auteur. Luxenberg ziet soms dat er in oude gedeelten commentatoren uit een kennelijk latere periode het woord nemen, die van de tekst, die ze 'uitleggen', niets meer begrijpen.

Luxenberg: “De linkerhand wist later niet meer wat de rechter had geschreven.“

Maar zekerheid heeft ook hij niet, bij gebrek aan koranfragmenten uit de zesde of zevende eeuw. Het wachten is op een vondst van het kaliber van de Dode-Zeerollen.

De oudst bekende korangedeelten zijn overigens niet op perkament of papyrus bewaard gebleven maar in een tegelmozaïek in de Rotskoepel in Jeruzalem.

Tegenwoordig is dat achthoekige gebouw symbool bij uitstek van de Palestijnse zaak. Wat de Eiffeltoren is voor Fransen, is de Rotskoepel voor de Palestijnen. Daar komt nog veel religieuze lading bij.

Ooit stonden hier de tempels van Salomo en Herodes. De plek is doortrokken van talloze legendes. Volgens sommige daarvan is hier Jezus gekruisigd, misschien ook begraven en wellicht zelfs ten hemel gevaren.

Op deze plek zou Abraham zijn zoon Izaük bijna hebben geofferd. Adam gaf er namen aan de dieren en volgens de moslims begon er de nachtelijke reis van Mohammed naar de hemel op het ros Boerak. Het is het middelpunt van de wereld en in 2000 brak er de tweede Palestijnse intifada uit.

De Rotskoepel geldt als een van de grote monumenten van de vroege islam. Geen wonder dus, dat er in de tegeltekst korangedeelten voorkomen.

Voor het eerst is hier het tweede deel van de islamitische geloofsbelijdenis te lezen: Mohammed is de gezant van God. Het staat er iets anders: “Mohammed is de knecht van God en zijn gezant“. Aan het einde van de tekst lijdt het schijnbaar geen twijfel meer dat de islam al een gevestigde religie is want er staat: “De godsdienst is bij God de islam.“

Althans, dat staat er als je uitgaat van modern Arabisch, maar dat is riskant. Woorden kunnen gelijk blijven maar betekenissen schuiven in de loop van de tijd op. Het Nederlandse woord aardappel bijvoorbeeld bestond, als aanduiding voor de een of andere knol, al eeuwen voordat de huidige aardappel vanuit Zuid-Amerika in Europa zijn intrede deed.

Arabisch schuift even heftig als Nederlands of welke, willekeurige taal ook. Dat maakt het zo rampzalig dat er geen Arabisch historisch etymologisch woordenboek is.

Volgens kritische islamgeleerden is ook de tekst in de Rotskoepel pas verklaarbaar als je rekening houdt met betekenisverschuiving. De Arabische woorden voor 'godsdienst', 'islam' en zelfs 'Mohammed' betekenen, denken ze, in de Rotskoepel iets anders dan tegenwoordig.

Via een erg technisch betoog verklaren Nevo en Koren het woord 'islam' in de Rotskoepel als 'eenheid' of 'eendracht'.

Ook Luxenberg komt in een bijdrage aan de bundel 'Die dunklen Anfünge' (zie Trouw-site) uit op zoiets als harmonie, maar dan theologisch, harmonie met de heilige teksten. In beide gevallen staat 'islam' nog veraf van de latere, orthodoxe uitleg als 'totale onderwerping aan God'.

Het woord din , in modern Arabisch 'godsdienst', betekent hier zoiets als de 'juiste gang van zaken'. De Rotskoepel bedoelt dus nog niet te zeggen dat de godsdienst bij God de islam is, hoewel dat er wel exact zou hebben gestaan als het modern Arabisch was geweest.

Volgens de tekst dateert de Rotskoepel van het jaar 72 van de islamitische jaartelling. Dat is 692 na Christus, behalve als het getal 72 symbolisch is (72 maagden in het paradijs, volgens legendes 72 discipelen van Jezus, 72 leerlingen van Zaratoestra).

Maar in de buurt van 692 komt het wel want de bouwer is 'vorst der gelovigen' Abd Al-Malik, die ook op gedateerde munten staat.

Zowel aan de buiten- als de binnenkant van de Rotskoepel is een religieuze tekst aangebracht. De eerste bevat korte koranpassages. Binnen zijn langere teksten, die in de huidige Koran verspreid voorkomen, aan elkaar gekoppeld met korte tussenvoegsels.

De buitentekst gaat over God en de binnentekst over Jezus.

Islamgeleerden, die uitgaan van de orthodoxe visie, denken dat er al een erkende Koran was. Volgens hen zijn de citaten van de Rotskoepel met een theologische bedoeling samengevoegd, zoals een predikant met bijbelteksten doet.

Volgens anderen bestonden er alleen nog maar losse fragmenten van een 'proto-Koran in wording'.

Een derde mogelijkheid is, dat de teksten speciaal zijn ontworpen voor de Rotskoepel en later zijn opgenomen in de definitieve Korantekst. Dat lijkt de opvatting van Nevo en Koren, die denken dat Abd Al-Malik al een eigen staatsgodsdienst wilde stichten en in de Rotskoepel belangrijke theologische kernbegrippen lanceerde.

Hoe dan ook, de inhoud is duidelijk. God is één en heeft geen zoon, vertelt de buitentekst. Jezus is geen zoon van God, wel zijn knecht, profeet en gezant, zegt de binnentekst.

Er staat vanuit islamitisch oogpunt geen onvertogen woord. De islam erkent dat er voor Mohammed profeten waren, onder wie Jezus.

Toch is het opmerkelijk, dat je een heilig gebouw wijdt aan een nieuwe godsdienst en dan de profeet van die godsdienst niet of nauwelijks noemt, terwijl je het wel uitgebreid hebt over Jezus.

Zowel Luxenberg als Nevo en Koren denken daarom dat de tekst christelijk is, zij het van een speciaal christendom, dat al leek op de latere islam. Nevo en Koren spreken van joods, Luxenberg van 'Arabisch-Syrisch-christendom'. Het is een christendom van de steppen en de woestijn, dat, net als later de islam, de drie-eenheid fel afwijst.

Blijft de vraag of in de Rotskoepel Mohammed al 'de knecht van God en zijn gezant' wordt genoemd. Nevo en Koren denken van wel. Ze horen het startschot voor een ontwikkeling, die uitmondt in de latere islam.

Maar volgens Luxenberg is in deze tekst Mohammed nog geen eigennaam maar een bijvoeglijk naamwoord, dat 'prijzenswaardig' betekent. Er staat dan: “Prijzenswaardig is de knecht van God en zijn gezant“. Uiteindelijk ontwikkelt dat adjectief zich tot eigennaam. Vanaf dan heeft de islam zijn eigen profeet en is het niet langer een 'steppen- en woestijnchristendom.'

In de Rotskoepel is het nog niet zover. Mohammed is daar, denkt Luxenberg, een adjectief bij Jezus, die ook elders in de Koran zowel 'knecht van God' als 'gezant van God' of 'profeet' wordt genoemd.

Er komt overigens wel een eigen profeet voor in de Koran, meestal een naamloze jij-figuur, die opdracht krijgt om dingen te zeggen en tot troost van God krijgt te horen, dat bekende profeten uit het verleden, zoals Mozes, Jezus, Abraham en anderen, het in hun tijd ook moeilijk hadden.

Luxenberg zegt dat er nog veel onderzoek nodig is maar wil, in antwoord op een vraag, wel een 'grove schets' geven. Hij onderscheidt in de Koran drie jij-figuren. In de oudste gedeelten staat de jij-figuur voor elk willekeurig 'gemeentelid'. Binnenkort wil Luxenberg aantonen dat de tweede jij-figuur een christelijke monnik is. Pas daarna wordt de jij-figuur profeet.

Naast die drie jij-figuren onderscheidt Luxenberg Mohammed-1 en Mohammed-2. Mohammed-1 is adjectief bij Jezus en Mohammed-2 is de profeet. Mohammed komt in de hele Koran niet vaker dan viermaal voor, volgens Luxenberg maar tweemaal als eigennaam.

Mohammed mag de profeet van de islam zijn, de profeet van de Koran heeft een verrassend korte naam: JIJ.

(Met medewerking van Thomas Milo)

Eerdere afleveringen verschenen op 3, 10, 16, 24 en 31 maart en op 12 april. Zie www.trouw.nl/islam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden